Home

Opinie: Overspel is niet alleen een keuze, maar ook een strijd tussen lichaam en geest

Hoe monogaam is de mens eigenlijk, en waarom voelt weerstand bieden tegen verleiding zo zwaar?

Zet twintig aantrekkelijke, gebruinde mensen op een eiland, geef ze rum, ontneem ze hun vaste partner en zet er een camera bij. Wat volgt is geen experiment, het is een voorspelling die je met een rekenmachine had kunnen maken. Toch kijkt half Nederland elk seizoen weer mee alsof het om onvoorspelbaar drama gaat: gegniffel bij het kampvuur, een hand op een knie, een huilbui in de biechthut, en aan het eind een eindredacteur die stiekem het gelukkigst is van iedereen.

De publieke vraag is steevast een morele: hoe kon hij, hoe kon zij? Dat is de verkeerde vraag. De juiste vraag is waarom we een soort zijn die voor zo’n uitkomst niet eens een format nodig heeft, alleen een strand en verveling.

Over de auteur

Peter Koopman was docent sportopleidingen en sportcoach. Tegenwoordig noemt hij zichzelf met een knipoog amateur-antropoloog van de menselijke illusie.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Lichaam

Begin bij het lichaam, want het lichaam liegt niet, ook al doet de mond dat wel. Bij zoogdieren correleert relatieve testisgrootte sterk met het paringssysteem van de soort. Harcourt, Harvey, Larson en Short lieten dat in 1981 in Nature al zien voor primaten: een gorillamannetje, dat als enige met de vrouwtjes van zijn harem paart, heeft piepkleine testikels nodig. Een chimpanseemannetje, dat een vrouwtje deelt met vijf anderen, heeft juist enorme testikels nodig om zijn sperma een kans te geven, in de eileider, niet in de boomtoppen.

De mens zit wat de testisgrootte betreft ergens tussen de monogame gorilla en de promiscue chimpansee in, en dat ertussenin is precies het probleem. Christopher Ryan en Cacilda Jethá bouwen daarop in Sex at Dawn (2010) hun these: de mens is gebouwd voor iets dat meer op de gematigde promiscuïteit van jager-verzamelaarsamenlevingen lijkt dan op het levenslange tweetal dat kerk, staat en romantische komedie ons als natuurlijk verkopen.

Mooi verhaal, en dat is precies de reden om er niet blind in te trappen. Lynn Saxon zette in Sex at Dusk (2012) dezelfde bronnen naast elkaar en kwam tot een ander oordeel: veel van de aangehaalde antropologie is selectief gelezen. Frank Marlowe onderzocht tientallen hedendaagse jager-verzamelaarsamenlevingen en vond een patroon dat bij geen van beide kampen helemaal past: overwegend monogaam in de praktijk, met scheidingscijfers ruim boven het westerse ideaal maar ver onder het beeld van vrije liefde. Serieel, niet exclusief, dat is de preciezere samenvatting. Minder pakkend als boektitel, maar wel dichter bij het bewijs.

Waarom voelt verleiding dan zo onweerstaanbaar? Geoffrey Miller stelt in The Mating Mind (2000) dat ons overgedimensioneerde brein niet is geëvolueerd om te overleven maar om te versieren: humor, muzikaliteit en welbespraaktheid zijn een pauwenstaart, een kostbaar signaal dat moeilijk te vervalsen is, precies zoals bioloog Amotz Zahavi het handicapprincipe beschreef. De jongen met de gitaar op het strand is geen verval van normen. Hij is een baltsende man.

Hersensystemen

Voor de chemie moet je bij Helen Fisher zijn. Zij onderscheidt drie hersensystemen: lust, romantische aantrekking en gehechtheid, aangestuurd door verschillende hormonen, en het punt waar iedereen zich op verkijkt: ze vuren onafhankelijk van elkaar. Je kunt oprecht gehecht zijn aan je partner en tegelijk acute aantrekking voelen voor iemand anders. Dat is geen paradox die om therapie vraagt, dat is de bouwtekening. Herhaalde blootstelling aan dezelfde partner verzwakt ook de dopaminerespons, het zogeheten Coolidge-effect: tien jaar op de bank naast dezelfde persoon is voor je beloningssysteem een heel andere ervaring dan een onbekende hand in het maanlicht.

Fisher vond in scheidingsstatistieken uit tweeënzestig landen een piek rond het vierde huwelijksjaar, ongeveer de tijd die een kind nodig heeft om de kwetsbaarste peuterfase te doorstaan. Trouw blijkt voor een deel zelfs in de receptordichtheid van een vasopressinegen te zitten: Hasse Walum vond een verband tussen een variant van het AVPR1A-gen en de kwaliteit van huwelijksbanden, al is dat verband zwak en niet overal gerepliceerd.

Esther Perel bouwt daarop haar klinische these in Mating in Captivity (2006): veiligheid en verlangen zijn geen bondgenoten maar tegenpolen. Gehechtheid vraagt voorspelbaarheid, verlangen vraagt mysterie. Perel merkt in haar praktijk ook iets op dat de morele lezing van overspel ondermijnt: ontrouw is zelden het symptoom van een slecht huwelijk, vaker een zoektocht naar een verloren deel van de eigen identiteit. Niet ‘wat mankeert er aan ons huwelijk’, maar ‘wat mist deze persoon in zichzelf’ is dan de vraag. Op het eiland wordt die dynamiek versneld zichtbaar: de vaste partner is afwezig, dus de vertrouwdheid die verlangen normaal dempt valt weg, en de onbekende met zijn onopgeloste mysterie krijgt de volle laag.

Hier moet Michel Foucault worden binnengehaald, niet als decoratie. In La volonté de savoir (1976) keert hij zich tegen het idee dat seksualiteit een natuurlijk gegeven is dat wordt onderdrukt. Zijn omkering: het discours over seks produceert seks als onderwerp, niet andersom. Wie denkt dat een realityshow 'authentiek' is omdat deelnemers eindelijk mogen zeggen wat ze voelen, mist het punt. Het format is een moderne biechtstoel met een camera erbij, en de deelnemers werken feitelijk mee aan een machine die winst maakt op precies dat moment van zelfontdekking. Doordat zij, als in Foucaults panopticon, voortdurend zichtbaar zijn zonder te weten wanneer er precies gekeken wordt, gedragen zij zich niet minder ontremd, maar eerder omgekeerd: wie toch wordt gezien, kan zich net zo goed volledig laten zien.

Slaven van onze hormonen?

Toch zou het te makkelijk zijn hier te eindigen met: wij zijn allemaal slaven van onze hormonen. David Buss liet met Larsen, Westen en Semmelroth in 1992 zien dat jaloezie zelf een aangepast mechanisme is, bedoeld om paarbanden te bewaken: 60 procent van de mannen noemde seksuele ontrouw het meest kwellende scenario, tegen 17 procent van de vrouwen, die vaker emotionele ontrouw vreesden. De verklaring is asymmetrisch: een man riskeert jaren investering in andermans kind, een vrouw riskeert het weglekken van tijd en geld naar een ander gezin.

Verlangen naar nieuwigheid en de drang tot bewaking zijn geen twee losse verschijnselen waarvan er een echt is en een cultureel. Beide zijn even oud. Cultuur is niet de onderdrukker van een natuurlijke vrijheid, cultuur is het gewicht dat een van de twee krachten helpt te winnen van de andere.

Is het moeilijk om aantrekkingskracht te weerstaan? Ja, en de reden is geruststellend noch beschamend. Ze is gewoon biologisch: het systeem waarmee je weerstand biedt is jonger en zwakker dan het systeem dat de aantrekking genereert. Zet er alcohol, afzondering en verveling bij en de uitkomst is minder een keuze dan een resultante van krachten. Dat ontslaat niemand van verantwoordelijkheid.

Het maakt wel dat het een vorm van zelfbedrog is die minstens zo interessant is als het gedrag op het scherm om met morele voldoening naar de huilende gezichten te kijken, alsof wijzelf natuurlijk anders zouden hebben gehandeld. De man die zwicht wordt player genoemd, de vrouw krijgt een zwaardere veroordeling, precies het patroon dat je verwacht van een soort waarbij vaderschapszekerheid en moederschapszekerheid nooit gelijk zijn geweest.

De verontwaardiging is eigentijds. Het patroon is stokoud.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next