Home

Hoe de oorlog lezers vervreemdt van hun beste schrijvers

Tommy Wieringa is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

In de beeldentuin van het Literatuurmuseum in Odesa staat de vreemdste sfinx die je ooit hebt gezien. Het halfwezen van groen uitgeslagen koper heeft de poten en het machtige lijf van een leeuw maar de kop van een oude kerel. Een professorale kop met kraaienpootjes en diepe rimpels, je kijkt naar een onzachte artistieke botsing van dat mythische lichaam en dat gegroefde gelaat. ‘Dat’, zegt Daryna, een zachtmoedige, uitgeputte wetenschappelijk medewerker van het museum, ‘is Konstantin Paustovski, door bewonderaars vereeuwigd als onverslaanbare leeuw.’

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Hij staat op een brok rood graniet tussen de balbals, oeroude stenen beelden die dienden ter bescherming van de Scytische grafheuvels op de steppe. Ik lees Paustovski graag, zijn lyrische, lebensbejahende proza verdrijft je somberste buien en kan je vertrouwen in goedheid en schoonheid herstellen. Maar zijn reputatie in Oekraïne is tegenwoordig omstreden, een Russischtalige schrijver tenslotte, zijn positie in het literaire pantheon wankelt.

In Nederland heeft Paustovski zijn reputatie geheel en al te danken aan Wim Hartog, die zijn hele oeuvre vertaalde en met lezers reizen ondernam die langs de pleisterplaatsen van Paustovski’s leven voerden. Door zijn inspanningen bezorgde Hartog Paustovski bij ons een positie die hij elders niet had; toen ik hem eens citeerde in het bijzijn van John Coetzee, vroeg die of ik zijn naam nog eens wilde zeggen; tot mijn stomme verbazing had hij nog nooit van Paustovski gehoord.

Inderdaad, de literatuur is een strand en je kunt maar een paar korrels bestuderen.

Uit Paustovski’s adembenemende zesdelige autobiografie Geschiedenis van een leven herinner ik me een scène op de kade van Batoemi, waar hij zit te vissen en naar deinende kwallen staart, als Isaak Babel de steiger op komt kuieren. ‘Babel lachte zomaar een beetje voor zich uit en zei bijna verontschuldigend dat het soms toch wel heel fijn was om op de wereld te zijn en de geur van teer en zeewater op te snuiven. Hij warmde zijn bleke, een beetje gezwollen handen op in het zonlicht.’

Babel tegenkomen in Batoemi terwijl je tussen de feloeken met hun ruimen vol koffie en mandarijnen zit te vissen – ik stond een beetje scheef van jaloezie toen ik dat las.

In Odesa heeft Paustovski zijn eigen huiskamermuseum vol toevallige spulletjes uit zijn leven, het Literatuurmuseum heeft Babels brilletje en wat eerste drukken in de collectie. Paustovski’s museum is nog altijd open, het Literatuurmuseum is bij bombardementen beschadigd geraakt en sindsdien gesloten.

Babels standbeeld in de Karavanskoho-straat is door een zeloot van de nieuwe tijd beklad met de kleuren van de Russische vlag, omdat ook hij in het Russisch schreef. Een stompzinnige vergissing, niet alleen vanwege Babels gruwelijke einde – hij werd na maandenlange folteringen op 27 januari 1940 door de NKVD geëxecuteerd –, maar ook omdat niemand gloedvoller over Odesa heeft geschreven dan hij. Een Odesiet, schrijft hij, brengt overal een beetje zon en luchtigheid met zich mee, en in de stad heb je zoete en drukkende lenteavonden, het kruidige aroma van acacia’s en een maan vol van gelijkmatig en onweerstaanbaar licht boven de donkere zee – precies zoals ik dat honderd jaar later heb gezien toen ik eergisteravond tussen helverlichte tennisbanen en over donkere, stoffige trappen afdaalde naar zee.

Source: Volkskrant

Previous

Next