Home

Opinie: Zonder begrijpelijke inspraak is inclusie een loze belofte

Mensen met een (licht) verstandelijke beperking zijn nog te vaak onderwerp van beleid, maar onvoldoende volwaardige gesprekspartner. Hoe inclusief is onze democratie als begrijpelijke inspraak voor grote groepen burgers nog altijd niet vanzelfsprekend is?

Mensen met een beperking hoeven niet gehóórd te worden; ze moeten kunnen meepraten. In Nederland praten we graag over inclusie. Iedereen moet mee kunnen doen, iedereen telt mee, niemand mag aan de kant staan. Maar zodra het gaat over hoe beleid tot stand komt, blijkt vaak hoe beperkt die belofte nog is. Vooral voor mensen met een (licht) verstandelijke beperking.

Zij zijn wél onderwerp van beleid, maar nog te weinig een volwaardige gesprekspartner. Er wordt over hen gesproken in vergaderzalen, beleidsnota’s en verkiezingsprogramma’s, maar de vraag wordt veel te weinig gesteld of zij zelf op een begrijpelijke en passende manier kunnen meepraten. Dat is niet alleen een gemiste kans. Het is een democratisch tekort.

Over de auteur

Elianne Demollin-Schneiders is gedeputeerde van de provincie Limburg, met onder meer bestuurlijke organisatie en vernieuwing en (jongeren)participatie in haar portefeuille.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Geen symbolische aanwezigheid

Dat moet anders. ‘Elke Limburger telt’, zo luidt het coalitieakkoord van de provincie Limburg. In dat kader organiseerde Limburg afgelopen november het eerste Provinciale G-debat van Nederland. Mensen met een verstandelijke beperking gingen daar zelf in gesprek met bestuurders over thema’s die hun dagelijks leven direct raken: openbaar vervoer, werk, scholing, daginvulling en politieke vertegenwoordiging. Niet vanuit symbolische aanwezigheid aan tafel, maar als deelnemers met eigen ervaringen, ideeën en oplossingen. Wat daar zichtbaar werd, was even eenvoudig als confronterend: als je de vorm van participatie aanpast, komt er kennis vrij die anders structureel buiten beeld blijft.

Dat zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn. Maar dat is het niet. Nog steeds is veel politieke en bestuurlijke communicatie te abstract, te snel, te talig en te ingewikkeld. Nog steeds zijn verkiezingen, inspraakprocedures en beleidsbijeenkomsten voor veel mensen moeilijk toegankelijk. En nog steeds vinden we het kennelijk normaal dat grote groepen burgers alleen mogen aansluiten als zij zich aanpassen aan een systeem dat niet op hen is ingericht.

De vraag zou andersom moeten zijn: waarom is ons systeem nog steeds niet ingericht op hen?

Daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen

Wie inclusie serieus neemt, kan zich niet beperken tot goede bedoelingen of warme woorden. Je moet ook bereid zijn de manier waarop we luisteren, vergaderen, beslissen en vertegenwoordigen fundamenteel te herzien. Niet omdat dat aardig is, maar omdat een democratie pas geloofwaardig is als ook mensen die extra ondersteuning nodig hebben daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op beleid dat hun leven bepaalt.

Daarom ben ik – samen met een afvaardiging van het Limburgse G-debat – op 27 augustus in Den Haag om het kabinet op te roepen een landelijk G-debat te organiseren. Niet als een eenmalig gebaar, maar als begin van een andere bestuurscultuur. Een cultuur waarin ook mensen met een verstandelijke beperking niet pas achteraf worden geïnformeerd, maar vanaf het begin meepraten. Waarin begrijpelijkheid geen gunst is, maar een democratische basisvoorwaarde.

We hoeven mensen met een beperking niet alleen beter te horen. We moeten eindelijk accepteren dat zij zélf het woord hebben.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next