De Hongaarse schrijver Péter Nádas, opgeleid tot fotograaf, legde zich in zijn werk toe op het vastleggen van oplichtende details. Hij verwierf wereldfaam met Einde van een familieroman en Het boek der herinneringen.
is recensent voor de Volkskrant, gespecialiseerd in poëzie en Duitstalige literatuur.
Niet ouder dan elf was hij, toen hij begon met schrijven. Péter Nádas, de Hongaarse schrijver en fotograaf die deze week op 83-jarige leeftijd overleed, merkte het eens terloops op. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat een mens, een kind, begint te schrijven en niet meer ophoudt.
Misschien deed hij er zo luchtig over, omdat zijn werkelijke leerschool ergens anders lag: in de fotostudio. Zijn familie was ervan overtuigd dat de jongen niet tot leren in staat was. Daarom gaf een van zijn ooms hem een spiegelreflexcamera, leerde hem hoe diafragma, sluitertijd en ISO-waarden werkten en vanaf die dag draaide alles in het leven van de jonge Nádas om het vastleggen van oplichtende details. Oók als schrijver.
Nádas werd geboren op 14 oktober 1942 in een Joods ziekenhuis in Boedapest. Op datzelfde moment werden in een steengroeve in het huidige West-Oekraïense Mizoc duizenden Joden bijeengedreven, gedwongen zich uit te kleden en vermoord.
‘Hoe ik mijn hoofd er ook over breek, ik kan deze gelijktijdigheid niet begrijpen’, schreef Nádas hier jaren later over in Een zweem van licht, het schitterende overzicht van zijn werk als fotograaf. Het is een soort literaire dubbelbelichting: de geboorteschreeuw tegen het helse kabaal van doodskreten.
Het leest ook als een schuldbekentenis: waarom moesten zij sterven terwijl hij het leven zag? Heel zijn leven zal Nádas de duistere kant van de Europese geschiedenis blijven opzoeken en tonen hoe die zich tot in de allerdiepste haarvaten van het geheugen verankert.
Zijn ouders waren communisten, zijn vader bekleedde een hoge positie in de partij. Drie jaar voor de Hongaarse opstand overleed zijn moeder aan kanker. Zijn vader pleegde twee jaar na diezelfde opstand zelfmoord. Maar met de komst van de Sovjettroepen naar de Hongaarse hoofdstad had de jonge Nádas direct al zijn bekomst van het communisme.
Na het overlijden van zijn moeder volgde hij een opleiding tot scheikundige, die hij kort na de dood van zijn vader onderbrak, om vervolgens als fotograaf in de leer te gaan.
Zijn beschrijvingen van het werk in de fotostudio baden in een zacht melancholisch literair licht. Met een scherp mesje krabde hij oneffenheden van de gezichten van onbekenden, retoucheerde hen, zette puntjes en streepjes met een Chinees penseel en dat alles onder toeziend oog van een oudere vrouw die over opera praatte of over Auschwitz.
Nádas werd fotojournalist, een baan die hij opgaf toen Sovjettanks de straten van Praag binnenrolden. Vanaf dat moment wijdde hij zich volledig aan het schrijven. Hij zou een van de laatste grote Europese schrijvers worden, iemand van het formaat Imre Kertész of László Krasznahorkai, die, in tegenstelling tot Nádas, wél de Nobelprijs voor de Literatuur kregen.
In 1977 verwierf hij wereldfaam met Einde van een familieroman, dat ook in het Nederlands (1988) verscheen. De Hongaarse ambtenaren hadden moeite met de donkere passages over het leven onder het stalinisme en verhinderden de publicatie lange tijd, maar uiteindelijk overwon de literatuur de politiek.
Van begin jaren zeventig tot 1985 werkte Nádas aan het boek dat hem de meeste roem zou bezorgen en, als totale uitputtingsslag, hem bijna de kop zou kosten: Het boek der herinneringen.
Dankzij deze uiterst complexe, maar wonderschone Europese roman kreeg Nádas de bijnaam de Hongaarse Marcel Proust. In meanderende, ritmische zinnen volgen we een Hongaarse schrijver die in de jaren zeventig in Oost-Berlijn woont en een verhouding met een vriend heeft. De schrijver blikt terug op zijn jeugd in stalinistisch Boedapest en schrijft een roman over een Thomas Mann-achtige estheet rond 1900.
Nádas’ stijl is intens zintuiglijk, hij schakelt bovendien moeiteloos tussen vertelling, essay, herinnering en psychologie. Met zijn homo-erotische passages, zijn reflecties over politieke onderdrukking en de werking van het geheugen brengt Het boek der herinneringen je in een droomtoestand. Als je daar dan uiteindelijk uit ontwaakt weet je niet langer of de werkelijkheid is zoals je die waarneemt of zoals die functioneert in het proza van Nádas.
Daarna volgen talloze romans, novelles en essays. In Nederlandse vertaling verschenen onder andere Terugkeer (1993), De levensloper (1995), Minotaurus (1997), Liefde, een vertelling (1997), De prachtige geschiedenis van de fotografie (1999) en in 2004 De eigen dood, het uiterst intrigerende verslag van het hartinfarct dat Nádas op 51-jarige leeftijd had.
Voor iemand die zijn hele leven met de bewerking van details bezig was, kwamen dat hartinfarct en de daaropvolgende drieënhalve minuut aan gene zijde haast als een epifanie: zwevend tussen leven en dood besefte hij plotseling dat de details van zijn eigen leven ‘niet meer in verband stonden met het verhaal van mijn leven. Zo’n verhaal bestaat namelijk niet, heeft ook nooit bestaan’.
Nádas behoorde ook tot de grote essayisten van Europa, iets wat in Nederland minder bekend is. Die essays en latere werken als het autobiografische Oplichtende details en het meer dan duizend pagina's omvattende Parallelle verhalen (een soort krimi, roman en geschiedschrijving ineen waaraan hij achttien jaar werkte) wachten nog op een Nederlandse vertaling.
Je kunt je afvragen waarom die er nog niet zijn. Je kunt ook denken: zoveel Nádas, ook na zijn eigen dood nog; hij is niet een, maar twee keer gestorven en leeft toch voort.
3 keer Péter Nádas
- Nádas schoot zijn foto’s met een Rolleiflex of Voigtländer. In de laatste jaren hield hij de analoge fotografie voor gezien. Vanaf 2016 schoot hij uitsluitend met de iPhone.
- Nádas werd in een geassimileerd Joods gezin geboren. Zijn grootvader heette eigenlijk Neumeyer. Om op te kunnen gaan in de Hongaarse burgerij besloot hij de familienaam te veranderen in Nádas. Een schande binnen de Joodse familie.
- Nádas was een fervent hardloper. Liefst in grensgebieden. ‘Door woeste, zandgrauwe, naar landbouwgif stinkende aspergevelden rende ik Nederland binnen’, schreef hij in De eigen dood.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant