Home

De onstuitbare dadendrang van drie wethouders maakte van Amsterdam een moderne stad

Stadsvernieuwing Eind jaren zeventig werd Amsterdam drastisch gemoderniseerd. Het ging gepaard met de angst van veel Amsterdammers voor de sloop van wat hun stad bijzonder maakte. Twee boeken laten die soms geforceerde ontwikkeling uitvoerig zien.

Demonstratie in maart 1975 Amsterdam tegen de afbraak van woningen en aanleg van de metro in de Nieuwmarktbuurt.

Eind augustus 1978 betrok ik in Amsterdam een studentenkamertje met uitzicht op het troosteloze beton van Kattenburg. Deze roemruchte volkswijk in het oude havengebied was in de jaren zestig, als verzameling onbewoonbare krotten, in één keer tegen de vlakte gegaan, en herrezen als modelbuurt met nors op elkaar gestapelde appartementen. Ze konden net zo goed in Apeldoorn of Terneuzen staan. In de paar jaar dat ik er woonde, kwam ik erachter dat de vrijgevochten geest van de Kattenburgers zich niet zomaar liet pletten door al dat beton. Met als kroon op het werk een oudere vrouw die in het enige supermarktje de ene helft van de boodschappen rechtstreeks in haar tas stopte, en de andere helft met een stalen gezicht afrekende. Een paar maanden later ging het winkeltje failliet.

Tim Verlaan & Petra Brouwer, Amsterdam voor sjiek en sjofel. De compacte stad van Michael van der Vlis 1970-1990. NAI010 , 400 blz. €39,95

Wat ik in die eerste weken in Amsterdam niet besefte, was dat de stad een scherpe bocht naar de toekomst nam. In september 1978 trad een nieuw college van B&W aan. Op zich niets bijzonders, maar in de jaren die volgden bleken de beloften die voor de gemeenteraadsverkiezingen waren gedaan, zowaar een keer waargemaakt te worden. Het werd een stille revolutie die schuilging achter berichten over economische malheur en rookwolken van krakersgeweld. Centrale figuren: Jan Schaefer (PvdA) die de stadsvernieuwing in één keer van de eerste in de vijfde versnelling bracht, Enneüs Heerma (CDA) die het internationale bedrijfsleven weer naar Amsterdam wist te lokken, en Michael van der Vlis (PvdA), de minst bekende van de drie, die zijn portefeuille Ruimtelijke Ordening zo ruim nam als maar mogelijk was, en de stad hertekende en weer tot leven bracht.

Walther Schoonenberg. Amsterdam bijna gesloopt. Het verhaal van de wederopbouw van de binnenstad. Prometheus, 320 blz. € 27,50

Was Amsterdam dan dood in 1978? Ik had als jong student niet die indruk. Ik dwaalde door een stad waar het decor van Heijermans Kamertjeszonde, Reves De avonden en Canaponi’s Gondel in de Herengracht nog overeind stond. Wat vervallen, wat louche – je struikelde er over de heroïneverslaafden –, maar het leven ging er vierentwintig uur per dag door. Overdag kon je Carmiggelt op een terras zien zitten en in de Leidsestraat kon je opeens in de geurvlag van een kuierende pijprokende Mulisch terechtkomen. ’s Nachts werd de stad overgenomen door punks, oude hippies en jong kunstenaarsvolk. In Amsterdam gingen de bohème en de gevestigde orde perfect in elkaar over.

Rommelig en overweldigend

Dit rommelige maar mij dagelijks overweldigende Amsterdam leek zijn definitieve vorm gevonden te hebben. Maar dat was schijn. De stad worstelde al decennia met de toekomst. De kort na de oorlog nog zo florerende industrie liep in de jaren zeventig op zijn laatste benen. De stad liep leeg; veel gezinnen met kinderen vertrokken naar overloopgemeenten als Purmerend, Hoorn, Lelystad en Almere. In Amsterdam werd nagedacht over drastische maatregelen om de stad economisch weer op de been te helpen.

Het stadsbestuur, met in de voorhoede wethouder Joop den Uyl, koos in de jaren zestig voor radicale cityvorming. De Amsterdamse binnenstad zou opnieuw worden ingericht. Het haakte aan bij modernistische ideeën uit het interbellum: wonen, werken en recreëren moesten zoveel mogelijk gescheiden worden. De binnenstad werd voorbestemd om tot een kantorenwalhalla voor de dienstverlenende sector omgebouwd te worden.

De stad zat al enkele decennia gevangen in een dilemma. Ging het Brussel achterna, waar met het storten van veel beton en asfalt compromisloos ruimte was gemaakt voor kantoren en auto’s, of werd het een dode stad als Brugge, dromerig mooi, maar helemaal gericht op vervlogen eeuwen? In Amsterdam, bijna gesloopt beschrijft architectuurhistoricus Walther Schoonenberg een strijd tussen het steeds maar sanerende stadsbestuur, en groepen burgers die zich aanvankelijk vooral sterk maakten voor het opknappen van zeventiende-eeuwse huizen en gevelrijen, maar ook steeds meer oog kregen voor het behouden van grachten en stratenplannen.

Het was een strijd die aan het gros van de burgers voorbijging – die dachten vooral na over het verruilen van hun verwaarloosde etagewoning voor een huis met een tuintje in een overloopgemeente. Het stadsbestuur had al in de jaren twintig de gewoonte om radicale saneringsplannen zo lang mogelijk geheim te houden, en al in uitvoering te nemen voor de gemeenteraad erover had kunnen besluiten.

Het was aan enkele wakkere burgers, met de legendarische Geurt Brinkgreve voorop, en een enkele saboterende ambtenaar te danken dat er in de jaren vijftig steeds meer naar buiten kwam over de drastische plannen van het stadsbestuur. Schoonenberg beschrijft aanstekelijk hoe sloopprojecten regelmatig halverwege worden gestuit. Wie zich afvraagt waarom er in de Haarlemmerhouttuinen zo’n potsierlijk viaduct ligt, waarom een brede Nassaukade aansluit op een nauwe Stadhouderskade, er in de Vijzelstraat aan de ene kant grote kantoorkolossen en hotels staan en aan de andere nog oude winkelwoningen, en de weidse Jodenbreestraat opeens overgaat in een smalle Anthoniebreestraat, die moet beseffen dat dit mislukte pogingen zijn om in Amsterdam een dicht netwerk van snelwegen aan te leggen.

Sloop van de Jordaan

Het gemeentebestuur overspeelde omstreeks 1970 zijn hand met het geheel tegen de vlakte willen gooien van de Jordaan. Brinkgreve, inmiddels prominent lid van de Bond Heemschut, liet er een poster van maken, met de kop ‘De Jordaan in puin’. De plannen wekten tot ver buiten Amsterdam grote verontwaardiging – dit altijd armoedige stadsdeel werd, ook door het succes van Tante Leen en Willy Alberti, inmiddels vereenzelvigd met de ziel van de stad. Wethouder Han Lammers zag zich gedwongen de plannen in te trekken.

Toch was de cityvorming nog altijd niet uit de hoofden van de bestuurders. De strijd verlegde zich naar de Nieuwmarktbuurt, waar de aanleg van een metrolijn en het trekken van een snelweg dwars door de buurt enorm veel verzet opriep. Veel voor de sloop bestemde woningen waren gekraakt. Er ontstond een gelegenheidscoalitie van de wat nostalgisch-conservatieve groep rond Brinkgreve en de linkse alternativo’s die zich pas in 1975 met grote rellen uit de gekraakte krotten lieten verdrijven. De metro kwam er, de snelweg niet. De Cityvorming was gestuit.

Maar hoe verder? De acties van Brinkgreve en de Nieuwmarktbewoners hielpen om bestuurders weer wat respect voor de historisch gegroeide allure van Amsterdam bij te brengen, maar het hielp niet om de stad economisch weer op de been te helpen. Daar was meer voor nodig. Het antwoord kwam met het college van B&W dat in september 1978 aantrad, met Schaefer, Heerma en Van der Vlis. Hun leidende concept was ‘de compacte stad’: ophouden met functiescheiding en grootschaligheid; wanneer wonen en bedrijvigheid worden gecombineerd, in een omgeving die zijn aantrekkelijke historische karakter heeft behouden, dan komt Amsterdam weer tot leven.

Buurtactivist

In Amsterdam voor sjiek en sjofel reconstrueren Tim Verlaan en Petra Brouwers minutieus hoe vooral de doorgewinterde buurtactivist Michael van der Vlis erin slaagt om zijn compacte-stad-filosofie om te zetten in tastbare resultaten. Met zijn voorkomen van een goeiige welzijnswerker (wilde haardos, tweedehands bontjas, sandalen aan de voeten, zich door de stad voortbewegend op een brommertje) zaaide hij wellicht verwarring over zijn ontembare dadendrang. In de twaalf jaar dat hij de ruimtelijke ordening runde, stopte het slopen van monumentale stadsdelen (met in 2010 het verwerven van de status Unesco Werelderfgoed voor de grachtengordel als kroon op het werk), maar verder veranderde Amsterdam ingrijpend. Hele stadswijken werden opgeknapt, het oostelijk havengebied werd geschikt gemaakt voor bewoning en rap volgebouwd. De bevolking begon weer te groeien, op overblijvende percelen verschenen hotels en kantoorgebouwen. IJburg werd opgespoten. Bij het Amstelstation verrezen de eerste echte Amsterdamse wolkenkrabbers. Iets verderop werden de fundamenten gelegd voor de Zuidas.

Van der Vlis had ook nog verkeer en vervoer in zijn portefeuille: er werd werk gemaakt van het weren van de auto ten gunste van het openbaar vervoer en de fiets. In 1978 stonden de stoepen en ook het Beursplein en de Nieuwmarkt nog stampvol auto’s. Van der Vlis stak zijn tijd in het uitbreiden van OV-netwerk, kilometers tram- en metrolijn kwamen erbij. Automobilisten zagen steeds meer straten veranderen in voetgangers- en fietsgebied.

Verlaan en Brouwer hebben meer dan 450 bladzijden nodig om dit wonderlijke politieke succesverhaal uiteen te zetten. Ze doen dat in wat ambtelijk en door planologenjargon gekleurd proza. Maar voor Amsterdammers die het tijdperk Van der Vlis hebben meegemaakt, werkt hun betoog als een ontdekkingsreis door hun eigen verleden. Zoveel veranderingen in de stad vonden hun oorsprong aan het bureau van Van der Vlis. Ze laten ook heel goed zien hoe Van der Vlis onwillige, nog aan de cityvorming hangende ambtenaren kalt stelde: gewoon een nieuwe commissie of dienst oprichten en er met een wijde boog omheen werken. Verplichte lectuur, niet alleen voor Amsterdamse stadsbestuurders, maar voor alle politici die aankijken tegen vastgelopen dossiers.

Intussen bleek de nieuwe wethouder Van der Vlis in 1978 blij met nieuwkomers zoals ik. De compacte stad moest het hebben van studenten en jonge creatievelingen, die de ongemakken van een verpauperde stad voor lief namen om iets moois na te jagen. In 1986 nam ik mijn intrek in een pand dat door vrienden was gekraakt, door de gemeente aangekocht en verbouwd. Uitzicht op de Wallen en op zwermen junkies, dat wel, maar die zouden naderhand worden afgelost door zwermen toeristen. Ook junkies en toeristen hoorden bij de compacte stad.

Amsterdam

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next