Het kan geen kwaad dat de journalistiek voorzichtig is met lovende bijvoeglijke naamwoorden in medische berichten en reportages. Maar de beboete uitingen zijn niet in strijd met de Geneesmiddelenwet, stellen Jetse Sprey en Peter Olsthoorn.
De Volkskrant, NRC, Algemeen Dagblad, de Stentor en Flair kregen boetes voor artikelen over afslankpillen. Ten onrechte. Het lijkt heel onwaarschijnlijk dat die boetes gehandhaafd worden.
In een uitstekend artikel liet de Volkskrant zaterdag zien hoe de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de reclameverboden van de Geneesmiddelenwet toepast op media-uitingen. Niet enkel stemt het beeld van de beoordelingen weinig vrolijk, de juridische onderbouwing berust op een onjuiste interpretatie van de regelgeving.
Over de auteurs
Jetse Sprey is advocaat. Peter Olsthoorn is journalist en promoveerde in de rechtsgeleerdheid.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Het artikel beschrijft hoe het Hoofd Bureau Opsporing & Boetes de grenzen bepaalt van wat in redactionele uitingen al dan niet is toegestaan. Soms belt deze ambtenaar zelfs, aldus het artikel, met Jinek of Powned of een journalist als Antoinette Scheulderman. Die telefoontjes en brieven hebben effect: zelfcensuur is het gevolg. De staat bemoeit zich dus intensief met de media.
Natuurlijk valt er wat voor te zeggen dat je als medium met lyrische beschrijvingen van het effect van medicijnen voorzichtig moet zijn. Maar dat de Nederlandse staat een tijdschrift behandelt als een farmaceut die uit is op eigen gewin, gaat veel te ver.
Juridisch is dit in een ruime minuut uit te leggen. In de Geneesmiddelenwet gaat hoofdstuk 9 over reclame. Wat is dan reclame? Daarvoor kun je terug naar artikel 1. Daarin wordt reclame gedefinieerd als ‘elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe’.
Kortom: het medium moet als doel hebben reclame te maken. Dat doel hebben redacties niet. Die willen informeren of amuseren. Simpel dus, zou je denken. In het vonnis van april 2026 over Flair en de Stentor zegt de rechter dan ook: ‘Deze doelstelling vormt aldus het doorslaggevende element om reclame van louter informatie te onderscheiden.’ Om er nog toe te voegen dat de artikelen ‘zonder publicitair doel’ geen reclame voor geneesmiddelen vormen.
Nog steeds heel simpel dus. Maar dan volgt een bijzondere redenering van de rechtbank (over het artikel van Flair) dat ‘deze publicatie is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven en/of het gebruik van het receptgeneesmiddel Ozempic voor de behandeling van overgewicht’. En even verderop: ‘Het gaat er bij die doelstelling om wat de publicatie bij de lezers teweegbrengt.’
De rechtbank stelt dus dat het doel van het artikel in Flair is om meer verkoop van Ozempic te bevorderen. De rechtbank zegt verder dat ze dat vindt omdat dat artikel tot gevolg heeft dat er meer Ozempic wordt verkocht.
Het vergt geen universitaire opleiding recht of filosofie om hier een denkfout te ontwaren: doel en gevolg worden met elkaar verward. Het staat buiten kijf dat het Flair-artikel inderdaad de loftrompet stak over Ozempic. Daar kun je wat van vinden. Maar is daarmee ook het maken van reclame als doel bewezen? Nee natuurlijk. Misschien is Flair stiekem betaald voor promotie, maar dat moet je dan wel aantonen.
Dat lezers vervolgens naar de apotheek rennen om het middel te kopen, verandert dat doel niet. Reclamejuristen als Marloes Meddens-Bakker opperen dat je de nadruk moet leggen op ‘kennelijk’ als het om het doel gaat. Maar dat kennelijke moet dan nog steeds op het doel terugslaan en het kennelijke doel van Flair is natuurlijk niet Ozempic-verkopen bevorderen, maar de lezers informeren en amuseren.
De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervoor naar een uitspraak van het Hof van Justitie van mei 2011, waarin staat dat je ‘reclame’ voor geneesmiddelen heel breed moet uitleggen. Daarmee bedoelde het Hof dat je op basis van de inhoud van uitingen moeilijk kan uitmaken of die de verkoop stimuleren. Om die reden zegt het Hof dat je moet kijken of de doelstelling al dan niet het maken van reclame is. Vrijwel altijd wordt er voor reclame betaald.
Datzelfde staat in de Nederlandse Reclame Code van de Reclame Code Commissie. De reclamepolitie kreeg het gewraakte lovende artikel over afslankpillen in de Stentor eerder voorgelegd en behandelde de klacht niet, want zij beschouwde het artikel als journalistiek. In beroep werd dit bevestigd. Uitgever DPG Media stelde dat het artikel onafhankelijk was geschreven en de klager kon het tegendeel niet bewijzen. Dus volgde er geen behandeling.
Het kan, kortom, geen kwaad dat de journalistiek voorzichtig is met lovende bijvoeglijke naamwoorden en merknamen in medische stukken en reportages. De volksgezondheid kan daar baat bij hebben. Maar de uitingen zijn niet in strijd met de Geneesmiddelenwet.
In hoger beroep zal bovengenoemde uitspraak van de rechtbank sneuvelen, verwachten wij. En terecht. De onjuiste opvatting van reclame door de Inspectie en de rechtbank is een tot dusverre zelden vertoonde aantasting van de uitingsvrijheid.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant