Op 23 februari 2026 werd Rob Jetten beëdigd als premier. Hij was de jongste ooit, op dat moment 38 jaar, en ook nog eens de eerste openlijk homoseksuele minister-president. Voor zover ik weet heeft Jetten die beide zaken nooit uitgebuit. Hij werd niet het boegbeeld van alle jongeren, ook niet het merksymbool van die hele regenbooggroep. Man was toevallig redelijk jong en homo, en wat meer is: bovendien had hij die jarenlange politiek ervaring. Dat laatste was zijn grootse troef.
Het klinkt allemaal vanzelfsprekend, maar Jetten, en anders wel zijn campagneteam zullen ongetwijfeld hebben gedubd hoe ze de man zouden vermarkten. Jong en fris? Dat hoefde hij niet over zichzelf te vertellen, dat kon je als kijker zien, zeker in vergelijking met oudere politici. Die homoseksualiteit van hem, daar sprak hij wel over, zoals voorgaande premiers vaak hun vrouw ter sprake brachten. Maar een verkoopargument werd het nooit, en ook daar moet Jetten voor een groot deel zelf voor hebben gezorgd.
Ik heb het even nagezocht: de eerste ‘burgemeester van kleur’ die Nederland heeft gekend was Adolf Willem Storm van ’s Gravesande. Hij werd benoemd als burgervader in het Twente dorp Lonneker, in april 1859, dus één jaar voor er formeel een einde kwam aan de slavernij in Nederlands-Indië. Drie jaar later in 1863 kwam er officieel een einde aan de slavenpraktijk in de Nederlandse West-Indische gebiedsdelen.
Ik denk te weten dat deze Adolf Willem zijn bruine huidskleur in het geheel niet als een troef zag, eerder als een nadeel. Gelukkig kwam hij van vaderszijde uit een gegoede familie, al was zijn moeder een tot slaafgemaakte vrouw, en trouwde deze Adolf Willem ook nog eens met een telg uit een rijke, Twentse fabrikantenfamilie. Helemaal Ons Soort Mensen, al moest je wel voorbij dat ene ‘vlekje’ kijken.
In onze tijd is dat ‘vlekje’ bijna een verdienste geworden: bruin-zijn, zwart-zijn, het kan in de hogere echelons voordeel betekenen, om de diversiteit op te krikken. Zie het verhaal van Jason Arday, de zwarte hoogleraar in Cambridge die zelfmoord pleegde. Een stortvloed aan mediaberichten omringde hem bij leven en na zijn dood, ik schreef er zelf ook over. Probleem was dat Jason Arday zijn zwart-zijn als een groot pluspunt zag – en anders wel de Cambridge-commissie die hem aanstelde. Jason was geen politicus, zo iemand is qualitate qua de afgevaardigde van zijn politieke achterban. Maar een hoogleraar? Die staat toch voor zijn of haar discipline, de docenten en studenten van zijn vakgroep?
Het ingewikkelde is dat ook in het onderwijs, bij culturele instellingen en in veel mindere mate in Raden van Bestuur die extra-curriculaire kwaliteiten een rol spelen. Nee, zwart-zijn is op zichzelf geen kwaliteit. Maar als in een multi-etnisch land als het onze de top enkel vertegenwoordigd wordt door een witte club mannen en een enkele vrouw, krab ik ook achter mijn oor.
Hier het dilemma, voor zowel de sollicitant als voor de sollicitatiecommissie. In hoeverre is het rechtvaardig deze ene persoon tot vertegenwoordiger te maken van een veel grotere groep -volksvertegenwoordigers uitgezonderd? Moet ook buiten het politieke domein de sollicitant een representant zijn? Zit de witte rechter daar namens het witte volksdeel? Dat zou ontslag betekenen. Maar wordt van de zwarte of bruine rechter niet toch een extra gevoeligheid verwacht in kwesties van kleur en etniciteit? Dat is dan meteen ook een fijn afschuifmechanisme.
Ik moest glimlachen toen ik het interview las in deze krant met Eerste Kamerlid Gaby Perin-Gopie (Volt), die eerder bij het UWV werkte, waar jonge werkeloze mensen „vaak met mijn huidskleur” zich sterk met haar identificeerden. „Ik dacht steeds: ‘Wat is dat toch?’ Tot ik me realiseerde: oh, ik ben bruin.” In een ideale maatschappij is huidskleur een zaak die je vergeet. Dat is nog steeds onmogelijk. Maar ook bij mij, opgevoed door twee witte ouders, duurde het even voordat het gekleurde besef indaalde. Ik beschouw het nu als een gegeven, niet als een gift.
Moet de sociologische diversiteit voorrang hebben op persoonlijke kwaliteiten? Sta ik achter de slogan: ‘Stem op een vrouw’? Neen.
Een willekeurige vrouw is mijn stem niet waard. Die ene, overtuigende politica wel. En ‘bij gelijke geschiktheid?’. Glad ijs.