Home

Wie leert er nog een gedicht hardop uit zijn hoofd? Probeer het eens, als tegenwicht tegen de aandachtsversnippering

Sinds ongeveer een jaar zit Willem Pije, helemaal niet zo’n geoefende poëzieliefhebber, al prevelend gedichten uit zijn hoofd te leren. Als recept tegen de afleiding die hem bespringt, maar ook: om de taal zinnelijk te maken.


De cel waarin de middeleeuwse monnik zich over de Bijbel of een kerkvader boog, was geen oase van pure stilte. Er kwam gezoem uit voort, een aanhoudend, kabbelend gemompel van iemand die aan zichzelf een tekst voordraagt.

Kloosters werden in die tijd wel vergeleken met stallen, waar monniken als koeien kauwden op woorden. ‘Het is aangenaam dit alles te herkauwen. Mijn ingewanden vullen zich, mijn innerlijk verzadigt zich en heel mijn gebeente bloeit in een lofzang op’, schrijft Bernardus van Clairvaux (1090-1153) over zijn lezing van het Hooglied.

Lippen en stem deden mee, maar ook de rest van het lichaam. De torso wiegde mee met de cadans van een zin, of de benen vielen al ijsberend samen met het ritme. Een sterk gestel was een vereiste.

Willem Pije schreef voor onder andere De Reactor, Tirade en de Varagids.

Later werd lezen zonder tussenkomst van de eigen stem langzaam de norm, om vervolgens deze eerdere methode bijna volledig te verdringen. Voor de meesten van ons is het vooral een oefening om gedrukte letters zo snel en direct mogelijk om te zetten in dezelfde stof als onze gedachten.

Dit is een verlies. Sinds ongeveer een jaar zit ik al prevelend gedichten uit mijn hoofd te leren. Zoals van Nijhoff:

Wat is ’t dat in zijn zak Awater zoekt?
Het is een boekje van marocco groen.
Het is een schaakspel nu hij ’t opendoet.

Behalve dat de oefening leidt tot een verhoogd taalplezier en verbazing over wat mijn geheugen blijkt te kunnen, voelt die soms als een stuwwal in een wereld waarin taal en mens steeds verder van elkaar onthecht raken.

Afleiding

Deze nieuwe gewoonte hangt samen met een sinds lang sluimerend gevoel van onvrede. Steeds meer mensen raken ervan doordrongen: onze wereld is meer en meer zo ingericht dat activiteiten die aanhoudende aandacht vereisen moeilijker tot wasdom komen.

Afleiding is natuurlijk van alle tijden, maar de intensiteit van de verleiding is opgeschroefd en bovendien een verdienmodel geworden. Ik lees en schrijf graag, maar bescherm deze activiteiten voortdurend tegen ‘even kijken’ of ‘even opzoeken’ – vaak het startsein van verdere afdwaling. Ik wapen mezelf, ik verwijder sociale media, ik leg mijn telefoon in een andere kamer. In plaats van door X scrol ik nu regelmatig doelloos door webpagina’s van regionale omroepen, van Rijnmond tot RTV Oost.

Als er in Lelystad een nieuw buurtcentrum wordt geopend, ben ik erbij, virtueel. Ietwat hyperbolisch verwoord: het is leven onder constante dreiging. Voordat de eerste bom valt, is daar het gebrom van de naderende Luftwaffe al. Weer twee uur weg, niets wijzer.

Awaters ogen kijken koel en stroef.
Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.

De filosoof Ivan Illich schreef in In the Vineyard of the Text (1991) over middeleeuwse boekdrukkunst en leestechnieken. Hij plaatst de troep mompelende monniken, weggestopt in hun klooster als een burcht ergens op het nog halfwilde platteland, in een lange traditie. Alhoewel de nadruk door de eeuwen heen verschoof, is de kernkwestie van deze traditie redelijk stabiel: hoe word ik een goede burger (van de republiek, het Rijk Gods en/of de wereld) en hoe draag ik deze kennis vervolgens over?

Het dagschema en curriculum van de monnik waren een poging deze vraag te beantwoorden. Een specifieke leespraktijk was hiervan een belangrijk onderdeel. Men was constant teksten aan zichzelf en aan elkaar aan het voorlezen.

Deze oefening, van opzeggen en luisteren, werd soms verbeeld als een woud om doorheen te lopen, je oren in te spitsen en goed in rond te kijken. Er was de kans dat je op zoete vruchten stuitte, die je dan ter proviand uit je hoofd leerde om er later, als de relevantie zich aandiende, op terug te kunnen vallen.

Kwam op mij best knus over.

Middeleeuws gefantaseer

Frustratie over een versnipperde aandacht en middeleeuws gefantaseer vormen de context waarin de oefening opkwam. De uiteindelijke vonk was een concreet verlangen, begon met ‘Het had geonweerd en de straat was nat’, de openingsregels van het gedicht Na een onweer van Vasalis, waarin ‘plechtig trad/ een duif en koerde als een kind, maar droever’.

Ik las ze en wilde ze houden. Ik hoopte dit te bereiken door ze enkele keren hardop aan mijzelf voor te dragen. De regels bleven verrassend makkelijk hangen. Mijn geheugen werd geholpen door de onomatopeïsche assonantie van de oe’s en door de d waarop een zachte f volgt, gespiegeld door de d met de scherpere v even verderop.

Jaren daarvoor had ik tijdens een wandeling, ergens tussen Oosterbeek en Arnhem, samen met een vriendin Bloems Domweg gelukkig in de Dapperstraat uit het hoofd geleerd. Dit was een eenmalig incident, dat in mijn herinnering vooral werd verankerd door de tweede regel van de tweede strofe, met zijn vier heel harde k’s, waartussen a’s zich zowel lang en kort uitstrekken: ‘de in kaden vastgeklonken waterkant’.

En dan de ‘klonk’, die klinkt als een bubbel die van diep komt en op het wateroppervlak openbarst.

In de tweede strofe van Vasalis’ Duif raakte ik overigens verstrikt, met zijn bomen die op allerhande manieren worden getypeerd: groen, afzonderlijk, zo vol, zo wonderlijk en in zichzelf volledig opgericht. Hier was meer geduld en wilskracht nodig en begon een meer methodische aanpak.

Alhoewel, het is eigenlijk heel simpel. Ik herhaal enkele regels hardop tot ik ze kan opzeggen. Een uur of een dag later probeer ik het opnieuw, blijk ik driekwart vergeten te zijn, maar blijft er weer wat meer hangen. Dit herhaal ik tot ik verder kan naar de volgende strofe of het volgende gedicht.

Tijdens het leren van Nijhoffs Het veer sloeg ik dagen stuk op een veerpont die drijft ‘over den telkens in den waterweerschijn/ donkerder avondhemel naar een doel’.

Ik lig op de bank terwijl ik dit doe, zie een ekster rondhoppen in de Japanse notenboom waar ik vanuit mijn huiskamer op uitkijk. De radio schakel ik ervoor uit en ik hoor tussen het geprevel door vooral kindergegil dat binnendrijft via de slaapkamer die grenst aan een speeltuin.

Luistercollege

En wat brengt het me? Weinig wat in klinkende munt kan worden omgezet, niet in letterlijke zin, noch in de omgang met de medemens. In zijn Gedachten wenst de dichter en satiricus Leopardi (1798-1837) de beschaafde wereld te kunnen zuiveren van de afkeurenswaardige gewoonte literair werk voor te dragen aan vrienden en kennissen, zoals Cervantes Spanje zuiverde van de riddermythe.

Hij eindigt zijn betoog met de aankondiging dat kennissen van hem binnenkort een ‘luistercollege’ zullen openen, waar eenieder bij wie woorden op de lippen branden voor een schappelijk bedrag een publiek kan inhuren dat naar hem luistert. Voor poëzie wordt een meerbedrag gerekend.

Dit echoot mijn ervaring, van ogen die al snel glazig worden en beschaafde, geveinsde interesse. Enkele keren viel ik tegenover mijn toehoorder halverwege stil bij een gedicht van drie strofen lang dat ik dacht te kennen als mijn broekzak. Sindsdien houd ik het overwegend binnenskamers.

Mijn bijna dagelijkse oefening heeft poëzie iets zinnelijks gegeven. In abstracte zin wist ik dat tot enkele eeuwen terug de canon van de wereldliteratuur overwegend bestond uit dichtkunst. Het was echter vooral de roman, ongeveer vanaf Honoré de Balzac, die mijn ervaring van de literatuur kleurde.

Niet dat ik nu een kenner ben, maar tijdens het reciteren raak ik soms plots doordrongen van de unieke potentie van een Nederlandstalige klankencombinatie of woordvolgorde. Hetzelfde huppeltje dat ligt in een zin van Vasalis, echoot soms plots door in de dagelijkse spreektaal, die van mijzelf of die van een ander.

En bepaalde beelden draag ik sindsdien met me mee, zoals de leesvruchten van de monniken: de deuren en de open ogen van het ouderlijk huis in Achterbergs De verloren zoon, het rottend karkas langs de kant van de weg in Baudelaires Une charogne, dat hem doet denken aan zijn geliefde, die op dezelfde manier zal vergaan. Alledaagse nostalgie en angst voor de dood krijgen zo net wat meer smaak. Deze inzichten zijn voor de gemiddelde poëzieliefhebber waarschijnlijk vanzelfsprekend, maar je gaat het pas zien als je het doorhebt.

Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.

Cornflakes

Mensen bakken nog steeds potten, en niet omdat dit de snelste en goedkoopste manier is om tot een kom voor je cornflakes te komen. We gaan naar de sportschool, meestal niet om het lichaam voor te bereiden op hard werk op het land.

Hier is een soort ironie van de technische vooruitgang in te herkennen: elke bevrijding van een zekere beknellende arbeid klopt via de achterdeur weer aan, net wat anders uitgedost. Nu de industriële productie van woorden op stoom is gekomen, verdient onze omgang met de taal misschien eenzelfde behandeling. Zoiets vereist aandacht, die tegen de keer in moet worden veroverd.

De strakke dagindeling van een monnik, die idealiter leidt tot opperste concentratie en ontvankelijkheid, is voor de meesten van ons niet haalbaar en/of wenselijk. Maar een zekere gedisciplineerde omgang met de taal wel, om het zo als zinnelijk, veelvormig werktuig voor onszelf te behouden. Zie het ook als een tegenwicht tegen plofkiptaal, tegen de alomtegenwoordigheid van een geglobaliseerd Engels van de laagste plank, recht uit de Instagram-reel, de meest recente therapyspeak-soundbite of Netflix-serie.

Deze weg loopt natuurlijk niet alleen via het uit je hoofd stampen van gedichten. Word heel goed in cryptogrammen oplossen, maak je eigen moppenboek, ga voorlezen aan kansarme kinderen, begin een lijst met palindromen waar je af en toe een kwartier naar staart in de hoop er een te kunnen toevoegen.

Vind iets dat bij je eigen temperament past, zet je een paar keer over de eerste drempel en zie wat er in de ruimte ontstaat.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next