Tadej Pogacar is een uitzonderlijke wielrenner. Niet alleen omdat hij veel beter is dan de rest, maar ook omdat hij het keer op keer kan opbrengen om te winnen. ‘Alles is onuitsprekelijk vermoeiend’, dichtte Jan Kal over het beklimmen van de Mont Ventoux, maar zijn waarneming geldt het hele wielrennen, de hele sport en met name de edele kunst van het zegevieren.
VRT-commentator Karl Vannieuwkerke vroeg zich dat af toen Pogacar dinsdag na een solo van vijftig kilometer de bergrit rond Andorra la Vella had gewonnen: ‘Waar komt het vandaan?’ Hij doelde niet zozeer op de fysieke kracht, maar op de motivatie om telkens weer voor de zege te gaan: Pogacar won dit seizoen de helft van alle wedstrijden waaraan hij deelnam – een ongelooflijk percentage.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Natuurlijk gaat professioneel wielrennen om winnen. Alle renners in het peloton hebben bij de start één gemeenschappelijk streven: winnen. De meesten weten dat het weer een vergeefse droom zal blijken, ze zegevieren zelden. Er zijn wielrenners die vijftien jaar lang als gewaardeerde prof in het peloton rondfietsen en die aan het eind precies nul zeges op hun palmares hebben.
Pogacar staat aan de start en weet – als het parcours tenminste niet te licht is – dat hij kan winnen. Dat legt druk op iemands schouders, maar daar is hij inmiddels aan gewend. Van zichzelf moet hij winnen, wat alweer wat anders is. Hij staart de diepe teleurstelling in het gezicht. Gezien het onvoorspelbare karakter van de sport waaraan hij deelneemt, is de kans op verlies groter. De volle focus op de overwinning is een risico.
Dat bedoelde Vannieuwkerke: Pogacar heeft ergens in zijn hoofd iets zitten dat hem dwingt telkens weer dat risico aan te gaan en zijn tegenstanders uit te dagen: ik ga vandaag proberen te winnen, versla me maar als je kunt. Al zijn collega’s haten zijn dominantie en de manier waarop ze dag na dag worden vernederd; ze halen alles uit de kast om te voorkomen dat hij wéér wint, na elke zege groeit de collectieve drang om hem te verslaan. Toch wint hij.
Dat is uitputtend, maar ergens vindt Pogacar de energie en de motivatie om te denken: vandaag winnen. Het hoeft niet, hij heeft de Vuelta allang beslist en hij zou hem cruisend kunnen voltooien, maar iets in hem zegt: bewijs dat je de beste bent, misschien woont er in een Vlaams pestdorpje nog iemand die daaraan twijfelt en die ’s avonds nog altijd in slaap valt met Merckx op zijn netvlies: beroof die stumper van zijn illusies!
Uitzonderlijke kampioenen zijn niet uitzonderlijk omdat ze met groot verschil winnen, maar omdat ze dat zo lang volhouden. Pogacar begon in 2019 met winnen en is er daarna niet meer mee opgehouden.
Waar komt het vandaan?
Suprematie is lekker, maar is het na zeven jaar nog steeds lekker? De verslagenheid in de ogen van je tegenstanders is heerlijk, maar is het bij de 130-ste overwinning nog steeds even heerlijk?
Het antwoord is: het wordt telkens lekkerder, heerlijker. Elke overwinning voedt de honger naar nóg een zege. De grote kampioen is een junk die kickt op vernedering en adoratie.
Tot het, op een dag, opeens genoeg is. Niemand weet wanneer en waardoor. Tot dusver vindt Pogacar in de lange Sloveense winters telkens weer een sprankje dat het vuur brandende houdt en dat de onuitsprekelijke vermoeidheid verdrijft.
‘Je weet nooit wanneer het je laatste dag is,’ zei hij na zijn laatste Tourzege. Misschien is dat besef van eindigheid wat hem drijft.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant