IJverig, intelligent en ietwat moralistisch: CDA-coryfee Elco Brinkman lag op koers om premier van Nederland te worden. Maar wat een glansrijke loopbaan in de politiek had moeten worden, lag na een dramatische verkiezingsnederlaag in 1994 aan diggelen. Maandag overleed hij na een kort ziekbed.
recenseert voor de Volkskrant boeken over politiek en openbaar bestuur.
Hij werd door menigeen gezien als een wonderkind in de politiek; hij eindigde onverhoeds als een total loss. Wat een kroonjaar had moeten worden, werd zijn rampjaar. In plaats van het minister-presidentschap, als opvolger van de machtige Ruud Lubbers, wachtte Elco Brinkman in 1994 een roemloze aftocht van het Binnenhof. Ed van Thijn, PvdA-coryfee, noemde het in zijn boek Kroonprinsenleed ‘een van de grootste koningsdrama’s in de Nederlandse politiek’.
Brinkman overleed vandaag na een kort ziekbed overleed in Leiden. Hij werd 78. Toen zijn partij, het CDA, nog als vanzelfsprekend de lakens uitdeelde, werd hij een grote naam in de politiek. Verankerd in het midden van het spectrum waren verkiezingsresultaten rondom de 50 zetels heel gewoon voor de christendemocraten. Ruim twaalf jaar, tussen 1982 en 1994, onderstreepte het premierschap van Ruud Lubbers de macht van het CDA: we rule this country.
Het was ook Lubbers zelf die al in 1989 Elco Brinkman, young and bright, als de nieuwe paus van de politiek aanwees. Tot daaraan een abrupt einde kwam toen op 3 mei 1994 de nieuwe lijsttrekker Brinkman een dramatische verkiezingsnederlaag leed. Het CDA duikelde van 54 naar 34 zetels. Een vingerwijzing dat het definitief niet meer goed zou komen met de uitverkoren nieuwe leider, was er al drie dagen later. In het wassenbeeldenmuseum Madame Tussauds verhuisde Brinkman van een prominente plek in een der toonzalen naar het depot.
Elco Brinkman werd gezien als een zondagskind in de politiek. Zoon van de gereformeerde burgemeester van Hardinxveld-Giessendam. Opgegroeid onder de beschermende hand van de Here, in een sfeer van plichtsbetrachting en gezagsgevoeligheid. Daar kwam de nuchterheid van de Alblasserwaard nog eens bovenop.
Leendert, roepnaam Elco, was ijverig en intelligent. In de jaren zestig studeerde hij rechten en politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Elders in de stad werden in die dagen van studentenprotesten universiteitsgebouwen bezet; Elco speelde bridge met medestudenten op de soos.
Hij zou later als minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC), tussen 1982 en 1989, zijn afkomst trouw blijven. Hij moraliseerde er duchtig op los, langs de ideologische lijnen van een zorgzame samenleving die het CDA in die dagen propageerde. Hij hekelde de luiheid van de jeugd, het materialisme van de mensen en het ‘hangen voor de tv’. In een interview met Vrij Nederland in april 1984 spoorde hij Kamerleden aan harder te werken. Een parttime baantje buiten het parlement zou hen niet misstaan.
In 1985 weigerde hij de P.C. Hooft-prijs uit te reiken aan de schrijver en columnist Hugo Brandt Corstius. De reden? Brandt Corstius had ‘het kwetsen tot instrument gemaakt’. Het verschafte hem profiel: links zette hem, in weerwil van een Kennedy-achtige look, weg als moraalridder. In eigen kring gold dit als een aanbeveling.
Als een komeet had Brinkman, amper droog achter de oren, voordien een ambtelijke glanscarrière doorgemaakt. 32 was hij en voor eeuwig verplichtte hij als ambtenaar op Binnenlandse Zaken zijn minister Wiegel aan zich door met speels gemak de hoofdlijnen te trekken van Bestek’81. Het was een bezuinigingspakket van het kabinet Van Agt-Wiegel uit 1978. Het moest 10 miljard opleveren, destijds een ongehoord bedrag.
34 was hij, hij kende Lubbers niet, had hem één keer een hand gegeven. De telefoon ging, het was half twaalf ’s avonds, hij stond net zijn pyjama aan te trekken. ‘Ik ben Lubbers’, zei een stem. ‘Veel tijd heb ik niet, ik ben aan het formeren, je naam is genoemd voor WVC. Heb je belangstelling?’
Zo viel Elco Brinkman omhoog, tegen de zwaartekracht in. Even achteloos als dat aantrekken geschiedde, zou premier en partijleider Lubbers hem zeven jaar later, in december 1989, aanwijzen als zijn opvolger. Hoe ontijdig die aanwijzing was, zou nog blijken.
In 1989 werd Brinkman fractievoorzitter van het CDA. Het wonderlijke en het fascinerende was dat hij zich al vrij snel ontwikkelde tot een rivaal van CDA-premier Lubbers, in plaats van tot diens stut en steun in het parlement. De kroonprins ging de koning tarten.
Hij stelde zich niet deemoedig op in de coulissen in afwachting van het grootse moment waarop de wacht mocht worden gewisseld, maar bekritiseerde het derde kabinet van Lubbers, een coalitie tussen het CDA en de PvdA, met een overgave dat het een aard had: ‘Het kabinet moet de taboes maar eens doorbreken. Anders vrees ik dat we met dit kabinet in grote, ernstige moeilijkheden komen. Het speelkwartier is over.’
Vermoedelijk zag Brinkman het fractievoorzitterschap niet zozeer als een eervolle en leerzame politieke positie, maar veeleer als een opstapje en misschien zelfs wel als een oponthoud. Gerrit Gerritse was vice-fractievoorzitter in die tijd. Hij had zo zijn bedenkingen over zijn fractievoorzitter: ‘De meerderheid in de fractie heeft vanaf het begin het gevoel gehad: dit is een doorgangshuis voor hem, hij is bereid tijdelijk tot ons niveau af te dalen. Mijn vrouw zei weleens: moeten jullie Brinkman niet wat meer schoppen?’
Brinkman presenteerde het nieuwe CDA-programma onder de titel ‘Een waterscheiding’. We moesten het zien als ‘de afsluiting van een tijdperk’. Ed van Thijn, de PvdA-politicus, herinnerde zich later dat hij Brinkman wel tegenkwam bij theatervoorstellingen in Amsterdam en dat deze hem dan ‘ongegeneerd’ toeriep dat Lubbers veel te lang bleef zitten. Van Thijn: ‘Brinkman wilde voor het zingen de kerk in.’
De CDA-leider-in-opkomst trachtte een eigen profiel te ontwikkelen, maar hij wist niet veel anders te verzinnen dan de zittende leider voor de voeten te lopen. De jonge mijnheer eiste bezuinigingen op de uitkeringen voor arbeidsongeschikten, de jonge leider verlangde invoering van een maatschappelijke dienstplicht. Keer op keer kwam hij met schimpscheuten over stroperig beleid. De oude leider trok aanvankelijk de wenkbrauwen op, maar raakte gaandeweg geïrriteerd, gedeprimeerd en uiteindelijk moedeloos.
Lubbers zag in de loop van 1993 aankomen dat Brinkman en hij elkaar in een val zouden meesleuren. Zijn leven lang was hij een goochelaar geweest in politieke varianten, in hele en halve oplossingen. Ook nu kwam Lubbers met tal van suggesties om de zaak ten goede te doen keren, maar eigenlijk wist hij dat hij op een dood spoor zat.
‘Nergens sprak nog het vermogen tot regisseren uit dat de premier in binnen- en buitenland fameus had gemaakt’, schreef politiek commentator van Het Parool, Bert Steinmetz. ‘Het waren veeleer blijken van paniek, wanhoopsprongen.’
In een brief aan de CDA-top begin 1994 schreef Lubbers dat voor hem uiteindelijk het moment was aangebroken waarop Brinkman tot terugtreden als lijsttrekker en in ieder geval als beoogd premier zou moeten worden gedwongen: ‘Hoe een volkspartij zich laat marginaliseren, omdat het ‘wij horen bij elkaar’ niet meer zichtbaar wordt gemaakt.’
Maar Brinkman, daarbij krachtig aangemoedigd door zijn vrouw Janneke, wilde van wijken niet weten. Lubbers schreef dat bidden alles was wat hem nog restte.
De partij die altijd als eerste wist wat het beste was voor het land viel ten prooi aan interne chaos en werd voor zichzelf én voor de kiezer een raadsel. Het kwam in het voorjaar van 1994 tot uitdrukking in een vrije val in de peilingen, gevolgd door een ongekende en desastreuze verkiezingsnederlaag.
Het was de opmaat naar het eerste kabinet-Kok, de paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 die tussen 1994 en 1998 het land zou regeren. Het was een kabinet zonder katholieken of protestanten, wat in geen van de naoorlogse regeringen was voorgevallen.
Elco Brinkman mocht als fractieleider nog aanschuiven in de kabinetsformatie. De electorale vernedering bracht geen bescheidenheid. Hij zag een centrale rol voor het CDA in de nieuwe regering, allicht onder zijn stuurmanskunst. Aan het eind van de zomer was fractievoorzitter Brinkman echter van het toneel verdwenen, in 1995 ook het Kamerlid Brinkman.
In eigen kring hadden ze schoon genoeg van hem. Het gehuil van de wolven in het bos was niet van de lucht. Van een bijzondere schoonheid was de boutade die oud-premier Barend Biesheuvel ten beste gaf in een vraaggesprek met de Volkskrant. Biesheuvel was als fractieleider van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) jarenlang de politieke roerganger geweest van het gereformeerde volksdeel. Zijn gezag was even groot als zijn rijzige gestalte.
Biesheuvel vertelde in het interview dat zijn doen en laten in de politiek thuis door zijn vrouw altijd kritisch werd gevolgd. ‘Dan blijf je overeind. Maar ik ken ook politici die thuis geen kritiek krijgen, maar in tegendeel opgejut worden [...] Brinkman heeft toegegeven aan zijn neiging. Hij speelde al minister-president lang voordat hij het was. De nieuwe gordijnen van het Catshuis waren bij wijze van spreken al besteld.’
Menigeen in het CDA had zich gestoord aan het dandyachtige optreden van Brinkman in de zalen in het land. Uit de losse pols, verliefd op zichzelf. Bert de Vries, het reformatorisch huisorgel, verklaarde: ‘Ik heb me nooit begeven tussen de sterren. Hij wel.’
De historicus Verkuil die een boek schreef over het ontstaan van het CDA, was nog harder, hij noemde Brinkman ‘een intellectueel lichtgewicht’ en concludeerde: ‘Brinkman mist innerlijke overtuiging.’
En Brinkman, hoe keek hij zelf terug op het debacle van zijn geldingsdrang? ‘Het is waar dat ik al heel jong hoog in de boom zat’, zei hij terugkijkend in 2002 tegen de Volkskrant. ‘Maar dat was de cultuur van toen, van de jaren tachtig. Het moest jonger, alles moest jonger. De oudjes gingen eruit. [...] Ik voel dat mensen met een jaap in het gezicht meer accepté zijn dan zondagskinderen in een keurig pak.’
Ook over de verwrongen verstandhouding met zijn leermeester Lubbers voelde hij weinig wroeging: ‘Je moet een jonge hond zijn jonge hond-zijn gunnen. (-) Ruud had natuurlijk moeite met de overdracht. Tegelijk wist hij dat hij weg moest. We hebben er destijds veel over gesproken, over allerlei modellen van overdracht. Rationeel was het allemaal in orde, maar gevoelsmatig lukte het niet.’
Elco Brinkman was nog geen 30, hij was ambtenaar en de toenmalige secretaris-generaal op Binnenlandse Zaken raadde hem aan wat minder hard te lopen. Hij was 34, hij was minister en dikwijls genoeg verzocht de Tweede Kamer hem wat minder de dominee uit te hangen. Hij was begin veertig, beoogd minister-president namens het CDA en zijn partij vroeg hem geduld te oefenen. Hij was 46 en wat een glansrijke loopbaan in de politiek had moeten worden, lag aan scherven. Hij zou in het bedrijfsleven nog een aantal invloedrijke posities bekleden, maar als politicus was het gedaan met de koopman, voorgoed.
Eelco Brinkman in het kort
1948 Geboren in Dirksland
1972 Doctoraal examen politicologie
1974 Doctoraal examen staatsrecht
1975-1982 Ambtelijke functies op ministerie van Binnenlandse Zaken
1982-1989 Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
1989-1994 CDA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer
1994 Partijleider van het CDA
2011-2019 CDA-fractievoorzitter in de Eerste Kamer
2006 Nummer 1 in de Volkskrant top-200 van invloedrijke Nederlanders
De rogge staat er dun bij, Pieter Gerrit Kroeger en Jaap Stam, 1998, Amsterdam
Kroonprinsenleed, Ed van Thijn, 2008, Amsterdam
Ruud Lubbers: peetvader van het poldermodel, Bert Steinmetz, 2000, Amsterdam
Jan de Koning, een biografie, Peter Boersma, 2023, Amsterdam
Hans van Mierlo, een wonderbaarlijk politicus, Hubert Smeets, 2021, Amsterdam
Ruud Lubbers, Een slag anders, Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen, 2024, Amsterdam
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant