Home

‘Taakstraffen werkten voor mij erg goed’

Jarenlang bewandelde hij het verkeerde pad – als drugshandelaar en in het weekeinde als hooligan bij voetbalwedstrijden. Maar hij hield ook zicht op een ander leven. Inmiddels zet Guido Rodenburg zijn levenservaring in om jongeren voor afglijden te behoeden.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

Op de vraag waar zijn wieg stond en wie er destijds in keken, moet hij het antwoord schuldig blijven: ‘Ik heb werkelijk geen idee.’ In 1990 wordt hij bij een kinderziekenhuis in de Dominicaanse Republiek te vondeling gelegd. Een dokter schat zijn leeftijd op zeven maanden, als geboortedatum wordt voor 15 juni gekozen, ‘best een gunstige verjaardag, zo midden in het jaar’. Als naam krijgt hij Moises, enkele maanden later voegen zijn Leidse adoptieouders daar Guido als roepnaam aan toe en krijgt hij Rodenburg als achternaam: ‘Die namen kunnen er prima mee door.’

Een ‘klaagverhaal’ moet dit vooral niet worden, benadrukt de inmiddels 37-jarige jongerenwerker aan het begin van het gesprek. Wel wil hij toegeven dat in de steek gelaten zijn door zijn biologische ouders ‘een diepe wond’ heeft geslagen. ‘Het is iets wat ik elke dag van mijn leven met me meedraag.’ In zijn jeugd gaat die pijn gepaard met eenzaamheid. ‘Mensen zeiden altijd tegen me, als ik mijn verhaal vertelde: je hebt het overleefd, kijk waar je nu bent, je moet blij zijn. Maar zo voelde ik me niet.’

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Hij belandt in een groot huis in de Professorenwijk in Leiden, met ouders die in natuurkunde en wiskunde zijn gepromoveerd. Zijn vader is universitair hoofddocent, zijn moeder audioloog. Een geprivilegieerde omgeving, beseft hij later. ‘Toen was het normaal, later kom je erachter dat lang niet iedereen in een veilige omgeving opgroeit.’ Het gezin, enkele jaren later uitgebreid met een Haïtiaans broertje, typeert hij verder als ‘alternatief, GroenLinks’. Hij wordt gestimuleerd aan ‘cultuur en sport’ te doen, piano en hockey. Mede dankzij zijn opvoeding spreekt hij accentloos Nederlands: ‘Daar word ik geregeld op aangesproken. Mensen vinden het vreemd dat ik niet praat zoals ze verwachten bij iemand met mijn uiterlijk.’

Met zijn huidskleur wordt hij in zijn jeugd steeds vaker lastiggevallen. ‘Als kind heb je natuurlijk wel door dat je er anders uitziet dan je ouders. Je weet: ik hoor er eigenlijk niet bij, ik ben erbij gehaald. Soms bleek dat een probleem. Ik ging een keer met mijn moeder naar een huis in Oegstgeest kijken. De eerste keer deed ze dat alleen en was er geen probleem, toen ik meekwam gingen de huiseigenaren moeilijk doen.’ Op de basisschool zeggen sommige kinderen ‘vervelende dingen’, maar ‘veel aan de hand was er niet, er waren genoeg kinderen die normaal tegen me deden.’

Anders wordt dat in zijn puberteit. Als hockeyer van Roomburg heeft hij van zijn teamgenoten geen last (‘Die kwamen voor me op’), maar bij uitwedstrijden is dat bepaald anders. ‘Er werd van alles geroepen, zowel op het veld als langs de kant, om me duidelijk te maken dat ik minderwaardig was. Dat is wel bekend van voetbal, maar bij hockey gebeurt het net zo goed.’ Wanneer hij van club verandert om hoger te spelen (‘Ik had de ambitie de eerste hockeyer met kroeshaar in de hoofdklasse te worden’) krijgt hij voor het eerst ook met racistische opmerkingen van teamgenoten te maken.

Wat gebeurde er?

‘Ik was 15 en de jongste van het team. Op een gegeven moment heb ik tijdens een teambijeenkomst gevraagd: kunnen jullie ophouden over mijn kleur te beginnen, kan het racisme stoppen? Die jongens begonnen te lachen en riepen: ‘Nee, natuurlijk niet, dat gaan we echt niet doen.’ De trainer was er bij, maar greep niet in. De aanvoerder kwam wel voor me op, hij zei dat het moest stoppen, maar ook hij werd uitgelachen. Die gebeurtenis was voor mij een kantelpunt. Ik dacht: oké, als niemand me helpt, dan moet ik het zelf doen. Vanaf dat moment ben ik, zodra iemand iets zei, erop gaan slaan.’

Werd geweld voor u de oplossing?

‘Als je met het brein van een 15- of 16-jarige merkt dat racistische opmerkingen ophouden omdat mensen bang worden, dan is dat wel een reden ermee door te gaan. Dat het werkte, was een voorteken dat het verder uit de hand zou lopen. Mensen vonden Akwasi (directeur van de omroep Zwart en rapper, red.) extreem toen hij zei Zwarte Piet te willen slaan. Ik begrijp hem wel. Toen ik netjes vroeg met racisme te stoppen, werd ik uitgelachen. Natuurlijk is geweld geen oplossing, maar op dat moment wel.’

U werd daarna hooligan. Wat trok u daarin aan?

‘Op mijn 18de drong ik door tot de harde kern van een eredivisieclub. Ik ga de naam niet noemen, want ik wil er ooit met mijn kinderen heen kunnen. Ik vond daar op de eerste plaats broederschap, het gevoel van samen sterk. Het was een groep waarin loyaliteit werd beloond, we vormden een soort bende, niemand kon ons wat maken. Ik hoefde zelf niet meer bang te zijn, anderen waren dat voor ons. Ik deed het ook voor de kick, de adrenaline. En het hielp me mijn pantser te versterken. Ik voelde me daar gewaardeerd. Het bracht me vooral het gevoel ergens bij te horen, iets wat ik altijd had gemist.’

Bracht het u een identiteit?

‘Ja, het werd gemakkelijker iemand te zijn. Ik had het idee: dit is waarvoor ik sta, dit is wat ik belangrijk vind, met wie ik omga, zo wil ik mijn leven leiden, met deze normen en waarden. Ik wist wie ik moest zijn. Wanneer je midden in zo’n subcultuur zit, is leven makkelijk, je hoeft alleen maar te volgen. Tegen mijn ouders zei ik: ‘Als het meer van me neemt dan dat het me geeft, stop ik.’’

U begaf zich op het criminele pad, eerst met inbraken, later met drugshandel.

‘Die inbraken waren toen ik 15, 16 was. ‘Het maakt toch niet uit wat ik doe, niemand kan dat iets schelen’, dacht ik. Dat klopte niet, maar ik zag het zo, door mijn boosheid op de maatschappij. Ik was ook arrogant en dacht: niemand gaat mij pakken. Bij inbraken keek ik hoever ik kon gaan: het alarm af laten gaan, wachten tot de politie komt en op het laatste moment weg, een kat-en-muisspel. Vanaf mijn 15de kwam ik voor de rechter. Gelukkig kreeg ik nooit gevangenisstraf, omdat ik nog op school zat. Ik leidde een dubbelleven, daarom kreeg ik alleen maar taakstraffen.’

Hoe was dat?

‘Die taakstraffen werkten voor mij erg goed, ze dwongen me voor anderen iets te doen: in de keuken van een bejaardentehuis, op een sociale werkplaats, bij een sportclub. Hup, een hesje aan en schoonmaken. Als je denkt dat je zo tof bent, zoals ik dacht, dan word je door een taakstraf van je ego gestript. Dat vind ik goed.

‘Het werkte, omdat ik eigenlijk een zorgzame guy ben. Al geloofden mensen dat vaak niet, omdat ik van die rare shit uithaalde. Maar ik heb een redelijk goed moreel kompas, ik begrijp wat het betekent iets voor de maatschappij te doen. Ik ben het met John F. Kennedy eens: ‘Ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country.’

‘Verder hielp het me te werken met volwassenen die in mij geloofden. Sommige hulpverleners wilden me vanwege strafbare feiten aan de hoogste boom hangen, maar gelukkig waren er anderen die oprecht aan me vroegen: wat wil je met je leven?’

Hoe bent u uit die wereld van criminelen en hooligans gekomen?

‘Rond mijn 25ste ging ik me afvragen: is dit nu je prime, is dit wat je in je beste jaren doet, wil je hiermee doorgaan? Ik was opgeklommen in de harde kern en organiseerde vechtpartijen. Maar het werd ook zwaar, ieder weekend moest ik aan de bak. Vooral was ik imago-moe: dat andere mensen me zagen als iemand die geweld gebruikte en voor wie ze bang moesten zijn, vond ik steeds minder fijn. Ik heb er hard aan gewerkt om dat te veranderen.

‘Met de drugshandel en geweldpleging was ik hard op weg naar de gevangenis. Op een gegeven moment volgde een arrestatieteam me vanaf mijn huis en werd ik opgepakt, met drugs. Het was bijna Kerst, ik was als de dood voor de reactie van mijn schoonfamilie. Ook wilde ik niet dat mijn moeder haar beide zonen zou kwijtraken – mijn broertje liep psychotisch over straat. Ik wilde haar niet aandoen dat ik naar het gevang zou moeten. Ik bedacht toen: ‘Dit moet stoppen, ik moet nu proberen een maatschappelijke carrière op te bouwen en dedicated aan dat doel worden. Ik moet mijn rug keren naar de slechtheid en de narigheid die ik heb meegemaakt en veroorzaakt.’

Hoe kwam u op het pad van sociaal werker?

‘Op een gegeven moment kreeg ik een agressieregulatietherapie. Ik was daar erg gemotiveerd voor, want ieder weekend vechten wilde ik niet meer. Ik kon toch niet de maatschappij de schuld blijven geven? Ik moest dus bij mezelf nagaan waardoor het kwam dat ik nooit een gevecht uit de weg ging. Na vijftien sessies therapie had ik volledig door hoe het bij me werkte. Toen ben ik bij rollenspelen anderen in de groep gaan coachen. Ik vind het leuk kennis over te dragen en mensen mee te krijgen. Ik dacht: hier ben ik goed in. Daarna ben ik een hbo-opleiding sociaal werk gaan doen.’

U werkt nu met probleemjongeren tussen 16 en 27 jaar. Wat hoopt u te bereiken?

‘Utopisch gesteld wil ik een wereld waarin iedereen erbij hoort. Anders wordt de wereld nooit beter. Mijn ideaal is dus inclusiviteit. Concreet betekent het dat ik mijn ervaringen inzet om mensen van het verkeerde pad af te krijgen of te proberen te voorkomen dat ze op dat pad belanden. Ik zeg altijd tegen jongeren: ‘Mijn doel is dat ik je nooit meer zie.’ Omdat ik wil dat ze me uiteindelijk niet meer nodig hebben. Mijn hoofddoel is dat ze zelfredzaam worden. Tot die tijd kunnen ze altijd een beroep op mij doen.’

Lukt het ook hen zelfredzamer te maken?

‘Met ons werk gaat het wel de goede kant op, omdat wij als professionals in het jongerenwerk steeds beter snappen wat ervoor nodig is. Wij weten hoe we jongeren boven de grens van zelfredzaamheid krijgen. En hoe we ze daar kunnen houden. Het probleem is alleen dat de maatschappij niet meewerkt. Er zijn wel genoeg banen voor jongeren, maar niet genoeg huizen. Ik heb meegemaakt dat een jongere vijf maanden op straat moest slapen, er was geen woning voor hem te vinden. Ik begrijp niet hoe de meeste mensen zich daar niet druk over kunnen maken.’

Waar ligt dat volgens u aan?

‘Ik vind dat onze maatschappij een tekort aan empathie heeft. Als je snapt dat het leven voor iedereen kort is, wil je toch niet alleen voor jezelf een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven? Dan gun je dat iemand anders toch ook? Ga met de ander om zoals je zelf wilt worden behandeld, het staat al in de Bijbel. Ik begrijp eerlijk gezegd niet hoe we als maatschappij die medemenselijkheid kunnen vergeten.

‘Voor mij is iedere interactie belangrijk. Daarmee kun je het leven van die ander veranderen. Als het me lukt een jongere echt te zien, en ik denk dat ik door mijn ervaringen daar goed in ben, ik kan zien wanneer iemand eenzaam is, en hij ziet dat ik hem zie, dan word ik daar blij van.’

Waar hoopt u op?

‘Ik hoop dat ik ooit een kind mag opvoeden. Dat gun ik mezelf, omdat ik weet hoe hard ik daarvoor heb moeten werken, vooral om mentaal gezond genoeg te worden. Lang was ik absoluut geen geschikte opvoeder. Maar inmiddels ben ik ervan overtuigd dat ik dat kan, als professional weet ik wat er voor nodig is. Voor veel mensen is het normaal, een kind opvoeden, maar voor mezelf zie ik het als een godswonder.’

Boektip: Elementaire gewoontes, James Clear

‘Je bent je gewoonten, is het uitgangspunt van deze Amerikaanse bestsellerschrijver. Dus kun je jezelf veranderen door je gewoonten in kleine stappen te wijzigen. Hoe dat in zijn werk gaat, maakt Clear in zeven hoofdstukken duidelijk. Mij lukte het dankzij dit boek om meer te sporten en minder te eten.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next