Als jongen was hij stiekem verliefd op haar, ja, maar ze hadden toch nooit verkering gehad? Een brief van zijn ‘eerste liefde’ zet schrijver Daan Heerma van Voss (40) aan het denken over zijn amoureuze zelfbeeld, en de liefdesverhalen die wij aan onszelf ophangen. Is hij wel de liefdesloser die hij door de jaren heen van zichzelf heeft gemaakt?
Haar had ik niet verwacht aan te treffen in het vriendenboek ter ere van mijn 40ste verjaardag. Ik sprak haar nog maar zelden. Een jaar of zeven of acht hadden we elkaar überhaupt niet gezien. We hadden andere levens gekregen; ze had een man en een kind. Een baan. Jara, heet ze.
Ik was blij haar foto te zien, haar gezicht zorgde altijd voor opluchting bij me, voor herkenning, opgebouwd tijdens al die uren en dagen en weken en jaren dat we samen hadden gespeeld, het liefst bij haar thuis en met vakantie. Toneelstukjes, spelen met haar kat Tijger, zandkastelen bouwen op Bretonse stranden; woedend waren we op de vloed, elke dag weer. Toen ik een keer van de basisschool gestuurd dreigde te worden omdat de leraar het schunnige woordenboek had gevonden dat ik had geschreven, vluchtte ik naar Jara’s huis, daar voelde ik me veiliger dan thuis. Ik sliep die nacht met haar vaders hoed op, tot over mijn ogen, zo bang was ik.
In het vriendenboek, naast haar foto, was een brief geplakt. Het A4’tje was dubbelgevouwen, maar niet helemaal gelijkmatig; er staken twee regels bovenuit. De aanhef. ‘Lieve Daan! Je was mijn eerste verkering.’
Ik kan nauwelijks beschrijven hoezeer ik schrok van dat woord. Ik klapte de brief open, verlangend naar een uitleg, of misschien eerder naar een rectificatie; zij en ik waren goede vrienden geweest, we hadden het nooit over enige verkering gehad, toen niet en sindsdien evenmin. Het klopte niet.
‘We waren er vroeg bij, flirtend in de speeltuin van de kleuterschool’, las ik verder. ‘Ik weet nog hoe je steeds grapjes maakte en dan stralend naar me lachte, hoe mooi ik jouw lach vond.’ Tot zover de kleuterschool. ‘Op de basisschool bleef onze verkering een zorgvuldig bewaard geheim – we ontmoetten elkaar na school bij het Hilton-hotel, zodat onze schoolgenoten niet konden zien dat wij samen naar jouw huis liepen. Met onze verkering zouden wij als verlegen nerds een te gemakkelijk doelwit zijn voor de stoere kinderen.’
Ja, deze geheimhouding herinnerde ik me, misschien was ze dan toch een betrouwbare getuige; we spraken af tussen de bomen van het hotel, het was in de jaren dat het Hilton goedaardig aanvoelde, je associeerde het met de gigantische kerstverlichting die in december op de gevel prijkte, Herman Brood was nog niet gesprongen. In de beschutting zagen we onze vriendjes en vriendinnetjes het schoolplein verlaten, we wachtten tot de kust veilig was.
Jongetjes die met meisjes speelden, dat was uitermate verdacht. Binnen de eigenzinnige logica van de basisschool, die destijds onontkoombaar was en nu absurd aanvoelt, tekende zich een eerste blauwdruk voor ‘mannelijkheid’ af. Het ideaal draaide om afstand en pantsering. Sprak je als jongen af met een meisje, dan was je ontegenzeggelijk een softie, een watje.
Uiteraard was ik verliefd op Jara. Ze was lief en grappig en ze had een rond brilletje en strikte mijn veters toen ik nog niet wist hoe dat moest. Klittenband vond ze een zwaktebod, en dus vond ik dat ook. Maar ik weet zeker dat ik mijn verliefdheid altijd geheim heb gehouden voor haar. Ik droeg mijn verliefdheid, dat eenzame, eervolle gevoel, altijd met me mee, maar wel in mijn binnenzak. Verkering? Dacht het niet.
Ik las verder: ‘Bij jou thuis speelden we met je action figures en leerde je me echt Amerikaans schelden (fak jor eshol) en keken we tv, samen in de grote stoel.’ Dat herinnerde ik me wederom precies zo, we zaten in de verzakte luie troon van mijn vader. ‘Je werd soms driftig als ik wegging of gekwetst als ik vergat te bellen, je was zelf veel loyaler.’ Maar ook: ‘Soms kreeg ik een voorzichtig kusje op mijn bol.’
Ik sloeg het boek dicht. Kon niet verder lezen. Ik voelde, zonder dat ik dat direct kon verbaliseren, dat mijn innerlijke aardplaten aan het trillen waren gebracht. Die zoen, dat kon niet waar zijn. Onmogelijk. Mijn jeugdige zelfbeeld liet dat helemaal niet toe. En dat zelfbeeld was kennelijk tamelijk robuust; het was een hoeksteen van mijn erotische levensverhaal geworden. Moest dat hele bouwwerk dan op de schop? Nee, ze moest het zich verkeerd hebben herinnerd.
Was hiermee de kous af of deed zich hier juist een unieke kans voor om dat zelfbeeld bij te stellen? Als niet nu, wanneer dan wel? Maar waarom kostte dat zo veel moeite – waarom valt het ons toch zo zwaar om te breken met de verhalen die wij over onszelf vertellen? Wij zijn toch de baas over ons eigen verhaal?
De contouren van mijn verhaal: ik was een bangelijk kind, verlegen en op mezelf, en liefde en erotiek (woorden die toen natuurlijk niet werden gebruikt) waren voor mij zeer solitaire domeinen. Als ik ’s avonds in bed lag, fantaseerde ik de ene na de andere liefdesgeschiedenis tevoorschijn, vreemd genoeg het liefst met tennissters, hoewel ik helemaal niet van tennis hield. Op een gegeven moment had ik in gedachten een heel huwelijk met Martina Hingis opgetuigd, elke avond keerde ik ernaar terug, als een soort feuilleton.
Ik weet ook nog dat ik, tijdens een van die proto-erotische dwaaltochten door mijn verbeelding, ook op een zeker moment bedacht – het was een geometrische puzzel die ik succesvol legde – dat een jongetje met zijn dingetje precies in een meisje met haar dingetje paste. Eureka! Niemand had dit ooit eerder bedacht! Ik bazuinde het rond op school, maar men was niet onder de indruk. En er was natuurlijk mijn schunnige woordenboek, waar de leraren van schrokken. ‘Kuddeneuker’ was zo’n woord, en ‘piemelkoning’. ‘Beflapje’, dat had ik ergens gelezen.
Maar een meisje een zoen durven geven? Ik? Ik herinner me juist een verlammende fysieke schaamte als ik bij Jara in de buurt was. Slapen deden we altijd apart, vanzelfsprekend. Als we samen in bad gingen, golden twee kuisheidsmaatregelen, waarvan ik niet meer weet of wij ze hadden ingevoerd of dat haar moeder dat had gedaan, al of niet in samenspraak met haar dochter. Niet alleen droegen we zwemkleding, ook schepte Jara’s moeder Valti een bakje appelstroop in het water, dat onmiddellijk donker en troebel kleurde. We konden onszelf zijn zolang we elkaar niet helemaal zagen.
Als ik dan ’s avonds in slaap zakte, rook mijn huid nog een beetje zoetig. Mensen geloofden het niet, als ik dat vertelde. Maar ik wist het zeker. Soms als ik aan mijn armen rook, was die geur er weer, zo diep lag hij in me opgeslagen. Ik begon dan toch te twijfelen. Jara leek even overtuigd van die kus van mij als ik van die geur in haar bad – als ik gelijk had, dan zij misschien ook?
Dat toegeven zou niet zonder gevolgen zijn. Want die jeugdjaren gingen naadloos door in mijn puberteit, en die puberteit in mijn twintigersjaren, en zo verder. Ik heb mezelf op romantisch vlak altijd gezien als een laatbloeier. Ik zat op een tamelijk brave school. Latijn, Grieks, nerds werden niet gepest. Op schoolfeesten werd een beetje gezoend, maar lang niet door iedereen, in elk geval niet door mij. De mythische figuren die destijds al seks hadden, zoals Jan L. en Sophie F., stonden niet eens op dezelfde ladder als ik. Was ik verliefd op iemand, dan zorgde ik dat we bevriend raakten, zodat ik haar ten minste soms mocht zien.
Op feestjes raakte ik uit blinde paniek starnakel, misschien is het eens voorgekomen dat ik met mijn mond tegen een andere mond aanviel, maar vaker gebeurde het dat de schoonmaker me uren later aantrof op een wc, alwaar ik in slaap was gesukkeld. Achteraf is me weleens verteld dat een meisje me leuk vond, maar dat heb ik nooit serieus genomen – lekker makkelijk, een gratis compliment om te geven, nu er allang niks meer op het spel stond. Hoe meer ik probeerde mee te gaan met Jara’s lezing, des te harder stribbelde mijn oude liefdesverhaal tegen. Vanwaar dat verzet?
Psycholoog Dan McAdams postuleerde in de jaren tachtig een theorie die inmiddels tot algemene kennis gerekend kan worden: de theorie van de ‘narratieve identiteit’. Mensen vormen hun identiteit door hun ervaringen te integreren in een geïnternaliseerd verhaal dat alles min of meer bij elkaar houdt, en dat zorgt voor iets wat lijkt op zingeving. Bij dit proces spelen anderen een grote rol; het zelfbeeld komt niet zuiver van binnenuit, het is ook een optelsom van onze aannames over hoe anderen ons zien. In de sociologie heet dit het ‘Looking-Glass Self’. Een term die werd gemunt door Charles Cooley en betekent: anderen vormen de spiegels via welke je ‘jezelf’ ziet verschijnen.
Omdat die narratieve identiteit veel houvast biedt, is men niet snel geneigd haar later nog ter discussie te stellen; ze kan zo dwingend worden dat ze nieuwe feiten overschaduwt en potentiële inzichten blokkeert.
Dit tref je bijvoorbeeld aan wanneer mensen praten over ontrouw. Meermaals heb ik gesprekken gevoerd met mensen die feitelijk waren vreemdgegaan, maar die term niet wilden gebruiken, omdat ze ‘niet zo iemand waren die vreemdgaat’. In plaats van verder te praten over dat hij of zij dus gelaagder of complexer was dan aangenomen, bleek het gesprek ten einde. De identiteit was verhard, ondoordringbaar geworden.
In de liefde is onze narratieve neiging misschien nog sterker dan in andere domeinen: we maken van alles mee en smeden mislukkingen vaak onbewust om tot delen van de inleiding die ‘de echte liefde’ voorafgaat, en als die ‘echte liefde’ lang uitblijft, vertellen we onszelf dat we die luwte nodig hadden om van onszelf te leren houden, als een boer die de akker jaren achtereen inzaait en verzorgt, hopend op een goede oogst.
Wat is een identiteit? Niet veel meer dan de volgorde waarin we de scherven leggen. Hierbij is de betekenis die we toekennen aan het verleden cruciaal. Kierkegaard schreef: ‘Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.’ Ik zou zelfs zeggen: om het leven voorwaarts te kunnen leven, moeten we datgene wat achter ons ligt enigszins begrijpen.
Wel, als late tiener had ik het achterwaarts heel goed begrepen. Het verhaal was helder en duldde geen nuance. Terugkijkend naar mijn kindertijd en mijn puberjaren was het overduidelijk mijn lot om als maagd te sterven. In mijn vrije tijd zocht ik op voor welke beroemdheden dat nog meer had gegolden: Isaac Newton, toch geen kleine jongen. Immanuel Kant. Lewis Carroll. Zij hadden zelfs een narratieve oplossing gevonden voor hun losersschap; ze hadden het omgedraaid tot een kracht, tot een ascetisch offer om tot grote dingen te komen. Dat zag ik me niet snel doen.
Als je me op mijn 17de had gevraagd: in ruil voor je toekomstige oeuvre trekt Sientje je af in het steegje achter de bioscoop, dan stond ik al in dat steegje voor je je zin had afgemaakt. Toen ik op mijn 18de (niet heel vroeg, maar ook niet per se laat) was ontmaagd, was ik dagenlang in shock: ik was ervan overtuigd geweest dat ik had valsgespeeld. Toen op mijn 19de The 40 Year Old Virgin in de bioscoop kwam, durfde ik er niet heen, uit angst mezelf er te zeer in te herkennen. (Terwijl ik toen dus geen maagd meer was.)
Ik bleef mezelf zien als een laatbloeier. Bij elke partner die ik sindsdien kreeg, was ik vooraf geïntimideerd, omdat ik mezelf als een laatkomer op hun feest beschouwde. Als een vrouw me een compliment geeft over mijn uiterlijk, heb ik nog altijd de neiging haar met een bezem de kamer uit te jagen, omdat ik denk dat ze me belachelijk maakt. Ik was lange tijd erotisch gezien volstrekt paranoïde. Pas rond mijn 30ste begon ik langzaam te geloven dat vrouwen me zagen staan. Tegenwoordig maak ik zelfs geen sarcastische opmerking meer, als iemand zegt dat ik er leuk uitzie.
Met mijn geliefde spreek ik er weleens over, over mijn volstrekte, absurde blindheid voor geflirt, en dat moeilijk af te schudden gevoel van misplaatst zijn in de erotiek, terwijl ik inmiddels een reeks partners heb gehad, en weet hoe het is om me begeerd te voelen. (Die blindheid vindt ze onprettig, omdat ze vreest dat ik het terrein niet goed ken, en ineens overvallen kan worden door een liefdesverklaring uit mijn blinde hoek.) Als ik op zulke momenten, op zoek naar een verklaring, diep genoeg groef, kwam ik vaak uit bij mijn niet-beantwoorde liefde voor Jara en de zogenaamde levensles die in onze vriendschap besloten lag: ze willen me misschien als vriend, maar niet als partner. Dat was het zaadje waaruit mijn narratieve liefdesidentiteit is gebloeid. Maar het zaadje bleek dus helemaal geen zaadje te zijn, maar iets heel anders.
Ik sloeg het boek weer open. Tijdens onze middelbareschooltijd hadden we weinig contact. ‘Misschien uit verlegenheid’, volgens Jara. Ze had gelijk, vanuit mij bezien althans. ‘Toen ik na het eindexamen hoorde dat jij sommige avonden bij de videotheek werkte, ging ik er een paar keer ‘per ongeluk’ heen in de hoop je tegen te komen.’
Ik interpreteerde het destijds anders: ik vond het verdrietig dat we, na alles wat we hadden meegemaakt, nu van het toeval afhankelijk waren gebleken. Maar, zei ik tegen mezelf, dat was ook niet zo vreemd: ze had me nooit zien staan, waarom was het nu anders?
Ik moest denken aan The Sense of an Ending, de klassieker van Julian Barnes, waarin de hoofdpersoon Tony op latere leeftijd een dagboek in handen krijgt dat alles wat hij dacht over zijn jeugdliefde Veronica, en over wie hij was tijdens die liefde, aan het schudden brengt. In weerwil van wat hij zich herinnert, reageerde Tony namelijk helemaal niet volwassen en evenwichtig toen zijn beste vriend Adrian iets aanlegde met Veronica; hij heeft hun relatie zelfs gesaboteerd.
Tony’s beroemde definitie van geschiedenis: dat is de zekerheid die ontstaat als ons gebrekkige geheugen botst met de ontoereikende bewijsstukken. Verhalen vertellen is niet zomaar een manier om dichter bij de waarheid te komen, stelt Barnes, soms is het een manier om onszelf tegen de waarheid te beschermen: liever klampen we ons vast aan een comfortabel verhaal. Mijn comfortabele verhaal was dat van de loser, de softie die er niet bij hoorde. Dat het feitelijk gezien van meet af aan op losse schroeven stond, was voor mij irrelevant.
Tegen welke waarheid had ik mezelf beschermd, door mezelf als liefdesloser te beschouwen?
Misschien wel tegen de simpele maar beangstigende waarheid dat het anders had kunnen lopen. Dat alles anders had kunnen zijn, als ik meer had gedurfd. Misschien is dat waar we ons allemaal tegen beschermen, van tijd tot tijd: dat er allerlei narratieve identiteiten in het verschiet hebben gelegen, die we hebben laten lopen. Dat onze wereld groter had kunnen zijn. Heb ik spijt? Zo simpel is het niet. Voor elk leven dat je leidt, leid je ontelbare levens níet.
Mijn verhaal over Jara is natuurlijk niet uniek. We zijn allemaal onbetrouwbare, ongeschikte, onzekere archivarissen. We bekijken de zogenaamde bewijsstukken uit onze jeugd die het beeld dat we van onszelf hebben gevormd ondersteunen – de verlegen nerd, de laatbloeier, de eeuwige toeschouwer – en zijn blind voor contradictoire voetnoten, die misschien helemaal geen voetnoten zijn. We leven in een constant gesprek met een versie van onszelf die we decennia geleden hebben geconstrueerd. We dragen de kleren van toen, maar het zijn kleren van de keizer – wij zijn de enigen die ze zien, en dus ook de enigen die niet zien hoe slecht ze inmiddels passen.
De laatste zinnen van Jara’s brief raken me in mijn middenrif: ‘Ik zou het prachtig vinden als we elkaar als oudjes ook nog kunnen vinden. Ik neem wel een harkje mee.’
Ik nodig haar uit voor een koffie. Een koffie tussen vrienden. Even overweeg ik voor te stellen om af te spreken tussen de bomen van het Hilton. Maar dat hoeft nu niet meer.
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant