Met zijn boek over het Aziatisch perspectief op de Tweede Wereldoorlog verricht Van de Ven achterstallig onderhoud. De nuance raakt zoek zodra hij zijn eigen vakgebied verlaat.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
De Tweede Wereldoorlog had een mondiale reikwijdte, maar had voor Azië een volkomen andere betekenis dan voor de oorlogvoerende naties in Europa. Voor de laatste was die oorlog een overlevingsstrijd die begon op 1 september 1939 en eindigde met de capitulatie van nazi-Duitsland op 8 mei 1945.
Voor de meeste Aziatische landen was hij – hoe gruwelijk zijn verloop ook was – ‘slechts’ een onderdeel van hun onafhankelijkheidsstrijd, die vaak al decennia eerder was begonnen. Voor hen markeerde de nederlaag van Japan het begin van het einde van het westerse kolonialisme in Azië. Indonesië verklaarde zichzelf al op 17 augustus 1945, twee dagen na de Japanse capitulatie, onafhankelijk (een realiteit die pas ruim vier jaar later door het voormalige moederland werd erkend). In India werd het uiterst bloedige onafhankelijkheidsproces in 1947 afgesloten. En in China woedde een wrede burgeroorlog die in 1949 resulteerde in een communistische dictatuur.
Archibald Wavell, de voorlaatste onderkoning van India, voorzag de ellende al toen zijn landgenoten het einde van de Tweede Wereldoorlog vierden: ‘Dus nu beginnen de gruwelen van de vrede’.
Vanuit Aziatisch perspectief heeft de Tweede Wereldoorlog de trekken van ‘onze’ Eerste Wereldoorlog, schrijft sinoloog Hans van de Ven, hoogleraar aan de universiteiten van Cambridge en Beijing, in zijn boek Bloedrode dageraad: gevestigde rijken gingen ten onder en nieuwe landen ontstonden. Vanuit datzelfde perspectief heeft de Japanse bezetting in de betroffen Aziatische landen een andere betekenis dan de Duitse overheersing van Europa.
In de Aziatische koloniën maakte een heerser van verre plaats voor een meer nabije heerser, met wie veel Aziaten zich dan ook meer verwant voelden. Zij ervoeren de Japanse jaren als de overgangstijd tussen knechtschap en onafhankelijkheid.
Voor de roergangers van de Aziatische onafhankelijkheidsbewegingen was de strijd van de westerse democratieën doorgaans niet hún strijd. Zo was de Indiase Congrespartij pas bereid de Britse krijgsinspanningen te ondersteunen nadat ze vergaande concessies bij het belaagde moederland had afgedwongen. In China ging het aanvankelijk marginale Rode Leger van Mao confrontaties met Japan uit de weg om zich volop te kunnen concentreren op de strijd tegen de Nationalisten van Chiang Kai-shek.
En in bezet Nederlands-Indië werkte Soekarno samen met de Japanners om de belangen van een onafhankelijk Indonesië te dienen. Hij benutte de bezettingsjaren voor de opbouw van nationale instituties, zoals een leger, die na de Japanse bezetting meteen konden tonen dat de Republiek Indonesië meer was dan de papieren werkelijkheid van Soekarno’s ‘Proklamasi’.
Het probleem van de botsende Aziatische en Europese perspectieven op de Tweede Wereldoorlog was echter dat Soekarno zichzelf vanwege zijn (onloochenbare) collaboratie met de Japanners had gediskwalificeerd als gesprekspartner van de Nederlandse regering. Mogelijk zou die zich verzoenlijker tegenover de Republiek Indonesië hebben opgesteld als niet Soekarno, maar diens medestander Sutan Sjahrir – die niet met de Japanners had willen samenwerken – als vader des vaderlands op het schild was geplaatst.
Bloedrode dageraad is een waardevol boek, alleen al vanwege de notie dat Azië na de dekolonisatie goeddeels uit de westerse historiografie is verdwenen. Dat wil niet zeggen dat het ook een evenwichtig boek is. Natuurlijk zag Hans van de Ven het als zijn opdracht om het eurocentrisme in de oorlogshistoriografie te pareren met een flink scheut ‘Aziëcentrisme’. En natuurlijk heeft hij als sinoloog geen reden om mild te oordelen over het Europese kolonialisme. Daarbij weet hij echter niet altijd maat te houden.
Zo ziet hij de ‘Nederlanders en Euraziaten’ die op 19 september 1945 de Nederlandse vlag hesen op het dak van Hotel Oranje in Soerabaja als de eigenlijke aanstichters van de bersiap, de geweldsexplosie waarvan vooral Nederlanders, Indische Nederlanders, Chinezen en Molukkers het slachtoffer werden.
Van de Ven gebruikt het begrip bersiap (de strijdkreet ‘Wees paraat’ waarmee Indonesische nationalisten zichzelf aanvuurden) zeer spaarzaam, en hij schat het aantal Nederlandse slachtoffers (3.500) veel lager in dan, bijvoorbeeld, het Niod, dat een marge aanhoudt van 3.500 tot dertigduizend. Aan oprechte vredeswil heeft het de Nederlandse regering volledig ontbroken, schrijft Van de Ven. Met het Akkoord van Linggadjati (1946) zou ze louter haar agressieve intenties hebben willen maskeren. In werkelijkheid genoot het akkoord veel steun binnen en buiten het kabinet-Beel (wiens naam in het boek niet wordt genoemd), maar sneefde het door toedoen van ijzervreters in beide betrokken landen.
De rol van bête noire in Bloedrode Dageraad is weggelegd voor Winston Churchill. Niet alleen vanwege diens gehechtheid aan het Britse imperium, maar ook omdat hij verantwoordelijk zou zijn geweest voor de uiterst effectieve hongerblokkade waaraan Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog (!) werd onderworpen. Churchill maakte tijdens die oorlog echter vanaf eind 1915 al geen deel uit van de Britse regering, en in 1919 sprak hij zich uit tégen voortzetting van de blokkade.
Toch meent Van de Ven dat het Churchills ‘gewoonte [was] om honger als oorlogswapen in te zetten’. Zelfs de Nederlandse Hongerwinter van 1944-1945 brengt hij daarmee in verband. In zulke wrokkige passages manifesteert Van de Ven zich meer als pamflettist dan als wetenschapsbeoefenaar.
Hans van de Ven: Bloedrode dageraad – De Tweede Wereldoorlog en de geboorte van het moderne Azië. Uit het Engels vertaald door Pon Ruiter. Nieuw Amsterdam; 398 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant