Home

Guido van Heulendonk had zich allang verzoend met de radiostilte na elk nieuw boek. En toen brak hij door

Na het onverwachte succes van De kroon met twee pieken wilde Guido van Heulendonk (74) gewoon weer iets léúks schrijven. Het werd een roadnovel over een mopperende zeventiger die nog één keer iets groots wil ondernemen. Als dat maar goed gaat.

schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.

Wie de schrijver zoekt, kan hem eenvoudig vinden. Tik zijn pseudoniem in op de routekaart en rijd naar de gelijknamige wijk in het Oost-Vlaamse dorpje Adegem, in het uitgestrekte Meetjesland tussen Gent en Brugge: Heulendonk.

De Hollandse bezoeker, heen en weer geschud door ‘de bomberdebomberdebom’, zoals Gerard Reve een rit over de Vlaamse betonplatenwegen ooit treffend typeerde, aarzelt toch even als hij voor het witte huis staat en op het naambordje ziet staan: ‘Beelaert’. Maar nog voor zijn vinger de bel kan beroeren, doet een vriendelijke grijze heer de deur open, met een twinkeling in de ogen achter zijn ronde brillenglazen. ‘Je weet toch…’, grijnst Guido van Heulendonk (1951).

In de hal van het huis staan boekendozen. Hier woont een ‘homo liber’, een boekenmens, een bezeten lezer, zoals de held van zijn nieuwe roman, De ravijnenvuller, zichzelf gekscherend typeert. Eduard Bottelaer, mislukt acteur, aartsmopperaar en zwartkijker, wil voor zijn einde nadert nog één keer een daad stellen om zijn leven betekenis te geven. Hij is de 70 voorbij en vindt het stilletjesaan tijd voor iets wat het allemaal rechtvaardigt.

Waarom heeft u voor een pseudoniem gekozen?

‘Ach, dat weet ik zelf nauwelijks meer. Het heeft me geholpen om de sprong te wagen, denk ik. Ik debuteerde relatief laat, in 1983, net in mijn dertiger jaren, en vroeg mij af: wil ik dit eigenlijk wel, beginnen publiceren? Ik stam uit een tijd waarin veel schrijvers een pseudoniem hadden. Als wij vroeger op school de biografie van een schrijver van buiten moesten leren, dan begon die met: Ward Ruyslinck, dubbele punt, schrijversnaam voor… ja, en die was je dan vergeten.’ Hij lacht. ‘Sommige pseudoniemen wekten bij mij overigens grote begeerte, zoals Joyce & Co.

‘Ik gaf toen net les op een school waar mijn verhouding met de directie nogal bijzonder was, als ik me voorzichtig uitdruk. Het was een zeer traditionalistisch Vlaams-christelijk milieu. Pas later ben ik – met veel plezier – in het hoger onderwijs terechtgekomen als docent Nederlands en Engels. In de jaren tachtig waren banen schaars, dus ik had te nemen wat me aangeboden werd. En het was in de buurt, in Evergem. We bouwden hier dit huis en ik was net gezinshoofd geworden.’

Wilde u anoniem blijven?

‘Het leek mij verstandig om een kleine afstand te scheppen tussen mijn schrijvende ik en mijn burgerlijke ik. Maar ik wou ook geen complete maskerade. Dus ik heb mijn voornaam behouden en mijn familienaam veranderd in dat nieuwe adres van mij: Heulendonk.

‘Als burger ben je sowieso verplicht om elke dag een rol te spelen. Je bent vader, echtgenoot, vriend, tooghanger, leraar. Het zijn allemaal verschillende rollen waarbij je jezelf aanpast aan de omstandigheden. Maar eenmaal aan die schrijftafel kunnen al die maskers afvallen. Als Guido van Heulendonk durfde ik te zeggen: dit is de man die hier in al zijn naaktheid de pen in de hand neemt en dit allemaal gezegd heeft.’

Wist u al jong dat er een schrijver in u schuilging?

‘Neen, maar ik heb wel altijd geschreven. Een van mijn vroegste herinneringen is dat ik met mijn zus verhalenwedstrijden hield. Mijn moeder moest dan oordelen wie van ons twee het spannendste verhaal had geschreven. Dat lag niet zo voor de hand als je misschien denkt, ik kom niet uit een geletterd milieu. Mijn vader was veehandelaar, mijn moeder deed het huishouden.

‘Ik heb altijd een leesdrang gehad. Zo hevig dat mijn moeder mij een quotum oplegde. Per week mocht ik maar zoveel boeken uit de bibliotheek halen. Niet meer, want dat was niet gezond. Ik las altijd en overal. Aan tafel zette ik mijn boek rechtopstaand achter mijn bord soep.’ Hij zwijgt even. ‘Hoewel ik tussen mijn 20ste en 30ste ook veel tijd heb besteed aan gitaarspelen. Dat was mijn andere obsessie.’

Uw crush op Peter Green, de legendarische gitarist van de oude Fleetwood Mac, vertolker van Albatross, speelde een cruciale rol in uw roman De kroon met twee pieken.

‘Als kind had ik een gitaar geknipt uit karton en daar elastiekjes over gespannen. Zo stond ik voor de spiegel, weet ik wat allemaal na te spelen. Mijn moeder kon het op den duur niet meer aanzien. Toen ik 11 was, zei ze: ‘Als je volgende rapport oké is, krijg je een echte gitaar.’ Zo heb ik mijn eerste gitaar gekregen. Daarvoor moesten we helemaal naar Gent. Een heel avontuur. Gent! Allemachtig, dat was een andere wereld.

‘Pas tegen mijn 30ste voelde ik de drang om zelf voor de dag te komen met een verhaal. Ik had een novelle geschreven, Vreemde vogels, wilde die uitgeven en ben toen naar de boekhandel in Eeklo gegaan, de dichtstbijzijnde stad. De boekhandelaar gaf mij het adres van tien uitgeverijen. Ik heb tien kopieën gemaakt van mijn manuscript en die opgestuurd.

‘Uitgeverij A.W. Bruna reageerde het snelst en het meest enthousiast – en zo zat ik plots bij Bruna. Helemaal verkeerd, natuurlijk. Joost Bloemsma, de toenmalige directeur, wou het huis ook een meer literaire poot bezorgen en zag mij als opstarter daarvan. Hij was heel enthousiast en kwam mij trakteren op een diner in een Gents restaurant. Daar liet ik vallen dat ik intussen ook aan een roman begonnen was. ‘Dan wacht ik liever op die roman’, zei hij, ‘want met een novelle debuteren is lastig.’

‘Daarop heb ik mijn debuutroman, Hoogtevrees, ingestuurd. Joost vond die schitterend, maar vertrok bij Bruna. Met de nieuwe directrice klikte het niet. Daarna ben ik met mijn volgende boeken van de ene Vlaamse uitgever naar de andere gestruikeld, tot ik in 1994 via Paul de Wispelaere bij De Arbeiderspers terechtkwam.’

Hoogtevrees had dezelfde verteller als De ravijnenvuller: Eduard Bottelaer. Uw held ging toen al gebukt onder zijn inktzwarte visie op het bestaan: ‘1983 is het, maart 1983, de Russen zitten nog steeds in Afghanistan, walvissen sterven verder uit, een sombere avond valt over de twintigste eeuw (…).’

‘Ja, het zat er al vroeg in’, grinnikt Van Heulendonk. ‘Het leven is soms dieptreurig, maar er valt ook mee te lachen. Een van mijn grote helden is Giuseppe Tomasi di Lampedusa, de schrijver van Il gattopardo. Ik weet nog goed dat ik De tijgerkat voor het eerst las. Op een van de eerste bladzijden beschrijft hij hoe een tuinman op het familielandgoed het lijk van een soldaat vindt, omgekomen bij een veldslag tijdens de Italiaanse eenwording. De tuinman probeert het lijk uit die paradijselijke tuin te slepen. Dat is zo gruwelijk, maar zo geestig geschreven. Ik dacht: zo moet het.’

U bent geprezen, maar werd weinig gelezen.

‘Ik heb nooit wakker gelegen van gebrek aan verkoopsucces, had mij allang verzoend met de status van writer’s writer. In Nederland zijn mijn laatste romans in totale stilte voorbijgegaan, tot De kroon met twee pieken. Ook over dit boek kwam er aanvankelijk geen enkele recensie. Stilte. En dan, een half jaar na verschijnen in maart 2024, ineens vijf ballen in NRC Handelsblad. De Standaard noemde mijn roman A Great Flemish Novel. Vervolgens regende het nominaties voor de grote literaire prijzen, waarvan mij er overigens niet één ten deel viel. Tsja, hoe komt dat? Was ik ineens zo goed, of daarvoor zo slecht? Ik denk geen van beide.’

Waar ligt de kiem van uw nieuwste roman, De ravijnenvuller?

‘Als ik een boek af heb, moet ik altijd een tijdje herstellen, zoals duikers moeten decompresseren als ze uit grote diepte opstijgen. De kroon met twee pieken had ik al gereed in de zomer van 2022, maar het boek verscheen pas in maart 2024. Na de coronacrisis was het bij veel uitgeverijen ellebogenwerk om op een aanbiedingslijst terecht te komen.

‘Eind 2022 begon die kriebel te komen van een nieuw boek. Ik had toen net de laatste romans van Cormac McCarthy gelezen, The Passenger en Stella Maris. Ik was me weer eens bewust geworden van hoe goed die man is. Intussen laaide de oorlog in Oekraïne op, en dat hield me bezig. Bij toeval dook in die dagen ook nog eens een oud gebedenboekje op dat ik ooit van een tante had gekregen, waarin de naam van een zuster stond en een mysterieus nummer. Ik had vergeefs geprobeerd te ontdekken wie zij was. Plots begonnen die dingen samen te klonteren – en zo is De ravijnenvuller in gang geschoten.’

Wist u meteen welke vorm u de roman wilde geven?

‘Ik kwam net uit de zeer complexe structuur van De kroon met twee pieken. Dat boek is een collage van verschillende tekstsoorten, brieven, e-mails, monologen, zelfs folders, en kent veel perspectieven. Ik dacht: dat nu eventjes niet. Ik wil nu gewoon lol beleven.

‘Toen dacht ik terug aan de boeken die ik met het meeste plezier had geschreven, en dat waren de romans waarin Eduard Bottelaer de hoofdfiguur was: Hoogtevrees en Paarden zijn ook varkens. Ik dacht, ja, waarom geen Bottelaer-trilogie? Ik wil die onmogelijke figuur nog eens rechttoe rechtaan op de lezer loslaten met al zijn gestuntel. Weet je wat? Ik stuur hem op pad, ik maak er een roadnovel van.’

Op de eerste bladzijde van De ravijnenvuller leest Eduard Bottelaer, geveld door een griepje, Outer Dark van Cormac McCarthy, een verontrustend zwarte parabel over de menselijke existentie, en Babi Yar van Anatoli Koeznetsov, ‘verplichte kost voor iedereen die Oekraïne wil begrijpen’. Bottelaer ontdekt in beide boeken ravijnen. In Outer Dark wordt een herder door een kudde varkens een afgrond ingesleurd. Babi Yar is een kloof in Kyiv waarin de nazi’s de lijken van Joden en andere neergeschoten gevangenen dumpten. Bottelaer wil iets doen. ‘Als iedereen nu eens een ravijn vulde.’

Van zijn 85 jaar oude en rijke tante Mimi, met wie hij een innige relatie onderhoudt, krijgt Bottelaer een oud gebedenboekje, Klein Officie van de H. Maagd Maria en de Boetpsalmen. In de bovenhoek staat, in blauwe inkt en ouderwets schoolhandschrift: ‘Zr. Mechtildis – 188.’ Bottelaer gaat op zoek wie Zuster Mechtildis was. Bovendien neemt hij als overtuigd atheïst tot zijn eigen verbijstering de taak op zich om een gebedsbrief van tante Mimi te gaan bezorgen bij de Heilige Maagd in Lourdes. Hij rijdt in zijn gammele Japanner uit Oost-Vlaanderen dwars door Frankrijk naar de Pyreneeën. Dat dit allemaal niet van een leien dakje loopt is een understatement.

De bedevaart van Bottelaer mislukt, zoals alles in zijn leven gedoemd is te mislukken. De enige keer dat hij op de aftiteling van een film terechtkwam, werd zijn naam verkeerd gespeld. Als ‘Botelaer’. Mede daarom kan zelfs ChatGPT niets over hem vinden. Hij bestaat niet.

‘Bij de uitreiking van de Gouden Uil in 1996, waarvoor ik was genomineerd met Paarden zijn ook varkens, geraakten mijn vrouw en ik niet binnen bij het gebouw van de VRT in Brussel. We stonden niet op de lijst. Ik spelde mijn naam, Heu-len-donk, en daarna mijn echte naam, ‘Beelaert’, met twee ee’s. ‘Weet u wel zeker dat u hier moet zijn?’ Ik zei: ‘Ik ben genomineerd, meneer!’ Maar het strenge uniform tegenover ons was onverbiddelijk. We moesten in een hoek wachten tot er met weet-ik-veel-wie was getelefoneerd. Bij de gratie Gods glipten we langs de bewaker en weet je wat? Ik kreeg de prijs… Dit had mijn held ook kunnen overkomen, dacht ik. Behalve de prijs dan. Bottelaer, c’est moi.’

Het diepste ravijn bevindt zich misschien wel in Bottelaer zelf. Hij lijkt geen betrouwbare verteller. Ergens staat: ‘Ik ben een goed mens, dacht hij.’

‘Ik beken schuld, edelachtbare’, zegt Van Heulendonk. Twinkeling achter de brillenglazen. ‘Ja, Bottelaer raakt het spoor uiteindelijk een beetje bijster en zet de geschiedenis naar zijn hand. Maar doen wij dat niet allemaal? Als je de balans van je leven maakt, wat doe je dan? Je schrijft een verhaal op basis van een boel herinneringen die je op elkaar gestapeld hebt. En hoe ouder je herinnering, hoe onbetrouwbaarder.

‘Er zit zo’n grandioos zinnetje in The Sense of an Ending van Julian Barnes. Hoe zegt Barnes het ook weer? ‘Geschiedenis is de zekerheid die ontstaat op het kruispunt van onvolledige bronnen en een gebrekkig geheugen.’ Simon Schama, de Britse historicus, heeft ooit gezegd dat geschiedenis onderdeel zou moeten zijn van literatuurwetenschap. Ik ben het daar volledig mee eens. Alles is een verhaal.’

Bottelaer verliest de strijd tegen de tijd.

‘Dat neemt hem voor mij in. Toch is hij geen fatalist. Op zijn manier blijft hij vechten en dromen tot de laatste snik, dat bewonder ik in hem. Bottelaer is een romanticus, die in al zijn onbeholpenheid en gestuntel toch de zuiverheid blijft nastreven. Daarin is hij menselijk, want uiteindelijk stuntelen wij allemaal onze droom achterna, van onze geboorte naar het graf.’

‘Eigenlijk is mijn boek één lange solidariteitsverklaring met dat soort type mens, de underdog die het echt wel goed meent, die oprecht op zoek is naar de kern maar met zijn kop tegen de muur loopt.’

De klimaatcrisis, oorlog en armoede zijn hem een doorn in het oog.

‘Mijn vrouw zegt weleens: je moet maar niet meer naar het journaal kijken. Ik kan mij kapot ergeren. Hoe wij met de huidige globale problematieken omgaan – het is om te huilen. Als ik zo’n klootzak als Trump zie, heb ik echt zin om mijn schoen uit te trekken en naar het scherm te gooien. Hoe is het nu in godsnaam mogelijk dat hij de helft van de Verenigde Staten zo gek krijgt om op hem te stemmen?’

Heeft u daar een verklaring voor?

‘Niet echt. Nou ja, je kunt het gedeeltelijk verklaren uit het ravijn van ongelijkheid dat op veel terreinen gaapt in de Verenigde Staten, en de onvrede en de frustraties die daardoor al lang aan het borrelen zijn.’

Vindt u dat een schrijver iets moet?

‘Zijn enige verplichting is: goede boeken schrijven. Ik ben nooit aan het schrijven begonnen omdat ik een boodschap had. Er is eerst de behoefte aan een vorm en daarna komt de inhoud. Zo gaat het in de kunst. Über allen Gipfeln ist Ruh is geen fameus gedicht geworden omdat Goethe een boodschap had over het landschap, maar omdat hij een gedicht wou maken. En wat is er in dat gedicht gekropen? Een impressie die hij had overgehouden aan een wandeling. Was Goethe een schilder geweest, dan was Über allen Gipfeln ist Ruh een schilderij geworden. De vonk die aan al mijn werk ten oorsprong ligt, is taal.’

Bottelaer heeft dezelfde leeftijd als u en gaat zeer gebukt onder de ouderdom…

Strenge blik. ‘Wat goed dat je me daaraan herinnert. Wrijf het maar in.’ Hij zucht. ‘Ik wil nu geen oudemannenjeremiade beginnen, maar fysiek eisen de jaren hun tol. De tuin wordt te groot, ik moet veel beginnen uitbesteden. We hebben daarom besloten ons huis te verkopen, zitten midden in een verhuizingsjaar. Tegen december moeten we hier buiten zijn. We gaan naar een appartement in de buurt. Daarom staat het huis vol dozen, ik kan slechts een fractie van mijn boeken meenemen.’

Dat moet een pijnlijke beslissing zijn geweest.

‘Wij wonen hier heel graag, hebben het huis zelf laten bouwen. Het is met pijn in het hart dat we hier vertrekken. Maar we moeten de realiteit onder ogen zien. Ik ken mensen die dat niet doen en stilaan in omstandigheden geraken die niet om aan te zien zijn.’

‘Weet je’, zegt Guido van Heulendonk en veert op uit zijn stoel, ‘hoe de straat gaat heten waar ons nieuwe appartement wordt gebouwd? Je raadt het nooit. We gaan wonen in De Vlaschaard. Ha! Het fameuze boek uit 1907 van Stijn Streuvels, ook een pseudoniem van, enfin vul maar in, over het generatieconflict tussen een boer en zijn zoon. Dus ja, ik zal straks mijn boeken moeten laten verschijnen onder de naam Guido van de Vlaschaard.’

Guido van Heulendonk: De ravijnenvuller. De Arbeiderspers; 272 pagina’s; € 24,99.

1951 Op 17 november geboren als Guido Beelaert in Eeklo, België.
1969-1974 Studie Germaanse filologie aan de Universiteit Gent.
1975-1986 Leraar Nederlands en Engels op verschillende middelbare scholen.
1983 Debuutverhaal ‘Het vierde woord’ in Nieuw Vlaams Tijdschrift.
1985 Debuutroman Hoogtevrees bij uitgeverij Bruna.
1988 Logboek van een narrenschip. Uitgeverij Houtekiet. Prijs van de stad Gent.
1989 Vreemde vogels. Nominatie NCR Literair.
1994 Roman De vooravond. De Arbeiderspers. Prijs van de provincie Oost-Vlaanderen.
1995 Paarden zijn ook varkens. Gouden Uil Literatuurprijs 1996.
2000 Buiten de wereld.
2016 Niemand uit België.
2019 De afrekening.
2021 Verhalenbundel Vrienden van de poëzie. Nominatie J.M.A. Biesheuvelprijs.
2024 De kroon met twee pieken. Nominaties voor De Boon, Boekenbon en Libris Literatuurprijs.

Guido van Heulendonk is getrouwd, heeft een zoon en kleinkinderen. Hij schrijft, leest en speelt nog steeds gitaar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next