Home

De ruimte is van iedereen, dus waarom zouden we die in hemelsnaam afstaan aan techbro’s?

Techbedrijven zien de ruimte als onvermijdelijke volgende markt waar ze flink geld kunnen gaan verdienen. Maar worden we gelukkiger van die groei? Hoogste tijd dat over die vraag een breed en luid debat wordt gevoerd.

Het zou een absurdistische sketch kunnen zijn. Een piepjonge CEO met het kapsel van Kuifje rekent in een podcastinterview hardop uit hoeveel hij gaat verdienen met het verkopen van zonlicht aan mensen die worden gehinderd door nachtelijke duisternis.

Anderhalf miljard per jaar.

Kuifje heet Ben Nowack en zijn serieuze toon verraadt dat het hier geen satire betreft. Zijn bedrijf wil 50 duizend spiegelsatellieten in een baan rond de aarde brengen om met zonlicht op aanvraag de nacht te verjagen. Want donkerte is stilstand, slecht voor de economie, en daar gaat Ben met zijn reuzenspiegels korte metten mee maken.

Marjolijn van Heemstra is dichter en schrijver en werkt met haar organisatie Nachtverbond aan het herstel van de nachtelijke duisternis. De mede door haar opgerichte Ambassade van de Maan vraagt aandacht voor de niet-commerciële waarden van de maan in een tijd van groeiende ruimte-exploitatie.

Reflect Orbital – ‘The Sunlight Company’ – tovert de nacht om in dag. Gewassen blijven doorgroeien, zonnepanelen blijven doorleveren, arbeiders werken door en defensie heeft ongehinderd zicht tijdens nachtelijke militaire operaties.

Om de missie van een laagje epiek te voorzien is de eerste satelliet vernoemd naar Eärendil de mythische zeeman die in een verhaal van Tolkien met een stralende edelsteen op zijn hoofd de ruimte in vaart.

Wat moet het heerlijk zijn om in deze tijd als techondernemer in Silicon Valley te leven. Om zonder enige belemmering te kunnen geloven dat je van grote waarde bent voor de mensheid. Om te zien hoe felle weerstand van internationale experts, hop, van tafel wordt geveegd. Kruimels op het smetteloze kleed van de vooruitgang.

Experts hebben erop gewezen erop dat de spiegels niet alleen extreme impact op astronomische waarnemingen zouden hebben, maar ook op talloze nachtdieren waarvan een deel nu al op de rode lijst voor bedreigde soorten staat. En het gaat voorbij aan het feit dat de godganse schepping gebaat is bij een ritme van donker en licht en dat minder duisternis onze kwaliteit van slaap ernstig kan verstoren.

Deze bezwaren van onder andere de American Astronomical Society, Earthjustice en DarkSky International vielen volgens de Amerikaanse toezichthouder Federal Communications Commission (FCC) buiten het beoordelingsproces. Satellietoperaties worden door hen standaard uitgesloten van milieubeoordeling omdat het over buitenaardse activiteiten gaat. Wat zich in de ruimte afspeelt, is de simplistische redenering, heeft niets met de aarde te maken.

Terwijl de meest recente hittegolf ons toeschreeuwde dat het tijd is voor radicaal andere keuzes, gaf de FCC begin juli toestemming voor de eerste lancering van het project. Eärendil-1 mag opstijgen.

Aardse gevolgen

De ruimte is niet meer de lege verte die ze zo lang voor ons geweest is. Wat buiten de dampkring gebeurt heeft aardse gevolgen: met de huidige groei van lanceringen groeit ook de impact daarvan op onze leefomgeving. Gebieden rond lanceerplatforms bezwijken onder de overlast. Satellieten die aan het einde van hun levensloop uit hun baan worden gehaald, worden vervolgens verbrand in de atmosfeer. Zo wordt ruimtepuin voorkomen, maar in ruil daarvoor vermengen steeds grotere hoeveelheden opgebrand metaal zich met onze lucht. Er wordt al gewaarschuwd voor een nieuw gat in de ozonlaag.

En dan is er nog de grootscheepse lichtvervuiling in een wereld waarin de donkere nacht langzamerhand een ernstig bedreigde soort is.

Maakt techbro’s niet uit: intussen hebben Elon Musk en Jeff Bezos licenties aangevraagd voor het lanceren van respectievelijk een miljoen (Musk) en 51.600 (Bezos) satellieten de komende decennia. Ter vergelijking: er zweven er nu zo’n 14.500 rond de aarde.

Dit gebrek aan zelfreflectie bij de belangrijkste spelers in de ruimtevaartindustrie wordt gefaciliteerd door een denkfout die zo vaak werd herhaald dat we er massaal in zijn gaan geloven. Ruimtevaart is technologie, technologie is vooruitgang en vooruitgang is onvermijdelijk.

Zoals Bezos het regelmatig stelt: we moeten naar de ruimte om de aarde te redden, want de mens wil altijd meer en de aarde begrenst ons. Het meer dat we willen is in de ruimte te vinden. In een verte die eeuwige expansie belooft. Een toekomst zonder schaarste, met grondstoffen, geld en groei in overvloed.

Een paar belangrijke vragen worden hiermee overgeslagen. Willen we inderdaad altijd meer? Worden we gelukkiger van al die groei? Laat de geschiedenis van de mensheid ons niet zien dat expansiedrift vraagt om regulering en ethische kaders? Is het eigenlijk wel groei als er bij alle winst zo ontzettend veel verloren gaat?

Dit zijn vragen die thuishoren in de politieke arena, en toch klinken ze daar maar zelden. Dat is geen toeval, dat is strategie.

Het verplaatsen van politieke keuzes naar het domein van het onvermijdelijke is niets nieuws en ook niet aan de ruimtevaart voorbehouden. In de jaren dertig van de vorige eeuw reflecteerde antifascist Antonio Gramsci op deze strategie als een sluipend gevaar voor de democratie. Extreme ideeën worden vanzelfsprekend gemaakt tot iedereen er zo aan gewend is dat ze even onvermijdelijk lijken als een regenbui in de herfst.

Gramsci stelde dat een heersende orde niet in de eerste plaats via dwang regeert maar via de zwijgzame toestemming van de massa. Als er lang genoeg wordt gesuggereerd dat er maar één opvatting levensvatbaar is, zien mensen een maatschappelijke ontwikkeling niet meer als een optelsom van keuzes, maar als een onontkoombaar gegeven. Alsof je tegen de zonsopgang bent, of een verbod wil op eb en vloed.

Wetenschapshistoricus Thomas P. Hughes liet decennia later zien dat deze politiek van onvermijdelijkheid niet alleen maatschappelijke ontwikkelingen betreft. Ook technologie, bepleitte hij, krijgt na verloop van tijd haar eigen momentum. Wat begint als een keuze (bouwen we dit wel of niet?) verandert door de opeenstapeling van investeringen, infrastructuur en belangen in iets dat zichzelf lijkt voort te stuwen.

Musk en Bezos hoeven hun krankzinnige hoeveelheid satellieten nog niet gelanceerd te hebben om het onvermijdelijk te doen lijken dat dit zal gebeuren. Het aanvragen van de licenties kantelt het gesprek. We vragen ons niet meer af of we dit wel willen, maar hoe we ermee moeten omgaan.

Donald Trump, ondertussen, sprak over het Amerikaanse ruimtevaartprogramma als een manifest destiny, waarmee hij verwees naar het 19de-eeuwse idee dat leefde onder Europese kolonisten dat het hun religieuze lotsbestemming was Amerika te onderwerpen.

Zo maakte Trump het Amerikaanse ruimtevaartprogramma dubbel onvermijdelijk: technologisch en religieus. Met de schimmelige smaak van het oude kolonialisme.

Weggezet als techontkenner

Voordat ik verderga: ik ben niet tegen ruimtevaart. Ik benoem het maar even, want voor je het weet word je weggezet als techontkenner, een zure luddiet en dan ook nog een vrouw.

Ik ben juist fan. Dat de menselijke nieuwsgierigheid zich buiten de dampkring uitstrekt heb ik altijd prachtig gevonden. De magie van de Voyagers, die twee rare sondes die het zonnestelsel hebben verlaten en een miljard jaar door de kosmos schieten, met aan boord een boodschap voor buitenaards leven. Ruimtesonde Rosetta, die in de steile kliffen van komeet 67-P op een bouwsteen voor leven stuitte (het idee dat we afstammen van kometen!). Rovers die foto’s maken van de blauwe zonsondergangen op Mars. De James Webb-ruimtetelescoop, die steeds meer exoplaneten in beeld brengt.

Het bezorgt me kippenvel en duizeligheid van het prettige soort.

Te midden van het aardse geneuzel wijst de ruimte ons op de fundamenteelste vragen: wie we zijn, waar we vandaan komen, wat de gigantische, uitdijende leegte ons te zeggen heeft.

Met de huidige klimaatrampen is aardobservatie bovendien van cruciaal belang en ik heb de afgelopen jaren veel space-ondernemers ontmoet die gedreven door oprechte zorg buitenaardse oplossingen zoeken voor aardse problemen.

Ruimtevaart kan ons belangrijke (wetenschappelijke) inzichten geven en heeft de potentie mensen wereldwijd te verbinden. Neem de iconische foto’s van de Apollo- missies waarmee we onszelf voor het eerst van een afstand zagen. Of de beroemde Pale Blue Dot, gemaakt door een van de bovengenoemde Voyagers, geschoten vanuit een verre uithoek van ons zonnestelsel. Het zijn beelden die nog altijd circuleren als bewijs dat onze thuisplaneet een uitzonderlijke plek is en de mensheid zich zou moeten verenigen. Ruimtevaart kan ons ontzag en verwondering brengen.

Maar niet als onze grootste bron van verbeelding wordt overschreven met een verhaal over de onvermijdelijkheid van een heelal volgestouwd met industrie. Niet als het uitdraait op de verwezenlijking van de muffe dromen van een handvol mannen met grootheidswaan.

Muf, ja, want de zogenaamd vooruitstrevende visioenen zijn maar al te vaak ontstaan uit selectief knip- en-plakwerk van oude scifi. Meestal is daarbij sprake van misvorming van het verhaal: nuance en twijfel zijn er uitgefilterd, satire wordt letterlijk genomen. Wat ons wordt voorgeschoteld als fonkelende toekomstdroom is soms niet meer dan een literaire grap uit het vorige millennium.

Neem de miljoen datacentra waarmee Elon Musk een supercomputer in de ruimte wil bouwen. Dat heeft hij uit The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy, een satirisch boek dat naar Musks eigen zeggen zijn leven richting gaf. In dit verhaal beschrijft Douglas Adams hoe een supercomputer de ‘Ultimate Question to Life, the Universe, and Everything’ berekent. Na miljoenen jaren is dan eindelijk de uitkomst daar: 42. Haha.

Moraal van het verhaal: je hebt niets aan een antwoord als je niet de juiste vragen stelt.

Adams, die als schrijver voor Monty Python bedreven was in absurdisme, toonde hiermee aan hoe lachwekkend onze obsessie met kennis en vooruitgang kan uitpakken. Maar dit satirische element lijkt Musk te zijn ontgaan. In verschillende interviews verklaarde hij hoe Adams’ idee van een supercomputer hem van het levensdoel voorzag dat hij nu met Artificial General Intelligence (AGI) hoopt te voltooien.

Opgewarmde restjes scifi

Je kunt het visionair noemen, je kunt ook zeggen: een gevaarlijk gebrek aan humor. Deze verkeerd begrepen grap uit de jaren zeventig slokt straks al ons water op, vervuilt de sterrenhemel en plaatst een gigantisch deel van de kosmische infrastructuur in de handen van een man die gelooft dat we in een simulatie leven van een meer geavanceerde beschaving.

De invloed van (slecht geïnterpreteerde) scifi op de ruimtevaart is al vaak benoemd. Bijvoorbeeld in de prachtige podcast Rocketman van Jill Lepore, en zeer recent nog in het boek De techbro’s van Volkskrant-journalisten George van Hal en Laurens Verhagen. De ruimte verover je niet alleen met techniek. Godsdienstwetenschapper Thore Bjørnvig noemde raketbrandstof ooit een mengeling van kerosine en mythevorming, en de verhalen die de tank vullen grenzen soms aan het krankzinnige.

Nu zelfs de sterrenhemel op het spel staat, moeten we luider en duidelijker benoemen waar we mee te maken hebben: opgewarmde restjes scifi op een bedje van grootheidswaan die maar al te vaak schade toebrengen aan een wereld die juist schreeuwt om herstel. Dat bestempelen als visionair duidt op een chronisch gebrek aan verbeelding.

Gewoon maar mensenwerk

Bij alle technofilie zou je bijna vergeten dat technologie niet heilig is. Het is gewoon maar mensenwerk. Soms levert het iets op, soms hebben we er niets aan.

Soms brengt het vooruitgang, soms slingert het ons een paar eeuwen terug de tijd in.

Reflect Orbital eigent zich de nachtelijke hemel toe zoals de Engelse landadel dat eeuwen geleden deed met de gemeenschappelijke weidegronden, de commons. Dat stelt wetenschapsfilosoof Sabine Winters in een scherpe analyse op haar Substack.

Net als de landadel van vroeger wordt The Sunlight Company niet rijk door iets te maken of te verbeteren. De winst vloeit voort uit het verhuren van toegang tot zonlicht en is dus eigenlijk geen winst, maar rente.

Er wordt niets toegevoegd en er is geen concurrentie, want, aldus Winters, ‘wie de baan, de vergunning en het eerste licht bezit, hoeft niemand te overtreffen’.

Ze verwijst naar het beroemde werk van de Griekse econoom en oud-minister van Financiën Yanis Varoufakis, die in zijn boek Technofeudalism beargumenteert dat techbedrijven de digitale commons hebben ingepikt. Hij concludeert dat het kapitalisme hiermee plaatsmaakt voor de oude, feodale manier van rijk worden.

Bij Varoufakis kun je tegenwerpen dat het internet een door mensen gebouwd systeem is en dus misschien nooit echt gemeengoed was. In het geval van de ruimte is dat niet zo. De leenheer, schrijft Winters treffend, is een luchtheer geworden.

Mag dit dan zomaar? Nou, nee. Het meest gezaghebbende ruimteverdrag, The Outer Space Treaty, stelt dat niemand zich de ruimte mag toe-eigenen. Maar het stamt uit 1967 en hield geen rekening met verregaande privatisering en commercialisering in de ruimtevaart. Het heelal is momenteel een juridisch limbo, en daar maken ondernemers handig gebruik van. Wetgeving loopt nu eenmaal altijd achter op de industrie, klinkt het steeds opnieuw.

Dat is niet helemaal waar. Het Maanverdrag uit 1971 bijvoorbeeld was zeer vooruitstrevend en hield wel degelijk rekening met toekomstige privatisering van de ruimte. Alleen werd het maar door elf landen ondertekend. En daar werd juist het argument gebruikt dat het zijn tijd te ver vooruit was. Als er nog geen bedrijven waren om zich de ruimte toe te eigenen, kon je ze volgens de critici ook nog niets verbieden.

Die critici, dat waren de technologisch ontwikkelde landen, bang dat ze eventuele toekomstige winst uit de ruimte zouden moeten delen met anderen. Het Maanverdrag laat zien dat het geen vaststaand gegeven is dat de wetgeving overal achteraan hobbelt. Het zijn, ook hier weer, politieke keuzes.

Jatwerk verkocht als vooruitgang

Sinds ik over de licentie voor Reflect Orbital las, dreunt er een rijmpje in mijn hoofd: ‘The law locks up the man or woman/ Who steals the goose from off the common/ But leaves the greater villain loose/ Who steals the common from the goose.’

Het werd eind 18de eeuw geschreven als reactie op de massale inname van de commons.

De greater villains glippen al eeuwen door de mazen van de wet en dat is (groten)deels omdat ze weten hoe je jatwerk verkoopt als vooruitgang. In het geval van de commons was improvement het toverwoord waarmee de publieke opinie werd bespeeld. De kleine landarbeiders die gebruikmaakten van de commons zouden de vooruitgang tegenhouden. Er waren schaalvergroting en innovatie, en die kon je niet overlaten aan de keuterboeren.

Het land werd dus zogenaamd niet ingenomen, maar verbeterd. Er was wel degelijk protest tegen de onteigening, maar met het verhaal van de grote vooruitgang had de landadel het narratief van onvermijdelijkheid aan hun zijde.

Verzet tegen toe-eigening is zelden zo goed georganiseerd als toe-eigening zelf. Een satellietbedrijf of een handvol grootgrondbezitters organiseert zich moeiteloos. Een grote, verspreide groep met ieder een beetje te verliezen (astronomen, omwonenden, toekomstige generaties, liefhebbers van uilen en vuurvliegjes) heeft duizenden mensen nodig om hetzelfde voor elkaar te krijgen.

Eén jurist volstaat om een vergunning aan te vragen. Om er een tegen te houden heb je een beweging nodig. Maar het is wel degelijk mogelijk.

Die beweging begint met iets simpels: het gesprek terugeisen. De vraag of we willen leven onder een hemel met honderdduizenden kunstmanen wordt nu weggezet als een technisch detail waarmee vooral ingenieurs en licentieverleners zich moeten bezighouden. Maar dit is geen technische vraag. Het is een politieke vraag, en politieke vragen horen niet thuis in het smalle register van een Amerikaanse toezichthouder die zelf toegeeft dat astronomie en milieu buiten haar mandaat vallen.

Bezwaren van de American Astronomical Society, Earthjustice en DarkSky International pakken nu uit als geïsoleerde meldingen, onvoldoende om een vergunningsproces tegen te houden. Wat we nodig hebben is een breed publiek debat, gevoerd door mensen die zich niet laten wegzetten als tech-ontkenners omdat ze vinden dat we de sterrenhemel niet mogen verkwanselen.

Er is publieke verontwaardiging nodig die zich krachtig weet te bundelen. Er is volharding nodig en een helderheid van geest om te blijven weerleggen wat ons wordt opgedrongen als realistisch en onvermijdelijk. Een industrie kán zichzelf wel degelijk op hoog tempo reguleren. Neem bijvoorbeeld het Zero Debris Charter, waarmee verschillende ruimtevaartpartners zich verenigen om ruimtepuin tegen te gaan. Als de wil er is, zijn snelle veranderingen mogelijk.

Een andere definitie van vooruitgang en groei

Wat ook nodig is, en misschien nog wel het hardst: een andere definitie van vooruitgang en groei. Zolang we die blijven definiëren als meer, groter en verder, blijft elk verzet tegen blinde technofilie klinken als nee zeggen tegen zonsopgang. In het geval van de ruimtevaart komt daar de moeilijkheid bij dat het zo verweven is met een diepgeworteld idee over vrijheid. Vrijheid als mogelijkheid om te gaan en staan waar je wilt. Vanuit die gedachte is het verlaten van de dampkring de ultieme bevrijding. Wegreizen van alles wat je kent en bent.

De filosoof Eva von Redecker biedt in haar boek De vrijheid om te blijven (2024) een ander uitgangspunt. Vrijheid, niet als het vermogen om je onbeperkt te verplaatsen en uit te breiden maar als het vermogen om ergens te kunnen blijven; gehecht, geworteld, zonder constant méér nodig te hebben. Groei, niet als accumulatie van geld en macht, maar als een kronkelig proces van verdieping en inzicht.

Ons huidige begrip van vrijheid is volgens Von Redecker niet geschikt voor het antropoceen. ‘Het reageert nogal gevoelig wanneer iemand ons recht aantast om ons in benzine slurpende metalen kisten voort te bewegen. De vraag of er in de toekomst nog vogels zullen zijn, speelt volstrekt geen rol.’

Onze vrijheid hangt uiteindelijk af van het voortbestaan van de levende wereld. En die wereld vraagt om acute aandacht en zorg voor de plekken die we bewonen. Van Redecker merkt terecht op dat de vrijheid om te blijven is voorbehouden aan wie zich op een veilige plek bevindt, iets wat voor miljoenen mensen momenteel al niet meer het geval is. Zij leven inmiddels in de catastrofe die wij vrezen.

En als we zo doorgaan, zal vertrek voor steeds meer mensen niet langer vrijheid zijn maar noodzaak. In deze wereld betekent vooruitgang niet de volgende grens over, maar leren dat er grenzen zijn.

Soms is vooruitgang niets doen. Blijven waar je bent. Op je rug liggen en omhoog kijken naar de sterren die nog zichtbaar zijn, in een hemel die van iedereen is en van niemand.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next