Broer en zus zijn alleen thuis als er ineens een hele familie op de stoep staat: Tarjei Vesaas weet wel raad met zijn personages. Maar waar zijn die ouders toch?
De grote Noorse schrijver Tarjei Vesaas (1897-1970) was zijn leven lang gefascineerd door het klassieke beeld van de vreemdeling die op de deur klopt bij een besloten gemeenschap. In zijn meesterwerk De vogels is het een houthakker die met zijn komst de symbiotische relatie tussen een broer en een zus verstoort. In De kiem arriveert een psychisch gestoorde man op een klein eiland, waarna er al snel een meisje dood wordt aangetroffen.
In het nu vertaalde Lentenacht (oorspronkelijk in 1954 verschenen) staat er niet één vreemdeling op de stoep, maar een hele familie. Juist op de avond dat de ouders van de 14-jarige Hallstein en zijn twee jaar oudere zus Sissel niet thuis zijn. Een oudere man en zijn bazige zoon eisen een onderkomen op voor een vrouw die op het punt staat te bevallen. Achter hun rug roept een lieftallig meisje dat haar broer en haar vader ‘heus aardig’ zijn. En in de auto die met pech onder aan de heuvel staat, blijkt nog een vrouw te zitten die niet meer kan lopen. Ook voor haar zoeken de mannen een kamer en een bed.
Zo legt deze vreemde, Flodder-achtige familie beslag op het afgelegen huis en de twee kinderen moeten er maar een oplossing voor zien te vinden. Vesaas is op z’n best als hij laat zien hoe complex de gevoelswereld van Hallstein en Sissel is. Aan de ene kant dreigt de hulpeloosheid, aan de andere kant vinden ze het geweldig dat ze worden meegesleurd ‘door deze onverwachte golf van gebeurtenissen’.
Sissel loopt te redderen en te regelen, Hallstein fietst met de dominante zoon door de stromende regen naar het dorp om de vroedvrouw te waarschuwen.
Dat lukt. De vroedvrouw komt en later die nacht wordt het kind geboren in het bed van de afwezige ouders. Tegenover dit grote geluk staat de strijd tussen de oudere Hjalmar, die onophoudelijk met zijn armen loopt te ‘fladderen’ (het woord komt op bijna iedere pagina voor), en zijn verlamde vrouw Kristine, die doet alsof ze niet meer kan spreken.
Deze Kristine geeft een pijnlijk staaltje van emotionele chantage ten beste als ze Hallstein voor haar karretje probeert te spannen. Hij moet haar helpen als de mannen haar kwaad willen doen, hij mag haar niet in de steek laten en hij moet haar dit allemaal nadrukkelijk beloven: ‘Je moet vannacht in alle opzichten mijn kant kiezen.’
Het is natuurlijk veel te veel voor een jongen die nog niet eens op de drempel van volwassenheid staat. Maar Hallstein belooft de vrouw te helpen, tot woede van de fladderende Hjalmar en diens door een oorlogstrauma beschadigde zoon. Het bevallige meisje blijft ondertussen volhouden dat de twee mannen ‘heus aardig’ zijn.
Opmerkelijk is dat de ouders geen enkele rol spelen in dit verhaal. Zo goed als Vesaas zich kan verplaatsen in de denk- en gevoelswereld van de twee kinderen, zo afwezig zijn de ouders in die innerlijke wereld. Dit moet dus wel een bewuste keuze van de schrijver zijn geweest. Alsof de kinderen zo worden opgeslokt door wat hun overkomt dat ze geen moment aan hun ouders denken. Of dat ze het juist stoer vinden dat zij dit alles zelf moeten én kunnen oplossen.
Het maakt dit op zich eenvoudige verhaal tot een betekenisvolle initiatie. Het is ook niet voor niets dat er naast de geboorte ook sprake is van een sterfgeval en dat er meerdere partijen zijn die de kinderen ‘testen’ op hun vermogen om de situatie tot een goed einde te brengen.
Tegelijkertijd is het een verhaal over een broer-zusrelatie die onder spanning komt te staan. Wat doet denken aan het drie jaar later verschenen De vogels, want Hallstein heeft net als de licht autistische hoofdpersoon in die roman grote moeite om zich tot de wereld van de volwassenen te verhouden. Beide figuren trekken zich liever terug in een natuur die vol geheime tekens zit en waarin ze zich geborgen voelen. Een levenshouding die Vesaas overigens niet alleen voor zijn mannelijke personages bewaart, want iets soortgelijks geldt ook voor het dromerige meisje Unn in Het ijspaleis en zelfs voor de vermoorde Inga in De kiem.
Keer op keer lijkt Vesaas het op te nemen voor personages, kind of volwassen of iets daartussenin, die heen en weer worden geslingerd tussen hun innerlijke droomwereld en de buitenwereld die hardhandig een beroep op hen doet. In zijn latere boeken gaan zijn personages vaak aan deze tweestrijd ten onder, in Lentenacht stappen de kinderen na een nacht vol avonturen zonder al te veel kleerscheuren over die lastige drempel.
Dat zelfs op de laatste pagina geen sprake is van thuiskomende ouders, is veelzeggend. Die zijn blijkbaar niet langer nodig.
Tarjei Vesaas: Lentenacht. Uit het Noors vertaald door Marin Mars. Oevers; 218 pagina’s; € 22.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant