Nam in de vorige eeuw de overheid nog veel weerschade voor haar rekening, tegenwoordig wordt economisch verlies door klimaatverandering afgedaan als ondernemersrisico. Maar is dat wel verstandig?
is economieredacteur. Hij schrijft over het grote geld en corruptie.
Het ligt in de aard van verzekeraars om onheil te zien naderen, maar toch, ere wie ere toekomt. Het was het Duitse verzekeringsconcern Munich Re dat als een van de eerste bedrijven de dreigende economische schade van klimaatverandering onderkende. In het rapport Die Bedeutung der Umweltverschmutzung für die Versicherung uitte het bedrijf zijn zorgen over de ‘stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer’, die een ‘verandering van de opname van zonne-energie’ zou veroorzaken. ‘De te verwachten gevolgen voor de risico’s op de lange termijn zijn nog nauwelijks onderzocht.’
Dat was in 1973.
Sindsdien is het klimaat inderdaad nogal veranderd, en eigenlijk vrij exact op een manier die wetenschappers met hun modellen hebben voorspeld. Hogere temperaturen, meer extremen – en dus meer schade. En toch rijst ook deze zomer, met zijn verpieterende oogsten, branden en stokkende binnenvaart, nog steeds de vraag: wie gaat dat betalen?
De overheid? De gedupeerden? De verzekeringsmaatschappijen?
In de vorige eeuw nam de overheid nog veel weerschade voor haar rekening, maar toen de kosten na een paar gevallen van extreme neerslag in de jaren negentig begonnen op te lopen, was daar een liberale uitweg: meer eigen verantwoordelijkheid. Dat is het mantra gebleven.
‘Het uitgangspunt is en blijft dat een ieder zijn eigen risico draagt’, bevestigde VVD-minister van Justitie en Veiligheid Foort van Oosten vorig jaar in een Kamerbrief over eventuele financiële tegemoetkoming bij rampen. VVD-minister van Infrastructuur en Waterstaat Vincent Karremans zei onlangs dan ook dat binnenschippers en tuinders niet bij het kabinet hoeven aan te kloppen voor compensatie van de droogteschade. Hij noemde het ‘toch een beetje ondernemersrisico’.
En risico, daar kun je je tegen verzekeren, is het idee.
Uit een verkenning van een aantal ministeries in 2024 bleek dat ‘het overwegende deel van de klimaatschade in Nederland redelijkerwijs verzekerbaar is’. Dat geldt voor schade als gevolg van wind, hagel, natuurbranden, bliksem, sneeuw, vorst en ijzel. Ook waterschade, in de vorm van extreme regen of overstromingen van zogeheten secundaire waterkeringen, is sinds 2020 opgenomen in de dekkingsvoorwaarden van opstal- en inboedelverzekering. Volgens het Verbond van Verzekeraars is ruim 90 procent van de particuliere huishoudens hiervoor verzekerd, en 75 procent van de bedrijven.
Maar sommige risico’s zijn onverzekerbaar. Doorbraken van primaire waterkeringen, zoals de duinen, waardoor grote stukken land onder water zouden komen te staan en waarvan de schade in tornado-scenario’s wordt geschat op zeker 50 miljard euro, zijn te groot voor de verzekeraars. Rottende funderingen als gevolg van droogte (zakkend grondwater) vereisen een langjarige spaarpot. Ook indirecte gevolgen voor bedrijven, zoals logistieke haperingen, zijn nog niet altijd af te dekken.
‘De schade door langdurige droogte en hitte is door ons eigenlijk niet te verzekeren’, zei topvrouw Bianca Tetteroo van de Nederlandse verzekeraar Achmea vorige week. Bij collega-verzekeraar ASR zeggen ze ook dat er naar andere oplossingen moet worden gezocht.
‘Niet alle risico’s zijn onbeperkt verzekerbaar’, zegt schade-expert Erik Heijkamp van ASR. ‘Verzekeren werkt het best wanneer risico’s voldoende voorspelbaar zijn en over een grote groep kunnen worden gespreid. Naarmate schade vaker voorkomt, omvangrijker wordt of een heel groot gebied tegelijkertijd raakt, neemt de uitdaging toe. Dit geldt zowel voor directe klimaatschade als voor indirecte gevolgen, zoals verstoringen in logistieke ketens of afhankelijkheden elders in de economie.’
Wie naar de schadecijfers kijkt die het Nederlandse Verbond van Verzekeraars bijhoudt ziet hoe grillig het veranderende klimaat zich laat gelden. Pieken en dalen wisselen elkaar af zonder duidelijk patroon, met verschillende verschijningsvormen van extreem weer als aanjager. De hagel van 2016, de storm van 2022, de neerslag van 2023. Stormen nemen ruim de helft van alle (verzekerde) schade voor hun rekening. In 2022, het ‘topjaar’, bedroeg de totale schade bijna een miljard euro.
‘Het is grillig, maar over een langere periode bezien nemen de klimaatgerelateerde schades toe’, zegt Heijkamp.
Wat opvalt in de cijfers van de verzekeraars is dat droogte daar niet expliciet bij zit. Dat komt omdat de cijfers afkomstig zijn van de inboedel- en autoverzekeringen. De indirecte gevolgen van droogte zijn in de klimaatschademonitor niet terug te zien.
Daarbij komt dat een belangrijke klimaatgevoelige sector helemaal niet in de cijfers zit: de land- en tuinbouw. En die heeft nogal wat te stellen met het extreme weer.
‘We krijgen volop claims binnen’, zegt Gert Jan van Dijk van de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij AgriVer. ‘Onze taxateurs zijn elke dag op pad.’ AgriVer is een verzekeringscoöperatie van agrarische ondernemers, die druk doende is om te kijken hoeveel schade de gewassen van de leden hebben ondervonden van de hagel en de droogte van de afgelopen maanden. ‘Maar de totale schade weten we pas aan het eind van het jaar.’
AgriVer en de Europese coöperatie Vereinigte Hagel waren de afgelopen jaren in Nederland de enige twee aanbieders van de zogeheten Brede Weersverzekering, een dekking voor boeren tegen allerlei vormen van extreem weer. De verzekering is een uitvloeisel van het eigen-verantwoordelijkheidsdenken. Nadat de landbouwsector in de jaren negentig nog vrij ruimhartig was gecompenseerd voor schade door overvloedige regen, wilde de overheid dat de boeren zelf aan risicomanagement gingen doen.
Dat alleen coöperaties – eigendom van de leden, zonder winstoogmerk – dat aandurven, is een teken aan de wand. ‘Commerciële aanbieders vinden dit best eng’, zegt Van Dijk. ‘Een beursgenoteerde onderneming moet rendement halen’, zegt directeur Jan Schreuder van Vereinigte Hagel.
De Brede Weersverzekering bestaat sinds 2010. Omdat een voorloper ervan niet aansloeg, kwam er een subsidie om de boeren tegemoet te komen bij de premiebetaling. Alleen: het daarvoor bestemde potje van 17,5 miljoen euro is al acht jaar niet meer opgehoogd. Dat vinden de telers en verzekeraars onbegrijpelijk. Want er is inflatie en de waarde van de te verzekeren teelt neemt toe. En door het vaste plafond is de subsidie die de Nederlandse boeren krijgen lager en onzekerder dan wat ze in omringende landen krijgen.
Want ook al belooft uitkeringsinstantie RVO een maximale subsidie van 67 procent, in de praktijk krijg je aan het einde van het jaar meestal minder dan 50 procent, zegt Van Dijk. ‘Dat kan een paar duizend tot enkele tienduizenden euro’s schelen, afhankelijk van teelt en verzekerd areaal. Dat is nogal wat, in een sector waar de marges klein zijn.’
Naarmate er meer gegadigden zijn, wordt de spoeling dunner. En die onduidelijkheid, gecombineerd met een hoog eigen risico, leidt ertoe dat veel boeren er niet aan willen. In Nederland hebben 2.500 boeren en tuinders zo’n polis, slechts zo’n 15 procent van het totaal.
‘Er zijn dit jaar dus jammer genoeg nogal wat onverzekerde agrariërs die zwaar getroffen zullen worden door de droogte’, zegt Schreuder.
Ja, zegt hij, het is de eigen verantwoordelijkheid van de boer om die polis wel of niet af te sluiten. Maar de paradox is dat deze verzekering, bedoeld voor meer zekerheid, financiële onzekerheid creëert: hoeveel subsidie krijg je terug?
‘Je kunt zeggen: 50 procent subsidie is al heel genereus’, zegt Van Dijk. ‘Maar het is in het collectieve belang om te voorkomen dat boeren en tuinders ten onder gaan door slecht weer.’ Vereinigte Hagel-directeur Schreuder: ‘Bovendien krijgen ze in Frankrijk en Italië wel 70 procent. Dat creëert een ongelijk speelveld.’
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zegt in een reactie dat het budget van de subsidie, die grotendeels uit Brussel komt, inderdaad de laatste jaren gelijk is gebleven. ‘Er wordt op dit moment niet echt gesproken om dit op te hogen. Dan zou het ministerie daarvoor budget moeten aanwenden.’
Dat zou een politiek besluit zijn, maar subsidie verstrekken aan boeren ligt politiek niet echt lekker. Het budget van het potje is nooit onderwerp van Kamervragen geweest.
Het is alleen de agrarische sector gelukt tot zo’n coöperatieve weersverzekering te komen. In de horeca en de bouw, waar ook pogingen zijn gedaan om schade door extreem weer (omzetderving, stagnatie) te verzekeren, is dat niet gelukt. Zo’n verzekering zou met dermate hoge premies en eigen risico gepaard gaan dat er te weinig belangstelling was. De sectoren kwamen tot de conclusie dat hun klimaatrisico’s dus ‘onverzekerbaar’ zijn.
Ook de glastuinbouw, die deze zomer zo veel last had van de droogte, heeft niet zoiets als een Brede Weersverzekering voor de gewassen (commerciële aanbieders bieden sowieso geen dekking tegen droogte aan). Er zijn wel pogingen gedaan, naar de onderlinge solidariteit bleek niet groot genoeg. ‘In de praktijk blijkt het ene bedrijf gevoeliger voor schade door weersomstandigheden dan het andere’, zegt een woordvoerder van Glastuinbouw Nederland. ‘En de meeste bedrijven hebben zelf maatregelen genomen om de extreme droogte op te vangen. Ze hebben een eigen bron of een eigen reservoir. Bovendien staan Nederlandse telers bekend om hun efficiënte waterverbruik. Kortom, De glastuinbouw heeft geen behoefte aan een dergelijke verzekering.’
Dat de bodem van zulke reservoirs afgelopen zomer in zicht kwam en bij sommige telers tot grote paniek leidde, is dus een gevolg van hun eigen keuze. Ondernemersrisico, zoals minister Karremans het noemde.
De verzekeraars intussen hameren op maatregelen om klimaatschade zoveel mogelijk te voorkomen in plaats van te genezen. ‘Verzekeren alleen is niet voldoende wanneer risico’s toenemen’, zegt Mariska van Donge, hoofd sustainability bij ASR. ‘Aanpassing aan de realiteit van klimaatverandering is essentieel. Preventie en adaptatie helpen om schade beheersbaar en verzekeringen toegankelijk te houden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant