Home

Dagboek van een coassistent in Charkiv: ‘Niet huilen, Fre. Dit is ons dagelijks leven’

Coassistent Frederiek Roukens (26) werkte afgelopen zomer als vrijwilliger in een militair ziekenhuis op zo’n 30 kilometer van het front. Voor de Volkskrant hield ze een dagboek bij. ‘Je bent als een zonnestraal in een donker koninkrijk.’

Coassistent Frederiek Roukens (26) werkte afgelopen zomer als vrijwilliger in een militair ziekenhuis op zo’n 30 kilometer van het front. Voor de Volkskrant hield ze een dagboek bij. ‘Je bent als een zonnestraal in een donker koninkrijk.’

Donderdag

18.00

Bij de ingang staat Ivan op me te wachten. De 28-jarige anesthesioloog steekt zijn hand uit en glimlacht vriendelijk.

Met een rugzak, een sporttas en twintig pakken stroopwafels loop ik achter hem aan door het ziekenhuis. Aan weerszijden van de gang zitten gewonde militairen. De een mist een arm, de ander een been, sommigen allebei. Lichamen lijken hier van binnenuit te zijn geëxplodeerd. Ik probeer niet te lang te kijken, maar aan de opengereten gezichten valt niet te ontkomen.

Een infectioloog laat me de patiëntenkamer zien waar ik de komende week zal slapen. De kamer bevindt zich in een gebouw naast het hoofdziekenhuis. Hij vertelt me dat ik de eerste buitenlandse vrijwilliger ben sinds het begin van de oorlog. Ik vraag hem naar de schuilkelder. Even is het stil. ‘Die is er in dit gebouw niet. Als je een inslag hoort, zorg dan dat er twee muren tussen jou en de ramen zitten.’ Ik kijk de kamer rond en leg mijn tas op het bed dat het verst van het raam staat.

Het ziekenhuis in Charkiv ligt dicht bij het front en behandelt uitsluitend militairen. Sinds de Russische invasie is het acht keer aangevallen. De meeste ramen zijn dichtgetimmerd, boven een groot deel van het terrein hangen netten tegen drones en buiten staan grijze bunkers. Vorig jaar bracht student geneeskunde Frederiek Roukens als vrijwilliger hulpgoederen naar dit ziekenhuis. ‘Voor mij was het niet de vraag óf ik hier zou terugkeren, maar wanneer.’

01.30

Sinds ik in bed lig, is het luchtalarm al negen keer afgegaan. Tussendoor hoor ik explosies en ambulances af en aan rijden. Slapen lukt nauwelijks. In de weken voor vertrek dacht ik veel na over het gevaar. Nu lig ik er middenin. Ik vraag me af of wat ik hier kan betekenen opweegt tegen het risico dat ik neem.

De volgende ochtend staat er een bericht van de infectioloog op mijn telefoon: ‘Je bent als een zonnestraal in een donker koninkrijk. Dank je wel dat je bent gekomen.’

Vrijdag

08.00

Ik meld me op de intensive care. Een grote man in een panterprint-operatiepak, zijn armen vol tatoeages, stapt op me af. ‘Ik ben Dmytro. Noem me maar Dima.’ Hij neemt me even onderzoekend op en knikt. ‘We gaan aan de slag.’

In het eerste bed ligt Oleksandr. Een FPV-drone heeft zijn beide benen afgerukt. Zijn gezicht gaat schuil onder het verband. ‘Hij moet een CT-scan krijgen’, zegt Dima. ‘Als hij hersendood is, geen feest, geen drankjes, Fre.’ Ik vermoed dat een grap hier makkelijker is dan praten over wat er gebeurt.

11.00

Sinds mijn komst heb ik nog niemand op het luchtalarm zien reageren. Ik vraag Ivan of ze weleens naar de schuilkelder gaan. Hij kijkt me verbaasd aan. ‘Nee, wat voor dokter ben je als je je patiënten achterlaat?’

Ik kijk de kamer rond. De meeste patiënten liggen aan de beademing. Geen van hen kan lopen. Ik besluit niet naar de kelder te gaan.

13.00

Op de afdeling is een patiënt overleden. Verpleegkundigen doen zijn lichaam in een lijkenzak en zetten witte schermen rond het bed. Iryna, hoofd van de intensive care, komt binnen. Op deze onrustige plek straalt zij een vanzelfsprekende rust uit. Ze slaakt een diepe zucht. ‘Ik moet de familie vertellen dat hij dood is.’

Als ze terugkomt, vertelt ze over twee collega’s die elkaar tijdens de oorlog in het ziekenhuis leerden kennen. Morgen trouwen ze. ‘Als er iets te vieren valt, dan vieren we het.’ Even later verschijnt ze in een lange bloemenjurk en vertrekt ze om een boeket voor het bruidspaar te kopen.

19.00

Als ik de afdeling verlaat, zit Oleksandrs vrouw op dezelfde plek als die ochtend, naast zijn bed. Ze is klein, heeft kort donker haar en buigt zich naar hem toe. Ze streelt onafgebroken zijn arm en praat zacht tegen hem. Wat zou ze tegen hem zeggen?

Zaterdag

09.00

Terwijl ik buiten met een paar militairen praat, gaat het luchtalarm af, ditmaal gevolgd door schoten en explosies. Een verpleegkundige grijpt me bij mijn arm, trekt me naar binnen en duwt me de gang in. Zonder iets te zeggen loopt ze weer weg. Later hoor ik dat 800 meter verderop drie Shahed-drones uit de lucht zijn geschoten.

14.00

Oleksandr is nu stabiel genoeg voor een CT-scan. We brengen hem naar de röntgenkamer en tillen hem op de onderzoekstafel. Terwijl ik hem vasthoud, vraag ik me af of je dit nog een lichaam kunt noemen.

Ik kijk naar de scan en dan naar Dima. Geen feest, geen drankjes. Oleksandr is hersendood. Ik denk aan zijn vrouw. Ze zullen elkaar nooit meer in de ogen kijken.

We lopen door naar de shockroom, waar patiënten met levensbedreigende verwondingen worden opgevangen en gestabiliseerd. De volgende gewonde wordt binnengebracht.

19.00

Als ik het ziekenhuis uitloop, blijft wat ik vandaag heb gezien zich aan me opdringen.

Voor ik naar bed ga, loop ik nog even de afdeling op om te vragen of ik wat water mag koken. Waar was ik geweest? Had ik wel gegeten? De verpleegkundigen zetten me op een stoel en schuiven eten voor mijn neus. Binnen een paar minuten zitten ze met z’n zessen om me heen, onder wie de vrouw die me die ochtend naar binnen trok. We lachen, eten, praten via Google Translate en houden elkaar vast.

Als ik die avond mijn ogen sluit, zijn de beelden van die dag ineens zachter.

Zondag

08.00

Bij aankomst op de afdeling word ik voor het eerst door een van de artsen begroet met een omhelzing. De afgelopen dagen is me opgevallen hoeveel lichamelijk contact de artsen en verpleegkundigen bij elkaar zoeken. Een arm om een schouder, een hand op een rug, even tegen elkaar aan als ze elkaar passeren.

Sasha, een 23-jarige verpleegkundige, komt zoals iedere ochtend met een grote lach naar me toe. ‘Hé, Freya’, zegt hij. Hij begint te giechelen en loopt weer weg. Hij is tenger en zacht in zijn doen, altijd in de weer, maar nooit op de voorgrond. Deze plek staat niemand, maar hem al helemaal niet.

15.00

Ik vraag Ivan hoe het met Oleksandr gaat. ‘Wil je de waarheid?’, vraagt hij. Ik knik. ‘Hij zal vandaag sterven.’

Zijn vrouw zit naast zijn bed. Nog altijd streelt ze zijn arm. Ik weet niet wat ik tegen haar moet zeggen. Ik leg mijn hand op haar schouder en blijf even naast haar staan.

19.00

Rond het bed van Oleksandr zijn witte schermen neergezet. Een arts vertelt me dat ze dit doen zodat de andere patiënten niet hoeven toe te kijken hoe Oleksandr sterft. Zo beschermen de artsen hun patiënten tegen het zien sterven van een kameraad. Maar wie beschermt hen?

19.45

De monitor gaat uit. Een verpleegkundige maakt Oleksandrs lichaam los van de apparatuur. Ik loop naar buiten om adem te halen.

Op de gang zit zijn vrouw alleen op een stoel. Ze staart voor zich uit. Ze weet nog niet dat haar man is overleden.

Maandag

19.00

Anna, een anesthesioloog met zorgvuldig opgemaakte ogen, vraagt of ik even mee naar buiten ga. We lopen langs een kleine vijver waarin twee zwanen zwemmen. Boven ons zijn netten gespannen die drones moeten tegenhouden. Patiënten komen hier graag, vertelt ze. De zwanen maken hen rustig.

Voor het eerst praten we niet over de oorlog of patiënten, maar over liefde, onze ouders en waar we vandaan komen. Met het luchtalarm op de achtergrond lopen we arm in arm tussen de beschadigde gebouwen door. Even voelt het alsof we ergens anders zijn.

22.00

Op de afdeling kom ik Ivan tegen in een scherfvest. Hij gaat dichter bij het front een gewonde ophalen. De meeste evacuaties vinden ’s nachts plaats, wanneer het risico om door drones te worden opgemerkt kleiner is. Voor hij vertrekt geef ik hem een knuffel. De gedachte dat hij misschien niet terugkomt, maakt me nerveus.

02.00

Ivan is terug met de gewonde. Zijn militaire veldjas is opengeknipt en hangt los om zijn lichaam. Een verpleegkundige veegt de modder die van zijn kleding op de vloer valt zorgvuldig bijeen.

Om zijn linkerbeen zit een tourniquet, een strakke band om een zware bloeding te stoppen. Daaronder is zijn been blauwpaars verkleurd. Drones hielden iedere beweging in de gaten, waardoor hij vijf dagen heeft moeten wachten tot hij kon worden geëvacueerd. Niet veel later wordt hij naar boven gebracht voor een amputatie.

Dinsdag

19.00

Een jongen van 18 wordt binnengebracht. Hij evacueerde twee gewonde militairen van het front toen hij werd achtervolgd door FPV-drones. Bij het uitwijken botste hij tegen een boom.

Zijn vader en broer staan bij zijn bed, allebei in militair uniform. Ik kijk naar zijn jonge gezicht en moet aan mijn stiefbroertje denken. Hij is ongeveer even oud en net begonnen aan zijn studie in Delft.

22.00

De meeste artsen hier zijn sinds het begin van de oorlog Oekraïne niet uit geweest. Twee keer per jaar krijgen ze vijftien dagen verlof.

Ik open Instagram. Vakantiefoto’s verschijnen op mijn scherm. Stranden, terrassen, mensen in de zon. Als iemand naast me komt zitten, draai ik mijn scherm weg.

22.30

Ik krijg een bericht van een Oekraïense vriendin die me heeft beloofd voor grote aanvallen te waarschuwen: ‘Wees de komende twee uur extra voorzichtig. Er zijn veel raketten onderweg naar Charkiv. Blijf weg van de ramen en zorg dat je niet hoger dan de eerste verdieping bent.’

02.30

Ik ben net in slaap als een harde dreun me wakker maakt. Inmiddels weet ik dat na een eerste inslag vaak een tweede volgt. Ik stap uit bed en haast me naar de gang. Daar ga ik op een stoel zitten en wacht.

Niet veel later volgt opnieuw een dreun. Als het een halfuur stil blijft, ga ik terug naar bed. De volgende ochtend hoor ik dat er drie ballistische raketten zijn ingeslagen.

Woensdag

Ik word misselijk wakker. Niet door de zoveelste gebroken nacht of de raketten die ik heb horen inslaan, maar omdat mijn vertrek dichterbij komt. Morgen ga ik weg, terwijl de oorlog hier onverminderd doorgaat.

Met een grote Kyiv-cake in mijn handen, een Oekraïense taart met chocolade en hazelnoot, loop ik die ochtend de afdeling op. Het is er stiller dan anders. Iryna kijkt me aan. ‘Sasha’s broer is overleden.’

Zijn broer was medic op een stabilisatiepunt, de eerste plek achter het front waar gewonden worden opgevangen. Afgelopen nacht heeft een drone de post verwoest. Niemand heeft het overleefd.

De hele week ben ik weggelopen zodra ik voelde dat mijn emoties de overhand namen. Mijn verdriet hoeft hier geen ruimte in te nemen, vind ik. Dit keer lukt het me niet. Ik zak op een stoel en begin te huilen.

Iryna komt naast me staan. ‘Niet huilen, Fre. Dit is ons dagelijks leven.’

Donderdag

08.00

Ik neem afscheid van de artsen en verpleegkundigen. Nadat ik iedereen een omhelzing heb gegeven, loop ik de afdeling af. Voor ik de gang uitloop, draai ik me nog één keer om. Ze zijn alweer in de weer met hun patiënten. Een nieuwe gewonde wordt binnengebracht.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next