Home

Ze haten de Grand Prix, maar dat mag je niet zeggen in Zandvoort. ‘Dan moet je hier niet gaan wonen’

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

De fysio zei dat ik veel moest fietsen, dus met mijn aars gehuld in lycra scheur ik nu door dezelfde duinen waar ik altijd hardloop. De fiets is twee maten te klein, wat niet erg is als je er boodschappen mee gaat doen. Maar naar Zandvoort en weer terug, ce n’est pas une sinécure, zoals ze daar zo mooi zeggen. Het wordt Zandvoort omdat het alternatief IJmuiden is. En ook omdat het daags na de formule 1 is en ik benieuwd ben hoe het dorp erbij ligt.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Het hobbelige fietspad dat vanaf het Bloemendaalse strand naar Zandvoort loopt, is verlaten. Er staat een zachte aflandige wind, waardoor de golven gracieus langzaam vallen, hun koppen helder wit in de ochtendzon. Op de parkeerplaats staan grote trucks met lege aanhangers. Ze moeten hun spullen ophalen bij het circuit, maar op de weg naar het dorp staat het vast met tientallen auto’s en busjes die precies hetzelfde komen doen. Een slungelige jongen, volledig gehuld in een Red Bull Racing-outfit, steekt het fietspad over. Hij heeft een digitale spiegelreflexcamera in zijn hand en maakt vanuit verschillende hoeken foto’s van de lege trucks. Voor in het plakboek.

Er ligt een hoop troep langs de weg en in de duinreep. Lege blikjes, verpakkingen, plastic bordjes met resten ravigottesaus. Bij de rotonde ga ik rechtdoor en ik moet een stuk over de weg omdat het fietspad langs de boulevard is afgesloten. Ik fiets langs de flatjes waar mijn ouders wonen, 100 meter van elkaar vandaan. Ze haten de Grand Prix, maar dat mag je niet zeggen in Zandvoort. ‘Dan moet je hier niet gaan wonen’, werd een inwoner van Zandvoort zaterdag geciteerd in de Volkskrant, ‘dat circuit lag er eerder’.

Overal, op elke hoek, in elk steegje, straatje en op elke tegel van de boulevard liggen herinneringen. Op de betonnen trappetjes die vanuit het station naar boven lopen brak ik ooit mijn pols bij het skaten. Er hangen zwart-wit geblokte vlaggen aan de gevels van de huizen waar mijn beste vriendjes woonden. De boulevard is vernieuwd, maar de straat die erlangs loopt bestaat uit dezelfde scheve, versleten klinkers als die waar ik elke zomer overheen fietste als ik naar mijn bijbaan op het strand ging.

Het circus wordt afgebroken en trekt verder. Een gezin met oranje rolkoffers staat op de stoep te wachten op een taxi. Aan de horizon doemt het einde van de zomer op. Niet lang meer voordat de strandtenten weer afgebroken worden en de strandpachters hun winterse onrust wegdrinken in verder lege cafés. Het is stil. De drommen mensen zijn verdwenen, het gieren van de motoren is slechts nog een herinnering. Je hoort de vogels weer en de branding. Mijn moeder appt. ‘De rust is terug.’

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next