Péter Nádas (1942-2026) | schrijver Met zijn labyrintische roman ‘Het boek der herinneringen’ brak hij internationaal door. Als geen ander maakte hij daarin een gevoelsanalyse van het leven in een communistische dictatuur.
Schrijver Péter Nádas in 2022.
Zijn magnum opus Het boek der herinneringen (1986), een vuistdikke labyrintische roman over het leven onder het communisme in Hongarije, werd vergeleken met het werk van Proust, Canetti, Musil en Tomasi de Lampedusa. Velen verwachtten dan ook dat hij er de Nobelprijs voor zou krijgen. Maar de schrijver Péter Nádas, die woensdag in zijn huis in Gombosszeg in Hongarije op 83-jarige leeftijd stierf, viste steeds achter het net. De prijs ging naar zijn landgenoten Imre Kertész (2002) en László Krasznahorkai (2025).
Péter Nádas werd in 1942 geboren in Boedapest in een geassimileerd Joods gezin. Ternauwernood overleefde hij de Slag om Boedapest aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Daarna werd het leven er niet beter op: toen hij dertien jaar oud was overleed zijn moeder en drie jaar later pleegde zijn vader, een hoge functionaris in de communistische partij, zelfmoord. Zelf belandde hij in een kindertehuis.
Na een afgebroken studie scheikunde werkte Nádas enige tijd als journalist en fotograaf; sporen van dat laatste zijn in zijn oeuvre alom aanwezig. In 1967 debuteerde hij met zijn eerste verhalenbundel. Tien jaar later brak hij wereldwijd door met de roman Einde van een familieroman. De publicatiegeschiedenis van dat boek alleen al is tekenend voor de moeite die goede schrijvers onder het communisme hadden met de censuur. Toen Nádas het manuscript van zijn roman bij de censuur had ingeleverd, weigerde die aanvankelijk om het goed te keuren. In de loop van de hierop volgende jaren kreeg hij de geheime politie op bezoek, die hem zei dat alles goed zou komen als hij hun informant werd. Nádas sloeg dit aanbod af. Zijn boek werd een paar jaar later, toen sprake was van een culturele dooi, alsnog gepubliceerd.
In 1986 volgde nog grotere roem met zijn monumentale, maar complexe roman Het boek der herinneringen, die hij schreef tussen 1973 en 1985, die je behalve als een röntgenfoto van een tijdperk, waarin repressie en geweld het innerlijk leven van de personages bepalen, ook kunt lezen als een combinatie van een liefdesroman, een ontwikkelingsroman, een essayistische roman en een psychologische roman. In de eerste plaats is het een relaas van een naamloze Hongaarse schrijver die zijn verblijf in het Oost-Berlijn van de jaren zeventig beschrijft. Wanneer een vriend met wie hij een verhouding heeft naar het Westen vlucht, vertrekt de verteller naar de badplaats Heiligendamm. Daar splitsen twee andere ik-figuren zich van hem af. De een is een Duitse schrijver die sterk aan Thomas Mann doet denken en die een erotische affaire heeft met een kamerdienaar. De andere ik-figuur is de jongen die de oorspronkelijke ik-figuur tussen 1953, het jaar van de dood van Stalin, en 1956, het jaar van de Hongaarse opstand, was. De drie verhalen wisselen elkaar af en zijn tot in het diepst met elkaar vervlochten. Op zeker moment treedt ook een vierde ik-figuur naar voren, die voor een gewelddadig einde van deze vuistdikke speurtocht in de eindeloze wereld van het gevoel zorgt.
Later zou Nádas nog twee essays schrijven over de totstandkoming van Het boek der herinneringen, die verschenen met de titel Terugkeer. In het Nederlands is door zijn vaste vertaler Henry Kammer ook nog ander werk van hem vertaald, zoals Einde van een familieroman (1988), De eigen dood (1993) over het hartinfarct dat hem in een café overviel, De levensloper (1995) en de verhalenbundel Minotaurus (1997). In dat laatste boek zijn ouderen en kinderen in soms lugubere situaties de hoofdpersonages. Zo verandert een kinderpartijtje in een spookgeschiedenis en dwingt een dienstmeisje een oude weduwe om haar leugens onder ogen te zien. Opnieuw schittert Nádas hier in het belichten van het leven vanuit verschillende perspectieven.
In 2005 verscheen een nieuw groots en vuistdik werk, Parallelle verhalen, dat als de Oorlog en vrede van de 21ste eeuw werd gezien. Aan de hand van de lotgevallen van een Boedapester familie en hun vrienden liet Nádas behalve de bewogen Hongaarse geschiedenis van de 20ste eeuw ook die van het Berlijn van de jaren dertig voorbijkomen. Behalve de Hongaarse opstand van 1956 en de gruwelijke naweeën hiervan schreef hij nu ook over de deportatie van de omvangrijke Hongaars-Joodse gemeenschap in de Tweede Wereldoorlog en het Berlijn van de jaren dertig. De personages, die zich soms overgeven aan uitbundige seksscènes, waren ook deze keer zonder uitzondering haarscherp getekend en namen je mee in het diepste van hun zielenroerselen. Opnieuw was het alsof Nádas daarmee wilde betogen dat je het leven toch vooral als een groot experiment moest zien.