Nederlandse literatuur Met Twee mensen worden schreef Lies Gallez een ecoroman, waarin een jonge vrouw in een boomhut de vernietiging van het decor van haar ongelukkige jeugd wil tegenhouden.
Activisten bezetten in 2022 het Sterrebos naast autofabriek VDL Nedcar bij Born (Limburg). Ze klommen met touwen in bomen en installeerden zich daar met hangmatten. De actie werd georganiseerd om het bos te beschermen tegen de geplande kap vanwege een uitbreiding van de autofabriek.
Een verlaten tankstation, gebarsten asfalt en dichtgetimmerde huizen. „Wat rest zijn bomen die zichzelf te pletter mogen groeien.” Echo, de verteller in Twee mensen worden van schrijver en dichter Lies Gallez (in 2021 verscheen haar verhalenbundel Het water vangen), keert na twintig jaar terug naar het verlaten Vlaamse dorp van haar jeugd. Na het dorp moet ook het nabijgelegen bos ruimte maken voor een nieuw industrieterrein. Om de kap tegen te houden, neemt Echo haar intrek in een boomhut.
Lies Gallez: Twee mensen worden. Querido, 336 blz. € 22,99
De roman is opgebouwd in korte hoofdstukken waarin Echo terugreist in de tijd en terugblikt op haar jeugd en dan weer vanuit het heden vertelt. Echo’s jeugd was genadeloos hard: ze groeit op bij een alcoholverslaafde moeder, die als sekswerker het gezin probeert te onderhouden en soms dagenlang verdwijnt. Echo wordt verwaarloosd en mishandeld: haar moeder heeft een akelig systeem opgezet waarin gedwongen automutilatie een levensles is onder het mom van ‘oefenen voor later’. Terwijl gezinnen wegtrekken uit het dorp en winkels sluiten, weigert de moeder om hun huis op te geven: de afwezige vader moet hen bij thuiskomst kunnen terugvinden.
Waarom zou Echo, in haar boomhut, de vernietiging van de setting van zo’n ongelukkige jeugd tegen willen houden? Omwille van de bomen, ja – als de bioloog die ze werd, is Echo begaan met het bos, het bestaan van de zogenaamde moederboom en hoe in de natuur alles met elkaar samenhangt. Maar ze houdt zich er ook op om een oude pijn te verwerken. Ze komt het verwaarloosde kind dat hier ooit woonde tegemoet door het in zekere zin opnieuw op te zoeken, gezelschap te houden.
Er hangen stuwende onzekerheden boven het verhaal. Komt de vader nog terug? Komt Echo enigszins ongeschonden die kindertijd door? Waarvoor precies moet er worden ‘geoefend’? Wanneer wordt het bos gekapt? Hoe verloopt en eindigt de verstandhouding met haar moeder? In Twee mensen worden houden de dingen bíjna op te bestaan, maar in wat er nog is, is een fascinerende kentering voelbaar. Alles raakt doordesemd van de pijn om het kind dat Echo nooit kon zijn, dat een moeder miste en een vader niet kende – maar ook van een verlangen naar lichtheid en leven. Omdat Echo’s leven met haar moeder nooit veilig was, zoekt ze een diepe verbintenis met moeder natuur: „Het was mijn wens om zo dicht mogelijk bij een ecosysteem te staan. Ik hoopte op een symbiose, wat letterlijk het samenleven betekent.”
Zoals bomen als één groot netwerk verbonden zijn, worden het verleden en heden in dit boek ook met kleine draden verbonden: voorwerpen (een sinaasappel), geluiden (een galmende kerkklok) of handelingen (fietsen) duiken uit het verleden op en worden herhaald. Dat de verteller Echo heet, is dan wel erg expliciet, maar niet uit de lucht gegrepen: „Ik wil mijn eigen naam de leegte in roepen: Echo. Ik ben een weerkaatsing van geluid dat door de lucht reist, zelfs als die lucht eenzaam is. Een echo wordt pas een echo als het ongeveer zeventien meter heen en terug reist. Misschien kan ik zeggen dat ik daarom altijd minstens zeventien meter kan voortbestaan.”
In het verval zit een weerkaatsing van wat er eerder was, gezien door een sluier van wildgroei, afbladdering, vervaging. Dit is terug te voeren op Echo’s opvoeding, maar ook op haar kritiek op het kapitalistische systeem, waarin geldzucht en kortetermijndenken doorwerken in consequenties (uitsterven van soorten, oververhitting, vergiftiging) die we tezamen de klimaatcrisis noemen. Twee mensen worden is bij uitstek een ecoroman, waarbij Gallez haar zorgen in een expliciete, prangende boodschap giet en het niet schuwt om de lezer direct aan te spreken: „We sterven uit en je kunt niet anders dan je eigen dood daar op een bepaalde manier bij betrekken. (Het spijt me dat het waar is.) Ik heb de zin tussen haakjes geplaatst, zodat je hem misschien nog even kunt negeren.”
Aan de stroom van overpeinzingen en grepen uit naslagwerk en rapporten zit iets noodzakelijks (ja, het ís urgent) maar ook iets dwingends. Er zit een langgerekte schreeuw in dit boek, die bijvoorbeeld zo klinkt: „Stel je voor dat ik het hele verhaal een hart met open ramen heb en jij er zo in kunt kijken. Zo diep dat je vanzelf kunt zien dat alles bezield is.” De natuur heelt de mens, in feite zijn we één en vernietigen we met de natuur onszelf. Aan het einde van de roman, wanneer de jeugdherinneringen een punt krijgen en aan de kap wordt begonnen, houdt Echo zich veelbetekenend op in een gat in de grond. Haar vertelstem is ijl geworden en de rijkgekleurde taal raakt haast het mystieke: „Ik zie jong gras, de eerste paasklokjes en het is mooi. Wie zijn die wezens? Met één blik kan al die schoonheid binnenstromen, die volledig bezielde wereld. En het is zo verrukkelijk mooi dat ik mezelf moet openbreken als een diep ja.”
In de kern gaat Twee mensen worden over bestaansrecht. Mag een verwaarloosd kind bestaan, mag een uitgestorven dorp bestaan, mag iets overwoekeren én blijven, of moet het ruimte maken voor asfalt, en mag geld alles kopen, zelfs onze zuurstof? De roman werpt belangwekkende vragen op en toont de armoede van een jeugd naast de armoede van het kapitalisme. Daarmee is het ook een bomvol boek, waarbij je soms niet meer weet of iets het verhaal verder brengt of er alleen maar staat om een boodschap over te brengen. Zoals wanneer Echo een dode kip bij een opvangcentrum voor bevrijde dieren ophaalt om haar te begraven en filosofeert over de vraag: hoe eet je een dood dier op? Door het vlees te noemen, antwoordt ze zelf, of „door in het leven een hiërarchie aan te brengen. Al is die louter kunstmatig. Of door jezelf die vraag niet te stellen. Dat begrijp ik. […] Er is zoveel wat aandacht van ons vraagt. Vergeef me de waarheid die uit dit verhaal wil barsten.”
Soms raakte ik murw van al die overredingskracht en soms verslikte ik me in de vergelijkingen. Desondanks is de vertelling rijk, met een aanstekelijke fascinatie voor de natuur en het aftasten van de (razend interessante) grenzen van dingen die op de rand van verdwijnen staan. Na de inspanning die het kost om dit associatieve, ferm aanvoelende werk te lezen én zo af te dalen naar de essentie van het bestaan, klinkt dit verhaal na als een lichte piep in je oren.