De Nederlandse overheid begint dinsdag een nieuwe ronde van de campagne om ouders te motiveren met hun kind te praten over smartphonegebruik. Dat kan niet vroeg genoeg, als het aan de staat ligt.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
De overheid benadrukt dat kinderen op steeds jongere leeftijd een smartphone krijgen. Ze bespreken vaak niet met hun ouders wat ze online tegenkomen. Uit een peiling onder kinderen tussen de 10 en 15 jaar, die is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, blijkt dat kinderen gemiddeld op 10-jarige leeftijd hun eerste smartphone krijgen. De helft van de kinderen zou weleens berichten zien waar ze ‘bang of verdrietig’ van worden.
De onderzochte kinderen noemen de sociale media TikTok en Snapchat als de plekken waar de kans het grootst is dat zij iets vervelends meemaken. Zij zouden zich vaak schamen om met hun ouders te praten over nare content die ze tegenkomen. Ook wordt angst voor boze reacties van de ouders genoemd als oorzaak.
Staatssecretaris Willemijn Aerdts (Digitale Economie en Soevereiniteit, D66) vindt dat smartphones en sociale media kinderen ‘veel kansen bieden’, maar waarschuwt dat ze ook risico’s met zich meebrengen, ‘zoals online pesten, verslaving en het zien van schokkende beelden’. Aerdts zegt ouders te willen ‘helpen’ met het begeleiden van hun kinderen.
Volgens de overheid is het cruciaal dat ouders al vroeg met hun kinderen praten over wat ze tegenkomen op sociale media, omdat zij minder controle krijgen over hun kind naarmate het ouder wordt. De invloed van leeftijdsgenoten wordt dan juist groter. Door vroeg in gesprek te gaan, zou het makkelijker moeten zijn op latere leeftijd dezelfde gesprekken te voeren.
Kinderen zouden zich bewust zijn van het belang van goede afspraken en gesprekken met hun ouders. De zogenoemde flitspeiling laat zien dat 89,4 procent van de onderzochte kinderen begrijpt waarom afspraken over smartphonegebruik belangrijk zijn. De helft stelde dergelijke afspraken fijn te vinden.
De campagne biedt ouders praktische tips om het gesprek aan te gaan met hun kind. Ouders zouden bijvoorbeeld open moeten zijn over hun eigen smartphonegebruik en ook aandacht moeten geven aan de positieve kanten van de smartphone. Daarnaast kunnen ouders gebruikmaken van een ‘afsprakenkaart’, waarop vragen staan die moeten helpen om een gesprek op gang te brengen.
Uit een peiling van vorig jaar, eveneens in opdracht van de overheid, bleek al dat 59 procent van de ondervraagde ouders zich zorgen maakt over de online veiligheid van hun kind. Veel ouders zouden niet weten hoe ze hun kind online goed moeten beschermen.
Wetenschapsjournalist Michaeleen Doucleff zei in juni in de Volkskrant dat het doel van ouders niet moet zijn om de schermtijd van hun kind te verminderen door bijvoorbeeld de telefoon in een keer af te pakken. Ze kunnen kinderen beter stimuleren om activiteiten te ondernemen. ‘Het doel is een rijker leven. Als kinderen activiteiten ontdekken die hun avontuur, autonomie en voldoening geven, wordt het scherm vanzelf minder belangrijk.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant