Pepijn Schaeffer en zijn vriend verloren begin dit jaar hun huis en al hun goederen door de explosie in het centrum van Utrecht. Ze kregen veel blijken van medeleven – een onbekende bood ze tijdelijk onderdak. ‘Het scheelt dat we allebei niet thuis waren.’
is verslaggever van de Volkskrant.
Hij drukte zijn vriend weg, die hem belde tijdens een belangrijke vergadering op het gemeentehuis in Uithoorn. Vervolgens drukte Pepijn Schaeffer ook zijn schoonmoeder weg; ze belde vast om even te kletsen, dacht hij. Kort daarna zei een collega tijdens de vergadering: ‘Ik heb jouw partner in paniek aan de lijn.’
De telefoontjes waren op 15 januari van dit jaar, rond half vier in de middag. Toen Quinten de Vries eindelijk zijn partner Pepijn te spreken kreeg, riep hij door de telefoon: ‘Ons huis is ontploft! Echt waar, er is helemaal niks meer! De buurvrouw belde net: het dak is eraf en de vlammen slaan uit het huis.’
Sinds de explosie begin dit jaar in het centrum van Utrecht een aantal monumentale huizen verwoestte, woonden Pepijn Schaeffer (27) en Quinten de Vries (26) tijdelijk in Hotel Karel V en in het huurhuis ‘dat iemand met een groot, goed hart voor ons heeft geregeld’. De explosie zette hun levens op hun kop. ‘Pas bij het opstellen van de lijst goederen voor de verzekering, beseften we: echt álles is weg.’
Hoe reageerde jij toen Quinten het nieuws bracht?
‘Ik hoorde dat hij vanuit de auto belde, hij was onderweg van een werkafspraak naar het politiebureau in Utrecht. Omdat hij zo panisch klonk, zei ik: ‘Lieverd, ik pak mijn spullen en kom meteen jouw kant op.’ Maar ik kon het nog niet bevatten. Onze griffiemedewerker liet me online foto’s van een explosie in Utrecht zien.
‘Vol ongeloof wees ik naar haar scherm: ‘Volgens mij is dat ons huis, die plek waar geen dak meer is.’ Daarna belde ik mijn moeder: ‘Mam, niet schrikken, ik vertel straks wel wat er aan de hand is. Kun je me komen halen?’ Want ik was die ochtend met het openbaar vervoer naar mijn werk in Uithoorn gegaan.’
Waar ging je met je moeder naartoe? Want je kon niet naar huis.
‘Eerst gingen we naar mijn ouders’ huis in Mijdrecht, vandaar ben ik met mijn broer ook naar het politiebureau in het centrum van Utrecht gereden. Achter de poortjes in het bureau zag ik mijn schoonmoeder staan. In de hal waren deuren met geblindeerde ramen. Daarachter zat Quinten ergens, zei mijn schoonmoeder, hij werd over de explosie verhoord.
‘Toen hij naar buiten kwam, vielen we elkaar in de armen. ‘Alles is weg, alles is kapot’, huilde hij. Op dat moment drong door: we hebben echt niks meer. ‘Maar we leven nog’, probeerde ik hem gerust te stellen. ‘We hebben elkaar. En de rest zijn maar spullen. Alles is vervangbaar, behalve wij.’’
In deze serie interviews spreekt de Volkskrant met mensen die de afgelopen periode een grote verandering meemaakten.
Waarom werd Quinten verhoord?
‘Hij was de hoofdhuurder van het ontplofte huis in de Visscherssteeg, ik was anderhalf jaar daarvoor bij hem ingetrokken. De politie had hem gevraagd hoe laat wij het huis hadden verlaten en wat we die ochtend voor het verlaten van ons huis allemaal hadden gedaan of nagelaten. We waren allebei heel vroeg naar ons werk vertrokken, ruim 8,5 uur later was die explosie, dus het was wel duidelijk dat wij die niet hadden veroorzaakt. We hadden niks aan laten staan, behalve de vaatwasser. En vaatwassers veroorzaken geen explosie.’
Waren jullie op dat moment verdachte?
‘Dat gevoel hadden we op dat moment niet, maar het voelde wel ongemakkelijk. Achteraf denk je wel: waarom ga je iemand verhoren die net heeft ontdekt dat hij praktisch alles kwijt is?’
Heeft de politie opvang voor jullie geregeld?
‘Nee. We hadden contact met onze buurvrouw Noor, die werd opgevangen in Hotel Karel V. Daar zijn wij ook naartoe gegaan. Bij binnenkomst zat het helemaal vol met bekenden; alle buren van de Visscherssteeg, de Springweg, de Mariaplaats en alles eromheen zaten daar. Iedereen gaf ons een knuffel of een boks. Er hing een sfeer van ontreddering, maar ook van opluchting: we zíjn er nog.
‘De manager van dienst van het hotel had er een soort noodcrisiscentrum ingericht met eten en al. Dat was heel attent. Er werden ook kamers ter beschikking gesteld. ’s Avonds bleven de meesten, net als Quinten en ik, daar eten en overnachten.’
Konden jullie die nacht slapen?
‘Ja, want je zit er helemaal doorheen. Je praat de hele avond over iets heftigs met alle buren en ondertussen stromen de appjes van vrienden en collega’s binnen, die je allemaal wilt beantwoorden. En je realiseert je: het was puur toeval dat Quinten twee afspraken buiten de deur had, dat had heel verkeerd kunnen aflopen. Het was al diep na middernacht toen we doodmoe in bed kropen. De volgende ochtend word je wakker in een vreemd bed en trek je dezelfde kleren weer aan, want je hebt niks anders.’
Hoe troffen jullie de situatie de volgende dag aan?
‘Nou, dat was best lullig. Na het ontbijt gingen alle buren op de rampplek kijken, sommigen hadden nog een huisdier dat was achtergebleven. Op vertoon van hun paspoort mochten ze die onder politiebegeleiding ophalen. Op zo’n 100 meter van ons huis lagen overal de ramen eruit, dan weet je: het is echt goed mis.
‘Stukken van het afgezette gebied waren vrijgegeven, maar wij mochten er niet in. Ik had een discussie met een agent achter het afzetlint, want toen ik ons huisnummer noemde, zei hij: ‘Sorry, maar jouw verzoek kan ik niet inwilligen.’ Op de vraag waarom de buren en de burgemeester er wel heen mochten en ik niet, kreeg ik geen antwoord. Dat was enorm frustrerend.’
Wat heb je toen gedaan?
‘We gingen spullen kopen: noodkleren, een tandenborstel, echt de basics. En we legden contact met de verzekering. Wij zijn gelukkig goed verzekerd. Met onze werklaptops, het enige dat we nog hadden, gingen we in onze hotelkamer per vertrek een lijst aanleggen van spullen die je niet meer hebt. Van je bankstel tot en met de knoflookpers in je keukenla. Toen realiseerden we ons: de urn met as van Quintens vader is weg. Het militair insigne dat ik van mijn opa kreeg uit zijn legertijd is ook weg. Echt álles is weg. Je kunt een nieuwe bank kopen, maar sommige dingen zijn onvervangbaar. Dat doet pijn.
‘Na een paar dagen zei ik bij de rampplek tegen een dame van de forensische politie: ‘Ik heb nog geen enkele kans gehad om te gaan kijken, desnoods stuur je zes man politie met me mee, maar laat me voor mijn verwerking alsjeblieft even gaan kijken.’ Zij snapte het. ‘Ik ga het regelen’, zei ze, ‘maar je moet wel een bouwhelm op.’’
Wat trof je aan?
‘Bergen puin. Alles was bedolven, er was geen stukje straat meer te zien. Ons huis was een krater, niks stond meer overeind. De beveiligers hebben voor mij uit het puin nog een boekje gevist dat ik kreeg nadat mijn oma en opa waren overleden, en een oorlogshelm uit mijn verzameling. Die is door de explosie helemaal ingedeukt.’
Hoelang hebben jullie in het hotel gelogeerd?
‘Ongeveer twee weken. We kregen veel handgeschreven kaartjes. Vrienden stuurden een noodpakket naar het hotel met paracetamol, washandjes, pennen, sokken, dat soort dingen. Een buurvrouw kwam een maaltijd brengen, anderen nodigden ons uit om te komen eten. Een kapper die wij helemaal niet kenden, kwam vanuit Amsterdam persoonlijk een pakket afleveren met allerlei verzorgingsspullen voor ons: shampoo, deo’tjes, omdat hij zelf ooit brand had gehad en toen alles kwijt was geraakt. Superlief. In tijden van nood zie je de goedheid van mensen.’
Hoe hebben jullie dit nieuwe huis gevonden?
‘Een man mailde het hotel: ‘Ik vind het heel erg wat die jongens is overkomen, laat maar weten dat ik een etage heb die net leeggekomen is. Als ze willen, mogen ze vrijblijvend komen kijken.’ Heel fijn dat we voorlopig weer een eigen plek hebben waar we tot rust kunnen komen.’
Wat is de juridische situatie? Komt er een proces over de aansprakelijkheid?
‘Ik vermoed van wel. Na ongeveer zes maanden kregen we van de politie bericht dat het onderzoek was afgerond en dat de resultaten zijn overgedragen aan het Openbaar Ministerie. Daar hebben we tot nu toe nog niks van gehoord.’
Dus jullie weten nog niet wat de explosie heeft veroorzaakt?
‘Nee. We hebben natuurlijk wel een vermoeden, ook op basis van wat experts erover hebben gezegd. Bij werkzaamheden, het trekken van kabels bij de buren, is mogelijk een gasleiding geraakt. Daardoor zou de spouwmuur zijn volgelopen met gas. Dat kan verklaren waarom het hele huis weg is en er zelfs van de constructie niks meer over is. Maar dat is dus niet officieel bevestigd.’
Hoe gaat het nu met jullie?
‘Het scheelt dat we allebei niet thuis waren. Sommige buren die wél thuis waren, hebben er veel meer last van dan wij. Zij hoorden de klap, zagen het glas eruit vliegen en werden door de schok tegen de grond geslagen. Dat stukje psychische schade hebben wij gelukkig niet.
‘En het scheelt ook dat we 11 september gaan trouwen. Daar gaat veel aandacht en positieve energie naartoe. Dat is ook hoe wij in het leven staan: optimistisch, positief. We kijken vooruit en hopen op een mooie toekomst samen. Dat is nog dierbaarder geworden, na alles wat er is gebeurd.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant