Wat begon als een sprookje, eindigde als een horrorverhaal. Hoogleraar Jason Arday was het gezicht van een diverser Cambridge, maar werd het mikpunt van een ongekende mediastorm. Zijn dood dwingt tot een ongemakkelijke vraag: worden zwarte academici harder afgerekend op (eventuele) misstappen dan witte collega’s?
Great and Unfortunate Things (Grote en onfortuinlijke dingen) heten de vorige week verschenen memoires van de Brits-Ghanese academicus Jason Arday.
Het boek had het hoogtepunt moeten zijn van een opmerkelijk levensverhaal: een waarin Arday na een onfortuinlijke start (autisme, armoede, een globale ontwikkelingsachterstand) het wist te schoppen tot vooraanstaand wetenschapper.
Op 37-jarige leeftijd werd Arday benoemd tot de jongste zwarte hoogleraar ooit van Cambridge, het kroonjuweel van het Britse hogeronderwijssysteem.
Maar eind juli veranderde het sprookje in een horrorverhaal, nadat een andere wetenschapper naar Arday had uitgehaald en hem openlijk had beschuldigd van plagiaat in zijn dissertatie en in zijn andere wetenschappelijke werk.
Britse media stonden plots bol van beschuldigingen van fraude en grandiositeit: Arday zou bepaalde aspecten uit zijn levensverhaal extra vet hebben aangezet of zelfs volledig hebben verzonnen.
De druk en de publieke vernedering lijken Arday te veel te zijn geworden. Vorige week vrijdag werd hij levenloos in zijn woning aangetroffen, vermoedelijk als gevolg van zelfdoding. Hij liet twee kinderen achter.
Wat volgde, was een weekend vol woede over wat sommigen een ‘racistische heksenjacht’ door de media noemden. Britse politici voelden zich geroepen zich uit te spreken, zoals premier Andy Burnham (‘Een tragedie op zo veel vlakken’) en de burgemeester van Londen, Sadiq Khan (‘Jason Arday was het slachtoffer van een verderfelijke publieke vernedering’).
Ardays academische carrière en zijn tragische dood hebben het debat over diversiteit in Engeland en daarbuiten op scherp gezet. Was zijn aanstelling een welkom begin van een inclusievere universiteit, of het voorbeeld van doorgeschoten diversiteitsdenken ten koste van academische standaarden? En was de overweldigende media-aandacht voor Arday journalistiek gerechtvaardigd, of het bewijs dat zwarte mensen harder worden afgerekend op misstappen dan witte mensen?
‘Dat een zwarte persoon binnen een prestigieuze organisatie meer dan een witte persoon onder een vergrootglas komt liggen, was echt niet nieuw’, zegt Barbara Banda, een Britse consulent op het gebied van diversiteit en cultuurverandering en academicus. Ze schreef het boek The Model Black, over de ervaringen van zwarte leiders binnen Engelse organisaties. ‘Wat mij wel verbaasde, was dat de media dit iemand aandoen die duidelijk kwetsbaar was.’
Toen Arday in 2023 door een selectiecommissie vol zwaargewichten werd aangesteld als hoogleraar onderwijssociologie aan Cambridge, was de berichtgeving over hem lyrisch. The Guardian beschreef hem in een profiel als ‘een hoog aangeschreven wetenschapper op het gebied van ras, ongelijkheid en onderwijs’ met een opmerkelijk levensverhaal.
Arday, geboren in het sociaal-economisch geplaagde Zuid-Londen, werd op zijn 3de gediagnosticeerd met autisme en een globale ontwikkelingsachterstand. Praten kon hij naar eigen zeggen pas op zijn 11de en pas op zijn 18de leerde hij lezen en schrijven.
Ardays biografie, in combinatie met zijn academische prestaties, maakte van hem de juiste man op het juiste moment – 2023 was de tijd dat witte academische bolwerken in de westerse wereld onder hevige kritiek stonden vanwege een gebrek aan diversiteit. Zo is minder dan 1 procent van alle Britse hoogleraren zwart.
In een BBC-nieuwsitem uit 2023 over Ardays aanstelling is Hilary Cremin, hoofd van de faculteit Onderwijskunde van Cambridge, zichtbaar verguld met zijn komst naar de universiteit. ‘Jij bent de beste ter wereld op het gebied van het onderzoek dat je doet.’
Ondertussen rezen op de achtergrond de eerste twijfels over Ardays academische prestaties. ‘Ik heb hem één keer ontmoet’, zegt de Brits-Nigeriaanse historicus Femi Owolade, verbonden aan de Royal Historical Society. ‘We hadden veel gezamenlijke vrienden en kennissen. Toen Arday werd aangesteld, dachten we: eindelijk gaan dingen veranderen. Veel academici van kleur zagen het als een positieve ontwikkeling.’
Maar sommigen in Owolades kring vroegen zich ook af of Arday wel voldoende toegerust was voor deze functie. ‘Arday promoveerde op zijn 30ste en werd op zijn 37ste hoogleraar, dat is ongekend. Gemiddeld duurt het na een proefschrift minstens tien jaar voordat iemand hoogleraar wordt, een tijd die je nodig hebt om te publiceren. Het riep de vraag op: had hij wel genoeg wetenschappelijke ervaring?’
Het blad Times Higher Education (THE) dacht vorig jaar een scoop te hebben, toen het na een tip vanuit de academische wereld een onderzoek wilde publiceren over Arday. Volgens de journalist van THE had Arday plagiaat gepleegd in zijn dissertatie, voltooid aan de Liverpool John Moores University. Uiteindelijk werd van publicatie afgezien na overleg met Ardays advocaten. Wel deed Arday aangifte bij de politie tegen een journalist van THE vanwege vermeende intimidatie.
Eerder dit jaar liet de Liverpool John Moores University weten dat het onderzoek had gedaan naar Ardays dissertatie en geen plagiaat kon constateren, hooguit ‘redelijke vergissingen’. In een interview eind juli met The Times weet Arday zijn vergissingen aan autisme. Hij zou naar eigen zeggen informatie het beste opnemen door het na te bootsen. Vorige week maandag liet de universiteit weten dat het nog altijd achter Ardays dissertatie staat.
Maar daarmee waren de verdenkingen niet weg. De recente lawine aan mediaberichtgeving over Arday werd ingeluid door Nathan Cofnas, een Amerikaanse onderzoeker die in 2024 zelf onder vuur kwam te liggen omdat hij IQ aan ‘ras’ verbindt en in een blogpost stelde dat in een meritocratische wereld er ‘close to zero’ zwarte hoogleraren op Harvard zouden zijn. Cofnas werd ontslagen door Emmanuel College, onderdeel van Cambridge. Momenteel is hij verbonden aan de Universiteit Gent.
In een post van 21 juli op zijn Substackkanaal concludeert Cofnas op basis van eigen onderzoek dat Arday veelvuldig plagiaat heeft gepleegd in zijn proefschrift, maar ook in ander wetenschappelijk werk. Bovendien zou Arday verhalen delen over gefantaseerde prestaties – van het inzamelen van meer dan 5 miljoen pond voor het goede doel tot aan het rennen van dertig marathons in 35 dagen.
Afgelopen donderdag liet de Universiteit Gent weten dat het de ‘publieke uitspraken’ – onduidelijk zijn welke – van Cofnas als ‘zeer ernstig’ beschouwt. De universiteit gaf aan hier ‘gepaste opvolging’ aan te zullen geven en heeft Cofnas voorlopig geschorst.
Cofnas’ post sloeg evengoed in als een bom. ‘Cambridge’s diversity posterboy in plagiarism row’ kopte The Telegraph op 24 juli. In de dagen daarna rees er ook twijfel over Ardays banden met andere universiteiten – onduidelijk was of hij daar wel of niet als gasthoogleraar aan verbonden was.
Eerder had Cambridge de beschuldigingen van plagiaat in Ardays dissertatie afgedaan als ‘een gemene lastercampagne om zijn geloofwaardigheid te ondermijnen’. Op 5 augustus liet de universiteit weten dat het op basis van ‘nieuwe informatie’ alsnog een onderzoek zou starten naar ‘Ardays academische kwalificaties en eretitels’.
Diezelfde dag nam Arday ontslag. In een emotionele online verklaring liet hij weten dat ‘de voortdurende beschuldigingen’ een zware wissel op hem hadden getrokken. Onduidelijk is of Cambridge, na Ardays dood, het eerder aangekondigde onderzoek zal voortzetten.
Tot aan zijn vermoedelijk zelfverkozen dood op 14 augustus zouden de Britse media 249 artikelen over Arday publiceren, becijferde Good Law Project, een non-profitorganisatie die zich achter Arday heeft geschaard.
Sinds Ardays dood is de woede onder delen van de zwarte Britse gemeenschap groot, en voornamelijk gericht op de media. Kehinde Andrews, een academicus en persoonlijke vriend van Arday, sprak over een ‘publieke lynching’. Daniel Kebede, leider van de grootste onderwijsvakbond in Engeland, meende dat Arday werd blootgesteld aan ‘een publieke en meedogenloze aanval die een tirade van racisme ontketende’.
Inmiddels is een petitie van Good Law Project, waarin de Britse overheid wordt opgeroepen om voor een ‘verantwoordelijke pers’ te zorgen, meer dan 120 duizend keer getekend.
Een andere veelgehoorde klacht is dat witte hoogleraren met plagiaat op minder aandacht kunnen rekenen. Op sociale media gaat een veel gedeelde post rond waar Arday wordt vergeleken met William O’Reilly, eveneens hoogleraar aan Cambridge. O’Reilly werd er in 2021 van beschuldigd dat hij het werk van een student heeft geplagieerd. Twee jaar later concludeerde een onderzoekscommissie van de universiteit dat O’Reilly inderdaad plagiaat had gepleegd, maar als gevolg van ‘nalatig handelen’ en niet ‘opzettelijk’. O’Reilly mocht desondanks aanblijven.
Bovendien, zo stelden aanhangers van Arday, worden witte academici niet collectief verdacht gemaakt vanwege het mogelijke plagiaat van een witte enkeling. Na de berichtgeving over Arday vreesden zwarte academici in de hoek gezet te zullen worden als mensen die niet capabel genoeg zijn.
‘Als witte hoogleraren van wangedrag worden beschuldigd, wordt dan de hele witte academische wereld terechtgesteld?’, stelde journalist Afua Hagan op Instagram. ‘Vragen we ons dan af of witte mensen zijn bevorderd tot functies waarvoor ze niet capabel genoeg zijn? Of course we bloody don’t.’
Ook voor onderzoeker Femi Owolade is de zaak ‘beangstigend’. ‘Er zijn pijnlijke voorbeelden van academici van kleur die het doelwit werden van gecoördineerde lastercampagnes. Een recent voorbeeld is Claudine Gay, de eerste zwarte voorzitter van Harvard, die na beschuldigingen van plagiaat aftrad. Plagiaat is al heel lang een beproefd middel om zwarte denkers te beschadigen.’
Toch ziet Owolade het niet louter als racisme. ‘Weliswaar bracht een onderzoeker met racistische ideeën de zaak aan het licht, maar het was het gerenommeerde Times Higher Education dat als eerste de beschuldigingen onderzocht. Dat blad schrijft voortdurend over plagiaatzaken.’
‘In mijn omgeving zie ik verschillende reacties’, zegt Barbara Banda. ‘Er zijn mensen die denken: tja, what else is new? Anderen wachten stoïcijns totdat dit allemaal weer is overgewaaid en ze weer verder met hun werk kunnen. En anderen zijn weer doodsbang dat ze iets verkeerds zullen zeggen waardoor ze het volgende slachtoffer van een publieke aanval worden. Ik denk dat je daardoor maar weinig zwarte Britse academici zult vinden die hier openlijk over willen praten.’
Ook Judi Mesman, hoogleraar maatschappelijke verantwoordelijkheid en impact aan de Universiteit Leiden, volgde de Arday-affaire de afgelopen weken. De diversiteitskwestie rondom Arday raakt aan het onderzoek Leiderschap in Kleur dat ze in 2024 publiceerde. Daarin verkent Mesman de ervaringen van mensen van kleur in leiderschapsposities en hun soms kwetsbare rol binnen organisaties.
‘Ik denk dat in het geval van Arday twee dingen waar kunnen zijn. Het is goed mogelijk dat hij zijn academisch werk niet goed op orde had. Maar je kunt ook zeggen dat de mate van aandacht voor hem racistisch gemotiveerd was. Voor beide aspecten zijn volgens mij behoorlijk overtuigende aanwijzingen te vinden.’
Tijdens haar onderzoek zag Mesman dat mensen van kleur vaak in een crisismoment – een bedrijf in financieel zwaar weer of bezig met een complexe reorganisatie – op een leiderschapspositie terechtkomen. De behoefte aan een radicale ommezwaai is dan het grootst. Maar bij weerstand, of onvoldoende begeleiding, kunnen deze mensen van kleur in een leiderschapspositie ook weer heel snel van een ‘glazen klif’ vallen.
Mesman ziet overeenkomsten tussen haar onderzoek en de aanstelling van Arday, die gebeurde op een moment van crisis, toen universiteiten onder vuur lagen vanwege een wit personeelsbestand.
Dat Cambridge op dat moment streefde om een betere afspiegeling van de samenleving te vormen, is volgens Mesman een legitieme motivatie. Maar daar had Cambridge dan wel transparant over moeten zijn.
‘Er zijn natuurlijk de gebruikelijke kwaliteitseisen waaraan iemand moet voldoen. Maar laten we wel wezen, die eisen zijn soms arbitrair, in de zin dat ze slechts één bepaalde visie op kwaliteit en excellentie weerspiegelen. Cambridge had kunnen zeggen: wij vinden ook andere dingen belangrijk voor de kwaliteit van ons onderzoek en onderwijs. Bijvoorbeeld dat iemand inzichten heeft die niet vertegenwoordigd zijn binnen onze organisatie. Maar daar hadden ze dan helder over moeten zijn, tegenover de sollicitanten en tegenover de buitenwereld.’
Femi Owolade wijst op nog een ander pijnpunt. Volgens hem bestaat er een ongezonde ‘honger’ naar verhalen zoals die van Arday: van een academicus die tegenslagen heeft overwonnen en zich uit armoede heeft opgewerkt. ‘Universiteiten zoals Cambridge zijn in toenemende mate commercieel en marktgericht geworden. Ze zoeken inspirerende wetenschappers die nieuwe studenten aantrekken.’
‘Ik promoveerde rond de tijd dat Black Lives Matter groot werd en merkte een behoefte aan verhalen over achterstand en tegenslag. Als academicus van kleur had je de keuze: speel je dat spel mee, of wil je uitsluitend op je academische prestaties worden afgerekend?’
Zelf heeft Owolade ervoor gekozen zijn achtergrondverhaal niet in te zetten, uit angst erop te worden afgerekend. ‘Jason Arday besloot anders, ik zeg niet dat hij daartoe werd gedwongen, maar zo gingen wel alle deuren voor hem open.’ Owolade meent dat Arday in de progressieve bubbel van de onderwijssociologie zo ver kon komen omdat hij voldeed aan het beeld van een slachtoffer dat zich nu inzet voor de goede zaak: het doorbreken van discriminerende obstakels in het onderwijssysteem.
De Arday-affaire heeft hoe dan ook, aldus de geïnterviewden, diversiteitsbeleid in de westerse wereld nog verder in een kwaad daglicht gesteld. Vooral in de Verenigde Staten wordt onder president Donald Trump het nodige gedaan om diversiteitsbeleid terug te draaien – van het opheffen van diversiteitsprogramma’s tot het financieel bestraffen van bedrijven die diversiteit nastreven.
De vermaarde Britse wetenschapsjournalist Angela Saini ziet met lede ogen hoe het debat over diversiteit wordt ontsierd door hypocriete, en soms regelrecht racistische ideeën.
Saini schreef eerder boeken over seksisme en over ‘wetenschappelijk racisme’, de pseudowetenschap die maatschappelijke hiërarchie en witte dominantie verklaart vanuit ‘ras’ en genen. ‘Nathan Cofnas behoort ook tot dat netwerk, dat sinds mijn boek alleen maar is gegroeid. Hij noemt zichzelf een race realist, maar dat is niets anders dan een dekmantel voor zijn racistische ideeën.’
‘Cofnas is ervan overtuigd dat als de academische wereld ‘meritocratisch’ zou zijn, er nauwelijks studenten en hoogleraren van kleur zouden zijn. Maar de academische wereld is nooit meritocratisch geweest. Tot halverwege de 20ste eeuw was de universiteit in sterke mate voorbehouden aan bepaalde sociale klassen, etnische groepen en aan mannen.’
Over díé discriminatie hoor je mensen als Cofnas niet. ‘Aanhangers van wetenschappelijk racisme en conservatieve stemmen binnen het diversiteitsdebat hebben vaak geen enkel oog voor het nepotisme en de old boys networks waarvan ze zelf profiteren. Ze zien positieve discriminatie als oneerlijk, behalve als ze er zelf voordeel uit halen.’
Momenteel werkt Saini aan een nieuw boek, Other: Race, Sex, and the Hidden Harms of Human Categories, waarin ze een hoofdstuk heeft opgenomen over positieve discriminatie. ‘Op het GCSE-niveau – de examens die Britse leerlingen rond hun 16de afleggen – presteren zwarte leerlingen beter dan witte leerlingen, en meisjes beter dan jongens. Het idee dat kinderen met een migratie-achtergrond slechter zouden presteren, is volledig achterhaald. Toch is er een hardnekkig idee dat als deze mensen op een universiteit terechtkomen, dat louter komt door positieve discriminatie.’
Saini wil niet alle diversiteitsprogramma’s verdedigen. ‘Er zijn programma’s die hun doel voorbijschieten. We moeten een eerlijk gesprek hebben over diversiteitsbeleid. Maar dat gesprek moet wel ter goeder trouw worden gevoerd, en niet met mensen die kwade bedoelingen hebben.’
In The Guardian liet vakbondsleider Daniel Kebede weten dat de neergang van Arday een afschrikwekkend effect zal hebben. ‘Het geeft zwarte mensen en anderen met een ondervertegenwoordigde achtergrond de boodschap dat het bekleden van prominente publieke functies je tot een doelwit maakt.’
Diversiteits- en cultuurveranderingsconsulent Barbara Banda, die voor haar boek ook zwarte professionals van de Gen Z-generatie sprak, heeft daar een meer genuanceerde kijk op. ‘Het is verschrikkelijk wat Arday overkwam, en er zullen vast genoeg jongeren van kleur zijn die zullen twijfelen om op te klimmen binnen hun organisatie. Maar voor veel zwarte mensen, onder wie jongeren, is het niets nieuws, wij weten al langer dat wij altijd onder een vergrootglas liggen.’
‘De les die zwarte jongeren naar aanleiding van Arday wellicht trekken is: wij moeten niet alleen tien keer meer ons best doen, we moeten misschien wel honderd keer meer ons best doen, want het kan zo over zijn.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant