Boterhammen, burgers, bao’s en buns: het broodje kent vele gezichten. NRC vraagt kookboekschrijvers naar hun favoriet en eet een broodje mee. Deze week: restaurateur en kookboekenschrijver Bloeme Burema.
Bloeme Burema.
„Sorry, het ruikt hier naar weekend”, zegt Bloeme Burema (29). De deuren van haar restaurant Rondo in Amsterdam staan wagenwijd open. Op de buitenmuur hangt de menukaart met moderne versies van rustieke gerechten, zoals ajo verde met courgette en gepickelde chili, lamsschouder met citroenbonen en rode mul met groene caponata.
Het is maandagmiddag en de zaak is gesloten. De warmte van de hittegolf heeft zich naar binnen gewurmd. Deze temperaturen zijn „heftig” voor de chefs, zegt Burema, die zelf als gastvrouw in de zaak staat. In de hoek staan zes draagbare ventilators op te laden, die ’s avonds op strategische plekken in de keuken draaien. Ze schept drie glazen vol ijs – voor de verslaggever, de fotograaf en zichzelf – en vult ze met gemberbier dat is gebrouwen door een buurjongen.
Burema woont, werkt en leeft op een postzegelstukje Amsterdam: de Zeeheldenbuurt. Eind vorig jaar openden zij en haar vriendin Gina hun restaurant in een hoekpand dat ze al een tijdje op het oog hadden. Voor de deur begroet ze een buurvrouw die met haar hondje langsloopt. „Het is ‘normaal’ voor restaurantmensen in deze stad om ieder halfjaar of jaar nóg een koffieplek, deli, bakkerij of restaurant te openen. Dan denk ik, je-zús, doe gewoon eens één ding heel erg goed. En zorg dat het over drie of vier jaar nog steeds goed is, dat is veel knapper.”
Als tiener hielp Burema in de zomer in de zaak van haar vader, restaurant Merkelbach in Amsterdam, dat zich richt op duurzame en seizoensgebonden ingrediënten. Na haar middelbare school nam ze een tussenjaar om in keukens aan de slag te gaan en dat beviel zo goed dat ze bleef plakken, onder meer bij het Buffet van Odette en Europizza. Na wat jaren „heel hard werken”, vertrok ze met haar vriendin naar Frankrijk, om de lunchservice te verzorgen bij een gerenommeerde wijnmaker op een berg in de Franse Beaujolais. Terug in Nederland volgden populaire kookboeken over bonen en soepen – en sinds eind vorig jaar een eigen restaurant.
Ze woont op loopafstand in een woongroep met een gedeelde tuin. Thuis staat „een enorme koelkast” die altijd flink gevuld was toen ze nog cateringklussen deed maar nu eerder lijkt op een „gapend gat”. De meeste maaltijden eet Burema op de zaak; thuis eet ze het liefst simpel. Gebakken eieren of rozijnenbrood met kaas en gezouten boter. Vroeger, toen ze vaker thuis kookte, maakte ze aan het begin van de week een Spaanse tortilla, dan at ze hem als avondeten, een keertje als lunch, of op een broodje. Dat wilde ze weer eens doen.
Wie ooit een Spaanse tortilla heeft gemaakt, weet dat het spannendste moment het flippen van de dikke aardappelomelet is. Om te voorkomen dat dat door de fotograaf wordt vastgelegd, is de tortilla van tevoren gemaakt. Helemaal tevreden is ze niet. „Dit is de lelijkste tortilla die ik ooit heb gemaakt”, zegt Burema terwijl ze hem in dikke punten snijdt. Gelukkig maakt dat voor de smaak niet uit.
Op de roze bar snijdt ze een ciabatta in tweeën en smeert beide helften rijkelijk in met mayonaise. De krulsla komt van tuinder Joost, „die elke week lekkere dingen komt brengen”. Ze prikt een vrolijke prikker door het broodje met een guindilla erop, een dunne groene peper ingemaakt in wijnazijn.
Opeten gebeurt op het „eerstvolgende groene plekje”: Prinseneiland. Een idyllisch stukje stad met oude pakhuizen en zwemmende kinderen. Burema kiest een bankje aan het water dat nog net niet is opgeslokt door de varens. Ze hapt in het smeuïge broodje en terwijl de fotograaf erop los klikt, komt de inhoud aan beide kanten eruit. „Ik heb charmant op de foto gaan wel heel moeilijk voor mezelf gemaakt.”
Voor 8 punten tortilla, die zich goed laten bewaren in de koelkast