Home

‘Natuurlijk, applaus krijgen is plezant. Maar daar deed ik het niet voor. Ik wilde de mensen raken’

De Belgische acteur Ray Verhaeghe is 100 jaar. Hij speelt nog steeds mee in een televisieserie. Hoe blijft hij zo energiek?

is verslaggever van de Volkskrant. Ze woont in België.

De Belgische acteur Ray Verhaeghe is 100 jaar. Hij speelt nog steeds mee in een televisieserie. Hoe blijft hij zo energiek?

is verslaggever van de Volkskrant. Ze woont in België.

Als Ray Verhaeghe de deur opendoet, neemt hij de journalist meteen bij de arm. Hij is klaar voor het interview, maar eerst: willen we geen rondleiding door zijn huis? Het is een vrijstaande woning in de rand van Antwerpen, in 1964 gebouwd naar een bijzonder ontwerp: zonder rechte hoeken. Ray wijst op de zichtlijnen, de lichtinval, de kunstwerken aan de muur, gemaakt door zijn vrouw of vier kinderen, met wie hij hier vroeger woonde. Hij praat honderduit.

Verhaeghe mag dan 100 jaar zijn, hij zit duidelijk nog vol energie. Meer nog, hij is nog steeds aan het werk. Hij was tot zijn 65ste acteur in het theater, en heeft sinds zijn ‘pensioen’ een vaste rol in de Vlaamse televisieserie Familie. Samen met actrice Annie Geeraerts, die ook 100 jaar is, speelt hij al 35 jaar de ‘bomma’ en ‘bompa’ van de tv-familie. Ze werden deze zomer in het Guinness Book of Records opgenomen als ‘oudste soapkoppel ter wereld’.

We hebben in de Volkskrant al veel 100-jarigen geïnterviewd, maar een 100-jarige die nog werkt, dat maken we niet veel mee.

‘Ja, maar voor een acteur is acteren geen werk, hè. Dat is doen waar je een heel leven naar gehunkerd hebt. Natuurlijk, je moet je teksten leren en gedisciplineerd zijn, en vaak kleren aandoen en uitdoen. Op één opnamedag moet ik zes of zeven keer van kleren wisselen, omdat ik in verschillende scènes speel. Maar als je geëngageerd bent, doe je dat graag. Acteren is geen werk. Dat is mijn zijn.’

100 jaar in het buitenland

De serie met interviews met 100-jarigen gaat deze zomer de grens over.
In juli en ­augustus vertellen eeuwelingen uit de hele wereld over hun leven.
Dit is aflevering 7 (slot).

U woont in Antwerpen, maar bent geboren in het West-Vlaamse Torhout, ver weg van de theaterwereld. Hoe kwam u erbij om acteur te worden?

‘Dat heeft altijd in me gezeten. Ik speelde mee in het schooltoneel, we deden één grote voorstelling per jaar. En ik speelde muziek. Dat is allemaal dezelfde taal. Een soort innerlijke mededelingsdrang.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Papa was afdelingschef in een grote textielfabriek, tot de crisis in de katoenindustrie in de jaren dertig. Daarna werkte hij in een grootwarenhuis als hoofdverantwoordelijke voor de koloniale producten. Handelsreizigers trokken per trein van dorp naar dorp, en noteerden: hier 10 kilo suiker, daar 2 kilo koffiebonen. Papa moest zorgen voor de bevoorrading. Dat was een grote verantwoordelijkheid.

‘Mama had een grote taalgevoeligheid. Ze kon Frans en Duits schrijven. We hadden het goed als gezin. Natuurlijk, we kenden de struggles van onze tijd, maar mijn drie broers en ik konden allemaal studeren. We kregen ook allemaal muziekles. Ik speelde viool, mijn broers dwarsfluit, piano en trompet. We waren gevoelig voor kunst. We hadden geen schilderijen in huis, maar wel mooie foto’s en spreuken. Dat heeft mij gevormd.’

U was 14 toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Torhout werd zwaar gebombardeerd.

‘Dat was in mei 1940, drie dagen voor de capitulatie. Alle troepen waren naar de Westhoek gedreven, en de koning en ministers zaten op het kasteel van Wijnendale, op grondgebied Torhout. Ik had daar als kind nog gespeeld. De zoon van de hovenier was een schoolkameraad, en wij gingen na schooltijd rolschaatsen op de tenniscourt met het zoontje van de kasteelheer.

‘De Duitsers hebben Torhout toen gebombardeerd om druk uit te oefenen. In drie dagen tijd zijn er in Torhout dertien mensen gestorven, zijn er huizen vernield, en is de kerk uitgebrand. Dat was echt oorlog met bommen uit de lucht. Iedere keer: boem! En dan kijken: is het voorbij? Die spanning draag je de rest van je leven mee.

‘De rest van mijn studententijd heeft zich in oorlogstijd afgespeeld. Torhout lag op 20 kilometer van de kust, en de hele oorlog bleven er Duitse bommenwerpers overvliegen. Dan hoorde je zo’n laag gedreun. Ik lag de helft van de nacht in mijn bed te daveren van schrik.’

Die spanning draagt u nog steeds mee?

‘Ik heb er geen schrik meer van, maar dat gruwelgevoel vergeet ik nooit. Als ik nu zie wat er in Oekraïne gebeurt... Ik zag een tijdje geleden een foto van een verlaten strand, met een kindje dat aan het voetballen was met een stuk oude munitie. Dat is toch waanzin...’

Hij stokt. Tranen lopen over zijn wangen.

Wilt u even pauzeren?

‘Nee, het is geen probleem. Ik voel alles heel sterk. Dat heb je nodig als acteur, want het is met je gevoeligheid dat je mensen kunt raken. Als we een scène spelen waarin ik moet huilen, dan vragen ze soms: moeten we druppeltjes geven? Ik zeg: nee, ben je zot? Ik speel dat verdriet niet, ik bén dat.’

De Tweede Wereldoorlog had een onverwacht gevolg: u maakte kennis met de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS), het nationale toneelgezelschap van België, waar u later zou werken.

‘Toen de Duitsers met hun V2-bommen begonnen, vluchtte een groot deel van het gezelschap van Antwerpen naar Brugge. Ze logeerden bij burgers, en speelden in de buurt. Ik zat op internaat in Ieper, en op een avond mochten we naar Jozeph in Dothan van Joost van den Vondel. Dat was de eerste keer dat ik een beroepsgezelschap zag. Ik was in de wolken. Dat zijn gebeurtenissen in je leven die je richting kunnen geven.’

Na de middelbare school volgde Ray een toneelopleiding in Brugge en Gent. In 1950 werd hij aangenomen op de Studio Herman Teirlinck, een gerenommeerde acteursopleiding die toen net was opgericht. ‘We deden auditie met 36 en er werden er vier aangenomen. Ik was erbij. Je moet talent hebben, maar ook geluk.’

In 1956 studeerde hij af, met 21 maanden vertraging door zijn militaire dienstplicht, en kreeg hij een contract bij de KNS. Met dat gezelschap speelde hij 32 toneelstukken per jaar: Shakespeare, Molière, Griekse tragedies, maar evengoed Franse komedies of Engelse thrillers. Verhaeghe voelde zich er als een vis in het water.

Kreeg u mooie rollen?

‘Ik heb grote rollen gespeeld, en ik heb rollen gehad waarin ik maar twee zinnen moest zeggen. Ik heb les gekregen van de grote Herman Teirlinck, en die zei: er bestaan geen kleine rollen. Het gaat er niet om wát je doet, maar hóé je het doet. Het gaat erom dat mensen voelen dat het echt is.

‘Natuurlijk, applaus krijgen is plezant. Maar daar deed ik het niet voor. Ik wilde de mensen raken. De KNS was een groot theater, met machinisten die de decors moesten wisselen. Als die na zo’n wissel in de coulissen bleven staan, in plaats van naar hun lokaal te gaan, dan wist ik dat het goed was. Als ik het publiek in de zaal hoorde lachen of snikken, dat is een applaus zonder applaus. Daar leefde ik voor.’

In 1952 leerde u uw vrouw Diana kennen. Hoe ging dat?

‘Ik kende haar familie, omdat mijn oudere broer kennis (verkering, red.) had met haar oudste zuster. Zij zijn later ook getrouwd. De dag voor ik in het leger moest binnengaan, heb ik een foto van haar gevraagd en gekregen. We zagen elkaar niet vaak, maar we hebben drie jaar lang brieven geschreven.’

In 1955 bent u getrouwd. Diana was lerares, maar moest haar baan opgeven.

‘In het katholiek onderwijs was dat toen zo: getrouwd en buiten. Ze is nooit meer aan het werk geweest. Er kwamen kinderen en ze is thuisgebleven.’

Vond ze dat jammer?

‘Nee, dat lag niet in haar karakter. We hebben nooit problemen gehad. Ook niet financieel. Bij de KNS kreeg je ieder jaar een nieuw contract, en als je artistiek geapprecieerd werd, begon je loon te stijgen. In mijn verlof speelde ik in tv-series of films. Ik heb nooit werk geweigerd. Ik heb in meer dan tachtig tv-series gespeeld. Mijn vrouw steunde mij. Zij had ook artistieke feeling. Net als de kinderen. Zij spelen muziek of ze schilderen of beeldhouwen. Dat komt allemaal uit dezelfde bron.’

Tegenwoordig heeft Verhaeghe nog een paar draaidagen per maand voor Familie. Op andere dagen lost hij krantenpuzzels op en doet hij het huishouden. Hij kookt, wast en strijkt zelf, en één keer per week komt een schoonmaakster. Hij gaat naar het theater, en heeft een tablet waarmee hij contact met zijn kleinkinderen houdt. Op zondag spreekt hij af met een van zijn vier kinderen. Die helpen met zijn boodschappen, sinds hij vorig jaar zijn auto de deur uitdeed.

Ongelooflijk dat u op uw 100ste nog zo actief bent.

‘Veel mensen zeggen: jij hebt geluk. Maar ik zeg: nee, ik heb vooral geen tegenslag. En als ik tegenslag heb, dan probeer ik dat te aanvaarden. Het is een soort geluk als je weet: een andere weg is er niet, dus die moet ik bewandelen.’

Uw grootste tegenslag was het plotse overlijden van uw vrouw, 22 jaar geleden. Ze was 75 jaar. Hoe ging u daarmee om?

‘Ik moet het aanvaarden. Ik heb dagen dat dat moeilijk is, maar dat is bij iedereen zo. Veel vrienden zeiden: als het niet gaat, dan bel je maar. Maar ik heb nooit gebeld. Dat doet even deugd, maar dat is uitstel. Maar ik denk nog veel aan haar. Mensen vroegen me soms: wil je geen nieuwe relatie? Maar in 1955 heb ik haar mijn woord van trouw gegeven. Voor mij telt dat nog.

‘Ik vind het vooral spijtig dat Diana niet méér heeft kunnen genieten. Ze verdiende het veel meer dan ik om van de kleinkinderen te genieten, maar ze heeft de kans niet gekregen. Ze heeft niet één achterkleinkind gekend. Dat grieft mij. Maar ik moet het aanvaarden. Met tegenzin.’

Tot slot, gaat u nog lang door met acteren?

‘Zolang ze mij kunnen gebruiken, waarom niet? Acteren voelt voor mij niet als werk. Mijn afwas laat ik soms drie dagen staan. Dat is werk. Maar zoals mijn tegenspeelster Annie zegt: ‘Wij gaan niet werken. Wij gaan leven.’’

Geboren: 19 maart 1926 in Torhout, België

Beroep: acteur

Familie: vier kinderen, twaalf kleinkinderen, tien achterkleinkinderen

Getrouwd in 1955, weduwnaar sinds 2004

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next