Flierefluiter, femme fatale, dodelijk verliefd op Lord Byron: Lady Caroline Lamb leent zich voor een heerlijk personage. Arthur Japin zet haar wel erg hysterisch neer.
is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.
Opvallend: in het nawoord van zijn nieuwe historische roman Lord M. geeft Arthur Japin toe de loef te zijn afgestoken wat kitsch, hoogdravendheid en dramatiek betreft. Dusdanig dat hij gebeurtenissen en citaten soms heeft ‘moeten weglaten of combineren omwille van de geloofwaardigheid’.
Lady Caroline Lamb (1785-1828), dat is zijn superieur. Het is van meet af aan duidelijk waarom Japin graag met het levensverhaal van de aristocrate aan de slag wilde: Lady Caroline hield roddelaars met haar grillen jarenlang tevreden. Ze koesterde een obsessieve verliefdheid voor Lord Byron – die haar dan weer superieur was wat onbetrouwbare liederlijkheid betrof.
‘Mad, bad and dangerous to know’, zo omschreef ze hem in haar dagboeken, woorden die nog altijd klinken als het over de dichter gaat.
Aanvankelijk vinden de twee elkaar in hun gevoel voor theater en hun melancholische gemoed. Lady Caroline leent zich eigenlijk voor een heel aanstekelijk, opzwepend personage; ze is continu uit op schandaal en publieke vernedering, ware het niet dat ze daarvoor door intimi wordt beschermd (ofwel kort gehouden). Met haar kortgeknipte, piekerige haar en herenkostuums paradeerde ze verkleed door de Londense straten en societybijeenkomsten, met een soort Pippi Langkousbravoure. Sprak iemand haar aan op haar vermomming, dan beweerde zij dat ze een schooljongen was die zich voor een weddenschap als Lady Caroline had verkleed.
‘Ik ben nooit geweest zoals iedereen en ik ben nu te oud om er nog mee te beginnen’, zegt ze tegen haar echtgenoot, de Lord M. uit de titel.
Het is die Lord M., de Britse premier William Lamb (1779-1848), tweede bruggraaf van Melbourne, die Japin over de zaak aan het woord laat, in twee verhaallijnen. Vanuit een wat passief buitenstaandersperspectief, ook tweemaal. De whig-staatsman, tergend ‘gelijkmoedig van geest’, ziet zijn grote liefde in de armen gedreven worden van Byron, de pionierende fuckboy.
Lady Caroline verwordt van iemand die doorgaat voor ‘lekker gek’ tot iemand die, getergd door de plots tanende belangstelling van Byron, haar schaamhaar afknipt, zichzelf in die razernij lelijk verwondt en de ‘van bloed aaneengekleefde krulletjes’ in een enveloppe propt, om die bij Byron te laten bezorgen met de woorden ‘REMEMBER ME!’.
Sterven aan een gebroken hart, het kan echt, weet Lord M. zo’n negen jaar later – in de tweede verhaallijn.
Inmiddels is de weduwnaar aan het hof als premier de belangrijkste raadsheer voor de net aangetreden Queen Victoria, pas 18 jaar oud. Ze onderhouden ondanks hun leeftijdsverschil een ongewoon intieme vriendschap (die ik aanvankelijk vooral tuttig vond, want veel gegiechel en geklef, maar gaandeweg als steeds bedenkelijker ervoer: na een spabezoek is Lord M. bang dat neef Albert, op dat moment voor haar nog een potentiële huwelijkskandidaat, te groot geschapen zou zijn voor zijn kleine vriendin – ‘een confrontatie met dat monstrum [is] niet zonder gevaar’) en Victoria ziet in hem de aangewezen persoon om haar in het huwelijk te onderwijzen, lezen we in dagboekfragmenten. Hij trouwde Caroline immers uit liefde, niet uit overweging.
Ze haalt hem over de geschiedenis voor haar uit te schrijven, als ware het een lesboek. ‘Als u over de liefde nu eens een en ander voor mij opschreef. Een discussiestuk zoals de andere, een verhandeling, een puur feitelijk relaas.’
Die dagboekfragmenten afgewisseld met die liefdesles – het is een afgemeten vorm voor wat in 1812 toch gold als het schandaal van het jaar. De dagboekfragmenten zijn – inherent aan het genre, ja – ietwat staccato en opgedist met details over de vroeg-victoriaanse politiek, te midden van alle tory’s krijgt Japin er moeilijk jeu in. De tekst waarin Lord M. terugblikt op zijn liefde is die van een man die zijn geluk altijd als ondergeschikt heeft gezien aan dat van een ander.
Na het schaamhaarincident: ‘De schaar waarmee zij zich gesneden en gestoken had, vond ik naast het bed. Om haar verdere schaamte te besparen, riep ik er niemand bij, maar ik heb haar zelf gewassen en gezalfd.’
Er zit iets ergerlijks in die goedmoedigheid. Hij hield van haar, verzekert hij haast om de pagina. Maar vanuit die zorgzame blik wordt Lady Caroline toch ook tot een karikatuur van de 19de-eeuwse, hysterische vrouw, goed gezusterd met Anna Karenina of Madame Bovary. Echt toegang tot haar o zo heftige gevoelens krijgen we niet, niet helemaal.
Lord M.’s liefde is van een onvoorwaardelijkheid die voor mooi zou moeten doorgaan; echte liefde is zelfopoffering, lijkt Japin met dit boek te suggereren.
In 2022 werd hij gekroond tot schrijver van de mooiste Nederlandse liefdeszin: ‘Dit is het enige wat telt, lieverd, dat iemand meer in je ziet dan je wist dat er te zien was’, uit Een schitterend gebrek. Dit nieuwe boek doet er beslist niet voor onder:
‘Liefde is een overtuiging, een aanname waarin je moet geloven als in een religie. Haar rituelen en de eisen die zij aan ons stelt zijn strenger en zwaarder dan die van andere geloven, haar boetedoening kent geen mededogen. Amor schiet zijn pijlen als een sluipmoordenaar, in een flits, als een straatschoffie zo vingervlug pleegt hij zijn daad en, ongrijpbaar, laat hij een spoor van vernielingen achter.’
De contouren die deze liefdesgeschiedenis bood aan Japin zijn beslist interessant, het dreef me lekker diep Wikipedia in. Toch jammer dat het inkleuren door Japin op zo’n afstandelijke, grotesk-plechtige manier is gedaan – de onvermijdelijke dood van Caroline liet me koud. Is een kleurplaat dan geslaagd? Ik vrees van niet.
Arthur Japin: Lord M. De Arbeiderspers; 322 pagina’s; € 26,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant