Home

Een ode aan de regen

Er stak een koude wind op, de hemel werd grijsgroen. Twee houtduiven fladderden dicht tegen de boomstam aan, een vlinder vouwde zich in de schors, een kruisspin drentelde bezorgd over haar web. Ik wilde het schuifraam al dichtdoen, maar een plotselinge, vochtige windvlaag bracht een geur, de geur van regen – en ik bedacht me. Ik moest verslag doen van dit fenomeen, dat duizend keer zeldzamer leek dan een eclips. Ik schoot in mijn regenjas en ging naar het bos.

Buiten was het parfum nog sterker, het mossige van rot en bloei. Wetenschappers, in de tijd toen die nog dichters waren, hadden die geur ooit petrichor genoemd: het godenbloed der stenen. Zo rook het precies, ja. De hoop van een nieuw schooljaar met nieuwe agenda’s en versgekafte schoolboeken. Met net iets meer melancholie dan normaal, iets wrangs van natte hond en herfstrot.

De eerste regendruppel valt altijd precies in je nek. Ik zette de capuchon op. De regen sloeg maankratertjes in het zandpad, klopte nog meer geuren los. Een kruidige muntgeur steeg op uit het gras, de bramenkoepels roken naar winegums en rabarber. Het leek alsof alle parfums extra sterk werden verneveld. Ik snoof aan de esdoorn, die ik niet eerder geroken had: iets kazigs, en iets van jonge sprinkhaan.

De regen tokkelde op mijn capuchon, weekte herinneringen los aan totaal verregende kampeervakanties – de mooiste. Het geroffel op het gebladerte zwol aan, langs de nekken en de halzen van de essen en de wilgen gleden waterstroompjes. Ze verfden schors donker, klaterden over boomwortels, vormden blije vrije riviertjes in het zand. Plassen welden op als bronnen. De regen spetterde als een baby in een badje en alom klonk er dankbaar geslurp.

We zeiden ‘donkere wolken pakken zich samen’, of we zeiden ‘ik zie de bui al hangen’. We demoniseerden de regen als overlast, een hinderlijke nattigheid die we gauw afvoerden naar zijn eigen land. Regen zagen we als blauwe piek in een grafiek die zei dat we binnen moesten blijven. Maar onze spreekwoorden en onze apps kloppen niet meer, na deze zomer.

Ik likte wat regendruppels op. We moeten de regen rehabiliteren. Regen is leven, regen zet steden op adempauze, regen brengt mensen samen onder luifels, samen betoverd door de spetterende spiegelstad. Regen veegt bossen leeg, je bent even alleen in een nevelwoud, waar de vogels zwijgen terwijl de blote kosmos zingt onder de douche. Waar duizenden bomen dansen en zingen en in plassen stampen, opgezweept door duizenden driftige drummertjes die maar doorratelen en doorroffelen – tot het opeens trager gaat. En stopt.

Dan komt het mooiste van de regen. Het nasijpelen, het trage tikken. Alleen nog af en toe een komisch ploink ploink of een huppelend ting tingting. Dan pas begint de echte voorstelling. Het wolkengordijn opent, het spotlicht gaat aan, alles van kristal. De korstmossen knallen in lichtgevend groen en geel, de mossen zijn fonkelend fluweel. De zon schijnt op de aarde, nevels stijgen op. Nu pas komt de geur echt vrij.

De geur van petrichor is extra sterk als het regent na een lange droogte, de bodem spaart alles op. Dit jaar was bovendien zo droog, dat de herfst al vroeg was begonnen – een valse herfst heet dat, als de bomen zo dorstig zijn dat ze om water te besparen hun blad in augustus al laten vallen. Bomen kunnen niet vluchten voor droogte, om te overleven verschuiven ze van seizoen.

Dus was er nu een springtij van geur. Ik rook karamel en mos, paddenstoelen en bosbessensap, vergeelde Donald Duckjes op zolder, dor gras. Het was alsof het bos en de regen een sterke thee getrokken van deze gortdroge zomer. In deze thee zat alles wat we hadden meegemaakt. Rivieren die dorst hadden, vluchtende Europeanen, kapotte seizoenen, kapotte rivieren, oplaaiende oorlogen en spreekwoorden die niet meer klopten. Een zomer waarin we leefden als verbaasde, verdwaalde migranten op een dorre vlakte. En toch maakte de geur blij, was er een boventoon van hoop.

De menselijke neus kan geosmine, het hoofdbestandsdeel van petrichor, al ruiken bij concentraties van ongeveer 5 deeltjes per biljoen, las ik, we kunnen water in de lucht beter ruiken dan haaien bloed. Naar het schijnt hadden onze verre voorouders die vaardigheid nodig om te overleven, als ze zwervend op de steppe hun richting moesten bepalen. Deze regengeur verbindt ons met hen, het is de geur van opluchting, van regen, nieuw begin, van rivier in wording. Inhaleer diep, dan kun je niet anders dan denken: we hebben erger meegemaakt, wij zullen ook dit overleven.

Natuur en milieu

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next