Home

Ronald Kremer laat het ebolacentrum in Congo achter zich: ‘Ik heb geen risico gelopen, dat weet ik honderd procent zeker’

De laatste dagen voor zijn vertrek stort medisch coördinator Ronald Kremer zich op de patiëntenzorg in het ebolacentrum in het Congolese Beni. Een zwangere vrouw gaat hard achteruit. ‘Ze is heel onrustig en benauwd. Het is vreselijk om te zien.’

is buitenlandredacteur van de Volkskrant.

‘Bij de triage stond een moeder met twee kleine kindjes, die waren doorverwezen vanuit een lokale kliniek. Ik dacht: mijn hemel, hoe gaan we dat aanpakken. Het was een tweeling van twintig maanden oud met koorts, diarree, overgeven en geen eetlust. De moeder was gezond, net als haar zes andere kinderen. Er was geen duidelijke aanwijzing dat ze contact hebben gehad met iemand met ebola.

‘Ik heb heel lang gesproken met de twee dokters die de triage hadden gedaan over wat we moesten doen. Stel dat de kinderen ebola hebben, dan vergroot je het risico voor de vrouw door haar in dezelfde kamer te plaatsen. Het liefst zou je iemand die ebola heeft overleefd vragen om met de kinderen opgenomen te worden en voor hen te zorgen. Maar daar zijn er heel weinig van. Uiteindelijk hebben we in overleg met de moeder besloten om haar samen met de twee kinderen op één kamer op te nemen. Het voelde goed om ze niet uit elkaar te halen.

Eerste patiënt

‘Ik ben ook weer langs geweest bij de patiënt die als allereerste werd opgenomen, een jonge vrouw van 23 jaar. Ze was al heel ziek toen ik haar zag in de triage en ze is bijna vijf maanden zwanger. In eerste instantie dachten we dat ze wat opknapte, maar dat bleek niet waar. Het lukt nauwelijks meer om contact met haar te maken. Soms zegt ze onbegrijpelijke dingen. We hebben de uitslag van haar ebolatest nog niet, maar die is ongetwijfeld positief.

Medisch coördinator Ronald Kremer (64) doet deze zomer voor de Volkskrant verslag vanuit een ebolakliniek van Artsen zonder Grenzen in de stad Beni in de Democratische Republiek Congo. Dit is de laatste aflevering.

‘Het zijn rare dagen. Aan de ene kant ben ik bezig met het ontvangen van patiënten, met medewerkers praten en dingen uitleggen en bijsturen. Aan de andere kant moet ik me voorbereiden op mijn vertrek. Ik wist van tevoren dat ik hier een maand zou zijn, maar ik heb het gevoel dat ik echt nog wel twee weken door kan. Dat maakt het moeilijker.

‘Ik heb een paar weken geleden voorgesteld dat we wat aandacht besteden aan medewerkers die vertrekken. Sommige mensen zijn hier twee maanden, anderen twee weken, maar iedereen heeft zich uit de naad gewerkt. Beneden in het hotel is een soort bar, of eigenlijk een ruimte met een koelkast met bier. We hangen daar wat ballonnen op en een waslijn met voor iedereen die vertrekt een A4’tje met een of twee zinnen die op hem of haar slaan.

‘Een paar dagen geleden was het mijn beurt. Toen ik beneden kwam stond in de bar een hartstikke wankel kamerscherm uit de kliniek, dat ik had afgekeurd maar tot mijn steeds grotere ergernis overal bleef opduiken, met drie ballonnen eraan. Ik moest enorm lachen.

Verdrietig

‘De laatste ochtend voor mijn vertrek was heel verdrietig. Dat ik over een paar uur weg moest, zat de hele tijd in mijn hoofd. Ik ging bij de tweeling kijken en zag twee ventjes met een kleine lach op hun gezicht bij moeder op bed. Ze hadden allebei wat gegeten en ze waren beweeglijk. Ik verwacht dat ze negatief getest gaan worden.

‘Toen kwam ik bij die jonge vrouw en die was er hartstikke slecht aan toe. Ze was heel benauwd en onrustig. Ze zat half op de rand van het bed. Ik was bang dat ze eruit zou vallen. Ze accepteerde geen zuurstof meer en ze had haar infuus eruit getrokken. Het was vreselijk om te zien. Ze had ook wat vaginaal bloedverlies, dus er was mogelijk een miskraam in gang.

‘Ik had in de voorschriften opgenomen dat ik palliatieve zorg belangrijk vind, maar dat is hier een gevoelig onderwerp. Ik heb het medisch team bij elkaar geroepen voor overleg en gezegd dat ik wilde dat ze morfine krijgt, zodat ze hopelijk wat rustiger wordt en minder last heeft van haar benauwdheid. Gelukkig was eigenlijk iedereen het ermee eens. Misschien is mijn laatste goede daad hier geweest dat we haar vijf milligram morfine hebben gegeven.

‘Toen ik in het kantoor stond om wat laatste dingen te pakken, werd ik gebeld dat ze inderdaad positief getest was. Ik ben nog heel even bij haar langs geweest. Ze lag te slapen. Ik weet dat het niet goed gaat aflopen, maar toch is het mooi om te zien dat ze niet meer zo onrustig en bang is. Ik hoop dat ze niet te hard hoeft te strijden.

Quarantaine

‘We werden uitgezwaaid door een aantal bevriende collega’s. Ik kreeg tranen in mijn ogen. Je hebt zo intens met elkaar samengewerkt en dat moet je ineens afsluiten. Het is alsof je een stukje van jezelf achterlaat. In de auto naar het vliegveld voelde ik me leeg. Gelukkig reis ik samen met Marius, mijn fijne collega uit Litouwen.

‘We vliegen eerst naar Bunia, de hoofdstad van de provincie Ituri, waar de autoriteiten na een gesprek bepalen of we in quarantaine moeten voor we het land mogen verlaten. Ik heb geen risico gelopen, dat weet ik honderd procent zeker. Niet in het ebolacentrum en niet daarbuiten. Als ik een lokale kliniek bezocht, ging ik niet de afdelingen op en raakte ik niks aan.

‘Het is een heel raar idee dat ik over een paar dagen op de spoed in Deventer sta. Ik heb één dag vrij. Dan ga ik op bezoek bij mijn moeder. Ik kijk er echt naar uit om haar even vast te houden.

‘Ik wil graag weten hoe het verder gaat met die twee kleintjes. Ik ga proberen het ebolacentrum daarna los te laten. Ik ben trots op wat we de afgelopen maand hebben neergezet, maar in mijn hoofd zitten heel veel zorgen over hoe de uitbraak zich gaat ontwikkelen. Er moet nog zoveel gebeuren om dit op een of andere manier ten goede te keren.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next