Home

Paul Kingsnorth was een linkse ecojournalist – nu is hij radicaal conservatief

In Tegen de machine concludeert de Britse schrijver dat onze obsessie met technologie en vooruitgang een doodlopende weg is. Zijn oplossing? Een terugkeer naar een premoderne manier van leven.

De Duitse filosoof Oswald Spengler stelde in zijn beroemde boek De ondergang van het Avondland uit 1918 dat de westerse beschaving niet alleen ten einde loopt, maar dat dit een onvermijdelijk proces is.

Destijds kreeg Spenglers fatalisme hevige kritiek. Nu treffen we een soortgelijk ondergangsdenken, verrassend genoeg, aan bij Paul Kingsnorth. In zijn nieuwe boek Tegen de machine – Een zoektocht naar menselijkheid in een tijdperk van technologie geeft hij Spengler gelijk. De Britse schrijver meent dat de tijd is gekomen om het Westen te laten sterven. We moeten ons niet langer vastklampen ‘aan het zinkende schip terwijl het orkest blijft spelen’.

De verrassing schuilt erin dat Kingsnorth bekend werd als prominent journalist, onder meer van het blad The Ecologist, en als een kopstuk van de Engelse milieubeweging.

Zijn omslag kwam toen hij in 2009 met schrijver Dougald Hine The Dark Mountain Project oprichtte, een netwerk van schrijvers, kunstenaars en denkers die naar eigen zeggen ‘weglopen van de verhalen die onze samenlevingen over zichzelf vertellen’. In het manifest dat zij hiervoor samen schreven, valt te lezen dat we afscheid zouden moeten nemen van meerdere mythes: die van de vooruitgang, die van de centraliteit van de mens en die van de scheiding tussen mens en natuur.

Zoals veel andere klimaatactivisten raakte Kingsnorth na de klimaatconferentie van Kopenhagen langzaam gedesillusioneerd door de mainstream milieubeweging. In zijn boek Bekentenissen van een afvallige milieuactivist (2011) constateerde hij – niet geheel ten onrechte – dat de milieubeweging is gekaapt door het kapitalisme, hoewel hij daarbij allerlei bewegingen op één hoop gooit. Een obsessie met ‘duurzaamheid’ en de focus op technologische oplossingen zoals windmolens en zonnepanelen dienen ertoe om onze levenswijze in stand te houden, niet om die daadwerkelijk te veranderen.

Hij komt tot de conclusie dat zowel politiek ‘links’ als ‘rechts’ in de ban zijn van vooruitgang en technologie.

Thuisonderwijs

In 2014 besloot Kingsnorth zijn woonplaats Londen te verlaten. Hij kocht samen met zijn vrouw een huis met een stuk land in Ierland. Sindsdien leven ze daar grotendeels zelfvoorzienend en geven ze hun kinderen thuisonderwijs. Zes jaar later besloot Kingsnorth, na zich te hebben verdiept in zenboeddhisme en wicca en volgens hem zeer tot zijn eigen verrassing, toe te treden tot de Roemeens-orthodoxe kerk.

En nu is er dus Tegen de machine. Het leest als een autobiografisch essay én als een radicaal staaltje cultuurkritiek. Volgens Kingsnorth is de ondergang van het Westen niet te wijten aan economisch verval, dreigend autoritarisme of de opkomst van China als supermacht. Het is een teken van een diepere culturele malaise. Met het verdwijnen van het christendom zouden we terecht zijn gekomen in een cultuur zonder ‘sacrale orde’.

De mens is ontworteld en kent geen transcendente ‘Ander’ meer: ‘We zijn slaven geworden van macht en geld, en aanbidders van het zelf.’

Op de plek van Christus is de valse afgod van ‘de Machine’ gekomen. Onder deze term verstaat Kingsnorth zowel (digitale) technologie als ‘een nieuw soort beschaving’. Zoals hij toegeeft is dit in feite een andere term voor de moderniteit zelf. Het blijft, kortom, een wat vage categorie.

Elk ondergangsverhaal kent een punt waarop het verval zou hebben ingezet. Kingsnorth plaatst deze bij de verlichting en de industriële revolutie. Vanaf dat moment heeft de Machine een ‘anticultuur’ de wereld in geholpen die onze gedeelde menselijkheid bedreigt.

Tegenwoordig draagt deze anticultuur volgens Kingsnorth de waarden uit van wat hij ‘de vier S’en’ noemt: science, the self, sex en the screen. En deze leiden stuk voor stuk tot cultureel verval.

De vier P’s

De oplossing? Verzet tegen technologie, zoals dat van de historische luddieten, de Britse textielarbeiders die machines vernielden. En een terugkeer naar traditionele waarden, die hij omschrijft met ‘de vier P’s’: past, people, place en prayer. Dat klinkt conservatief, maar ook het conservatisme gaat voor Kingsnorth niet ver genoeg. Het enige waarmee we de Machine kunnen bestrijden is wat hij een ‘reactionair radicalisme’ noemt: het verdedigen van een premoderne manier van leven.

Kingsnorth is op zijn best als verhalenverteller. De beste passages uit Tegen de machine beschrijven de ervaring van vervreemding en absurditeit die je in het moderne leven kunt overvallen: ongewone hittegolven, hompen vlees met afbeeldingen van weilanden in de supermarkt.

Hij combineert ideeën van denkers uit verschillende stromingen: van Simone Weil en René Guénon, Karl Marx en Friedrich Engels tot Jacques Ellul en James C. Scott. Zo creëert hij zijn eigen positie, maar deze zit vol met tegenstrijdigheden en ambiguïteiten.

Het is om te beginnen al ironisch dat er weinig zó modern is als het idee van een ‘reactionair radicalisme’ (als feitelijk ‘een reactie’ op de moderniteit). Maar de hoofdlijn van het verhaal blijft een aaneenrijging van elementen uit de bekende religieuze en conservatieve kritiek op de moderniteit (die abstract en artificieel zou zijn, losgezongen van de traditie en het concrete leven), vergezeld van een cultuuropvatting die het universum, inclusief samenlevingen, ziet als een levend organisme.

Daarbij heeft Kingsnorths beschrijving iets absoluuts: de Machine is zuiver kwaadaardig, alomtegenwoordig en onvermijdelijk. Het is misschien niet verbazingwekkend dat die wel erg doet denken aan het christelijke beeld van de duivel.

Kingsnorth is de Spengler van het internettijdperk, ditmaal in combinatie met een dosis anarcho-primitivisme en orthodox christendom. Hij zegt zich niet bezig te houden met politiek, maar slechts met een diepere cultuurcrisis.

Tegelijkertijd is de politieke lading van zijn ideeën zorgelijk. Hij spreekt zonder nuance over ‘het volk’ en ‘de westerse cultuur’ en steekt tirades af over de term ‘wit’ en de transgenderbeweging. Er lijkt uiteindelijk weinig verschil te bestaan tussen zijn opvattingen en die van het hedendaagse koor van reactionaire denkers die verlekkerd de ondergang van ‘het decadente Westen’ aankondigen.

Paul Kingsnorth: Tegen de machine – Een zoektocht naar menselijkheid in een tijdperk van technologie. Uit het Engels vertaald door André Groenendijk. Kok Boekencentrum; 320 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next