Home

Opinie: AI-proza parasiteert op de welwillendheid van de lezer

Wie het prima vindt om de buikspreekpop van AI te zijn, waarom dan niet gewoon je prompts tonen?

‘Dogma’, zo hield Albert Einstein in 1929 zijn publiek aan de Sorbonne voor, ‘is the enemy of progress’ – in vlekkeloos Engels, nog wel. Grapje. Dat citaat fluisterde ChatGPT de rector van mijn universiteit in, toen zij besloot haar openingsrede uit te besteden aan AI.

De toespraak was een aaneenrijging van grammaticaal onberispelijke platitudes, opgesmukt met vier citaten. Drie ervan bleken verzonnen – het soort valse eruditie waarmee academici graag pronken. Het vierde was echt, maar gênant zelfverheerlijkend: ‘Er zijn weinig aardse dingen schitterender dan een universiteit.’ ChatGPT weet hoe je academische ijdelheid streelt.

Over de auteur

Maarten Boudry is filosoof en auteur van Het verraad aan de verlichting (2025, Prometheus).

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

AI-hallucinaties

Mijn rector is niet de enige die zich liet verschalken door een digitale ghostwriter. Peter Vandermeersch, voormalig hoofdredacteur van NRC Handelsblad, werd in maart door diezelfde krant betrapt op verzonnen citaten in vijftien van zijn blogposts, waarna Mediahuis hem schorste als fellow. Regeringen en consultancybureaus schreven peperdure rapporten vol studies die niet bestaan, en een online databank telt inmiddels meer dan 1800 AI-hallucinaties in juridische dossiers.

Het goede nieuws voor wie een AI-ghostwriter in de arm neemt: de kans op publieke afgang slinkt. Enkel met verzonnen citaten kun je een luie auteur op heterdaad betrappen – er is geen andere onschuldige verklaring – maar naarmate de taalmodellen beter worden, worden ook hallucinaties zeldzamer. Zonder zo'n smoking gun resten alleen AI-detectors, maar die berusten op kansrekening. De beste, Pangram, gaat prat op één vals positief op tienduizend, bij voldoende lange teksten. Maar wie beschuldigd wordt, ontkent steevast, en sluitend bewijs is er zelden.

De beste taalmodellen zijn stilaan zulke virtuoze performers dat zich een fundamentelere vraag opdringt: waarom malen we er eigenlijk om of een tekst een digitale ghostwriter had? Econoom Tyler Cowen voorspelde onlangs in The Free Press dat het binnenkort vrijwel niemand nog iets kan schelen: ‘You’ll learn to love AI writing.’ Cowen beschrijft de vernederende ervaring dat hij onder de indruk was van de kennis en eruditie van een auteur — om vervolgens te ontdekken dat er helemaal geen auteur wás.

Redactiewerk

En toch knaagt er iets. Als schrijver ben ik Claude dankbaar voor het eindeloos geduldige redactiewerk, en als lezer heb ik al oprecht genoten van AI-gedichten, -verhalen en -grappen, ook wanneer ik wist waar ze vandaan kwamen. Maar als een auteur je van iets tracht te overtuigen, ligt dat anders. Ontdek ik achteraf dat een opiniestuk of essay machinewerk was, dan haak ik meteen af. Waarom?

Lezen berust op wat filosofen ‘interpretatieve welwillendheid’ noemen: je gaat ervan uit dat er achter de zinnen iemand schuilgaat met een gedachtegang, en je doet moeite om die te reconstrueren – gaten opvullen, verzwegen premissen aanvullen.

Precies die welwillendheid maakt AI-proza zo bedrieglijk. Er zit geen gedachtegang achter, alleen statistische patronen van duizelingwekkende complexiteit die teksten nabootsen waar wél een gedachtegang achter zit. Vroeger kon een coherente tekst alleen door een denkend mens zijn voortgebracht: dat is de wereld waarin ons taalinstinct is gevormd. Vandaag kan AI-proza zo gelikt zijn dat je pas na aandachtig lezen merkt dat je geen gedachtegang volgt, maar een stroom oppervlakkig plausibel gebazel. Zonde van je tijd.

Plaag

Wie de opiniepagina’s van kranten doorbladert, of de eindeloze beschouwingen op sociale media, ziet dat zulke teksten een ware plaag zijn geworden. In juni publiceerden vooraanstaande linkse economen, onder wie Thomas Piketty, een manifest in The Guardian tegen economische groei – door Pangram prompt bestempeld als 100 procent AI. Wat voor zin heeft het om op statistische goocheltrucs een repliek te schrijven? Er is toch niemand thuis. Geen auteur die verantwoordelijkheid neemt en de opvattingen echt huldigt, niemand met wie je een gesprek kunt aangaan.

Zo kan ik het ook. Het kostte me nog geen minuut om Claude een antwoord van vergelijkbare lengte te laten schrijven – gevoed met mainstream economie, ecomodernisme en mijn eigen eerdere stukken – en het ongelezen te posten, mét vermelding dat het AI was. Als we zo beginnen, kunnen opiniemakers op permanent verlof gaan en onze chatbots het onderling laten uitvechten. Krijg ik tegenwoordig zo’n gladde AI-mail of AI-blogpost over me heen, dan vraag ik Claude om een drie keer zo lang antwoord en stuur het ongelezen op. Wie mijn tijd verspilt, krijgt dat met rente terug.

Is dit pleidooi voor ambachtelijk werk niets meer dan zelfbedrog, nu schrijvers zoals ik stilaan overbodig worden? Misschien. Maar zelfs een techno-optimist ziet dat een ‘debat’ tussen chatbots iets wezenlijks heeft verloren. Schrijven is denken voor vele auteurs. Als ik aan een lege pagina begin, heb ik hooguit een vaag idee van waar ik zal uitkomen: de gedachten ontstaan al schrijvend, waarbij de ene vondst noopt tot de volgende. Besteed dat uit aan een veredelde woordvoorspeller, hoe indrukwekkend ook, en je denkvermogen verschrompelt.

Slecht geweten

Er is nochtans niets mis met AI-teksten als zodanig. Ik gebruik AI zelf, voor schrijfwerk waar ik geen eer voor opeis: een referentiebrief, een juridisch verweer, een lang mailantwoord. Het is ook prima waar het plezier in het eindproduct zit, ongeacht de oorsprong: grappen, gedichten, wellicht sommige fictie. Maar wie AI een volledig betoog laat componeren en het onder eigen naam naar de krant stuurt, hoort dat te vermelden – dan kan de lezer zelf beslissen of hij nog wil doorlezen. Dat vrijwel geen enkele schrijver dat doet, verraadt een slecht geweten. Ze weten donders goed dat we zouden afhaken als we het wisten.

Een verdict van ‘100 procent AI’ betekent trouwens niet noodzakelijk dat er géén menselijk denkwerk aan de tekst te pas kwam. Wie ChatGPT enkel vraagt om proza bij te schaven, krijgt geen vals positief, wat onverlaten ook beweren. Maar zelfs als de eindtekst grotendeels machinewerk is, kan de menselijke inbreng nog variëren. Voedde je je chatbot met een lijstje steekwoorden? Met een losse verzameling notities? Met een lang heen-en-weer tussen mens en machine? Of met alles wat je zelf eerder over het onderwerp schreef?

Mijn rector had schoon schip kunnen maken door de prompts achter haar toespraak te publiceren, als bewijs dat het AI-plagiaat beperkt bleef tot die drie citaten. Peter Vandermeersch en Thomas Piketty hadden na alle hoon hun werkwijze kunnen openbaren. Bij mijn weten heeft van alle schrijvers op het beklaagdenbankje nog niet één dat gedaan. Als je het prima vindt om de buikspreekpop van een machine te zijn, waarom dan niet gewoon je prompts tonen?

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next