Honderd jaar na de geboorte van Fidel Castro blikken vijf Cubanen van de revolutionaire generatie terug op hun leven. De een blijft trouw aan de revolutie, de ander wordt verteerd door wrok. Allemaal worstelen ze om te overleven.
is correspondent Latijns-Amerika van de Volkskrant. Hij woont in Mexico-Stad.
Toen Marta Zilia Pérez op donderdag 13 augustus wakker werd in haar kleine woning zonder stroom in Havana, dankte ze God en feliciteerde ze Fidel Castro. ‘Gefeliciteerd Fidel’, zei ze hardop. Omdat op die dag honderd jaar geleden Fidel Alejandro Castro Ruz werd geboren, de man die Cuba bevrijdde van een dictator en het Caribische eiland in een ongekend socialistisch experiment stortte.
Pérez is 89 jaar. Ze was 21 toen de guerrillaleider op 1 januari 1959 alleenheerser Fulgencio Batista ten val bracht. ‘We waren heel gelukkig toen Fidel in Havana aankwam met zijn rebellenleger’, vertelt ze. De tengere zwarte vrouw heeft een glinstering in haar ogen wanneer ze terugdenkt aan het begin van Castro’s revolutie.
Of zoals Cubanen zeggen, ‘de triomf van de revolutie’. ‘Het was feest. We zoenden en omhelsden elkaar.’ Maar sinds die triomf is de revolutie veranderd van een plotse politieke omwenteling in een gestolde repressieve machtsstructuur die de Cubanen nog amper iets te bieden heeft.
Castro overleed tien jaar geleden. Zijn politieke project strompelt voort en is extra gehavend sinds begin dit jaar de Amerikaanse president Donald Trump het Caribische eiland volledig afsneed van olie-import. Maar oudere Cubanen zijn de euforische begindagen nog niet vergeten.
Door het raam van Pérez’ huisje kruipen de geluiden van de stad naar binnen: een zoemende generator, het gezang van een religieus ritueel. Ze groeide op onder Batista (1940-1944 en 1952-1959), de dictator die nauwe banden onderhield met de Verenigde Staten en goed zorgde voor de Cubaanse grootgrondbezitters.
Voor arme Cubanen was het leven hard, vertelt ze. ‘Mijn vader maakte voor een paar centen schoon in het presidentieel paleis. Hij kreeg het eten mee dat overbleef.’ Voor de revolutie was er volop Amerikaanse bedrijvigheid in Cuba. ‘Maar alles wat de Amerikanen deden, was voor de mensen met geld, voor de blanken, nooit voor de zwarten.’
Totdat Castro verandering bracht en Pérez kon gaan studeren aan de lerarenopleiding. Ze behoorde tot de ‘brigadiers’ die de analfabete boerenbevolking onderwezen. ‘Ik heb vijf kinderen en vijftien volwassenen leren lezen en schrijven.’ Uit een kastje haalt ze een reeks medailles tevoorschijn, onderscheidingen voor haar revolutionaire werk.
Hoe anders is haar leven nu. Haar pensioen en een baantje als suppoost leveren haar een maandinkomen van 7,5 duizend peso op, omgerekend 10 euro. Ze koopt er bijna niets voor. ‘Als Fidel nog had geleefd, had hij een manier gevonden om ons lijden te verzachten.’
President Trump kreeg in zeven maanden tijd met zijn olieblokkade het Cubaanse regime nog niet op de knieën, maar het eiland betaalt een hoge prijs. Op het platteland is er nauwelijks nog elektriciteit. In Havana overleven mensen met een paar uur stroom per dag.
Eten verpietert in koelkasten. Het water dat op enkele momenten van de dag uit de leidingen komt, kan zonder elektriciteit niet naar de tonnen op de daken worden gepompt. Tijdens bloedhete nachten doen Cubanen amper een oog dicht. Op straathoeken scharrelen de allerarmsten tussen het afval.
Toch zegt Pérez: ‘Fidel heeft heel veel voor ons gedaan.’ Maar diens 100ste verjaardag gaat in Havana bijna ongemerkt voorbij. Het jubileum legt pijnlijk het gapende gat bloot tussen het lijdende Cubaanse volk en zijn leiders. De partijtop eert Castro met een besloten congres van drie dagen in een zwaar beveiligd conferentiecentrum. Het thema: Fidel, erfenis en toekomst.
Ook tal van gelijkgestemde buitenlandse gasten zijn aanwezig. China stuurde een partijvertegenwoordiger, de voorzitter van de Spaanse Communistische Partij kwam naar Havana, de premier van Namibië is er, net als de oud-voorzitter van de Mexicaanse senaat.
Op Castro’s geboortedag komt diezelfde elite samen tijdens een gala in het Theater Karl Marx. President Miguel Díaz-Canel (66) spreekt de zaal toe, met op de voorste rij Fidel Castro’s 95-jarige broer Raúl. De speech wordt uitgezonden op de staatstelevisie, maar wie geen stroom heeft, ziet er niets van.
Ook voor de voormalige visser en monteur Lázaro Frómeta is Castro’s verjaardag ‘een dag als alle andere’. Op een paar huizenblokken afstand van het Capitolio, het neoklassieke overheidsgebouw in het hart van de hoofdstad, woont hij met een dochter in een uit hout en metaal opgetrokken woning.
Hij heeft een ‘espinita’ in zijn hart, vertelt hij. Een spreekwoordelijk stekeltje, iets dat hem al jaren dwarszit. Decennialang werkte hij hard voor de staat, maar de revolutie liet hem tot twee keer toe als een blok vallen. Nu zijn gezondheid verslechtert, slijt hij zijn dagen in een schommelstoel naast een tv die aanstaat wanneer er elektriciteit is.
Frómeta groeide op in een vissersdorp in het oosten van het land. Op zijn 8ste ging hij met zijn vader de zee op. Het arme gezin wist net te overleven. Toch denkt hij met weemoed terug aan de jaren voor de revolutie. ‘Als het kon, zou ik opnieuw geboren willen worden in die tijd.’
Na Castro’s revolutie marcheerde hij als tiener mee met de jeugdpatrouilles. ‘De eerste jaren van dit systeem waren glorieus, er was genoeg te eten voor iedereen.’ Hij herinnert zich een ontmoeting met Fidel die diepe indruk maakte. ‘Het was alsof ik door de bliksem werd getroffen.’ Tranen wellen op in zijn ogen.
Toen Castro zich in de jaren zeventig mengde in de Angolese burgeroorlog, meldde Frómeta zich aan voor de strijd. Nee, niet om ideologische redenen. ‘Het was een avontuur. Ik wilde Rambo zijn.’ De Amerikaanse actiefilm werd clandestien ook verslonden door Cubaanse jongeren.
Hij raakte gewond en kon ternauwernood ontkomen aan een amputatie in een Angolees ziekenhuis. ‘Ze (de staat, red.) wisten het. Ik heb er nooit erkenning voor gekregen.’
Met zijn anti-imperialistische socialisme eiste Castro in de tweede helft van de vorige eeuw een hoofdrol op het wereldtoneel. De charismatische rebel tergde Washington tot op het bot. De Verenigde Staten deden alles om hem ten val te brengen, maar faalden keer op keer.
Een door de VS gesteunde invasie van gewapende Cubaanse ballingen van de Varkensbaai liep in 1961 uit op een fiasco. Een jaar later kwam het bijna tot een militaire confrontatie met de Sovjet-Unie toen de Amerikanen nucleaire raketten ontdekten op het eiland. De CIA probeerde onderwijl op tal van manieren Castro om te brengen.
Een economisch embargo uit 1960 duurt nog steeds voort. Met hulp van de grote Sovjet-broer kwam Cuba desondanks niets tekort. Maar de gloriedagen hielden geen stand. Toen na 1989 het geldinfuus uit Moskou wegviel, trad in Cuba de schaarste in.
Tijdens die ‘Speciale Periode’ liep Frómeta een hernia op tijdens zijn werk op een scheepswerf. De staat stuurde hem naar huis, hij bleef met lege handen achter. ‘Ik heb nooit een cent gekregen, geen pensioen, geen uitkering, niet als veteraan, niet vanwege ziekte.’ Nu ziet hij een partijtop die vooral goed voor zichzelf zorgt. ‘En het volk kan stikken.’
In het verleden konden mensen terecht in de staatswinkels voor hun basale behoeften, maar in het huidige Cuba is iedereen op zichzelf aangewezen, zegt Arcenio Leonardo Cepero. ‘Het is redde wie zich redden kan.’ Hij werd geboren in het staartje van het revolutionaire jaar 1959. Nooit kende hij iets anders dan revolutie. Nu overheerst de boosheid. ‘Ze hebben mijn leven gestolen.’
De dunne Cepero schraapt zijn peso’s bij elkaar als inspecteur van afbrokkelende koloniale huizen in het oude Havana. Hij kent de stad als zijn broekzak. Als ‘aasgier’ jaagt hij in de warme straten op klusjes. ‘Want vandaag heb ik te eten, maar morgen misschien niet.’
Als jongeling wilde hij visser worden, maar toen hij zich meldde in de haven, kreeg hij te horen dat hij niet mocht uitvaren. ‘Ik had een oom in de Verenigde Staten. Dat was verdacht.’ Daar begon zijn ontgoocheling.
Castro’s grote fout, stelt hij, is dat hij naast de economie ook het denken centraliseerde. ‘Hij slaagde erin de manier van denken van de massa te domineren.’ Sinds Castro’s dood moeten Cubanen leren overleven als individuen terwijl de vergrijsde partijtop krampachtig vasthoudt aan oude ideeën, zegt Cepero. ‘We blijven hangen in het verleden en hebben niet in de gaten dat de hele wereld ons voorbij is gestreefd.’
Castro’s revolutie was altijd een uitwisseling: tegenover politieke repressie stonden gratis onderwijs en gratis zorg, een samenleving waarin mensen min of meer gelijk waren. De analfabete landarbeider leerde niet alleen lezen, hij ging naar de universiteit, werd ingenieur of arts.
‘De middelbare school, de universiteit, ik heb nooit een cent betaald voor mijn opleiding’, zegt de gepensioneerde docent Eugenio Betancourt, die op zijn 75ste overleeft als loodgieter. Ook hij is mager. ‘Soms begin je te piekeren: wat geef ik aan de kleinkinderen? Ik kan een dag zonder eten, zij niet.’
Betancourt werkte zijn leven lang als docent. Door les te geven aan de ambachtsschool leerde hij andere vaardigheden. Loodgieter, elektricien, monteur, hij is het allemaal. ‘Als je als leraar geen ander vak hebt geleerd, wat doe je dan na je pensioen?’
Op de dag van Castro’s jubileum buigt hij zich over een falende waterpomp in een woning in het oude Havana. Politieke verandering komt er voorlopig niet, zegt de oude onderwijzer. ‘Voor iedere generaal die verandering wil, zijn er drie die dat niet willen.’ Maar economische verandering is volgens hem wel mogelijk.
Die is bovendien onder Amerikaanse druk al ingezet. De staat kondigde recentelijk aan dat bedrijven brandstof mogen importeren (olietankers komen niet binnen, maar oogluikend staan de VS de import toe van grote tanks met duizenden liters benzine). Regels rond landgebruik worden versoepeld en Cubanen uit de diaspora mogen straks bedrijven openen in Cuba.
De wal deed het schip al keren. In de grotendeels informele markteconomie die is ontstaan, wordt de nieuwe tweedeling zichtbaar: die tussen Cubanen met familieleden in de VS en Cubanen zonder. De mensen met toegang tot dollars kijken reikhalzend uit naar de nieuwe economische kansen. Zij komen bovendien de stroomstoringen beter door dankzij geïmporteerde batterijen en zonnepanelen. De rest leeft in diepe armoede.
‘We hopen dat de hervormingen resultaat gaan opleveren’, zegt de Miriam Barrios. ‘Er moet iets gebeuren.’ De vrouw uit Camagüey woont tijdelijk bij haar dochter in Havana in een woninkje met beneden een kleine woonkamer en keukentje en boven één gedeelde slaapkamer. Aan de muur hangt een poster van een Zwitsers dorp. In een fles zwemt een vis.
Ze is bijna 70, maar heeft nog niets van haar revolutionaire vuur verloren. Nog steeds is ze trots lid van de burgermilities ter verdediging van het vaderland. ‘De milities zijn voorbereid op wat voor situatie dan ook.’
Als de Amerikanen binnenvallen, dan meldt zij zich bij het lokale verzamelpunt om te wachten op instructies, legt ze uit. Ze leerde een geweer gebruiken, maar nu haar benen haar in de steek laten, zal ze het schieten aan anderen overlaten.
Hoezeer Castro’s revolutie ook in verval is geraakt, Barrios blijft hem altijd dankbaar. Het is heel simpel, zegt ze. ‘Ik ben vrouw en ik ben zwart. Ik kon zolang naar school als ik wilde. Ik heb twee zwarte dochters die konden studeren aan de universiteit en die hetzelfde salaris verdienen als een man.’
Dan komt haar dochter thuis en huppelt kleindochter Lia de kamer in, met grote ogen achter grote brillenglazen. Ze werd woensdag 8 jaar, ‘een dag voor de verjaardag van Fidel’. Barrios heeft geen twijfels. ‘Ook met alle moeilijkheden die we momenteel hebben, voel ik me gelukkig in dit land.’
In de avond gaan haar dochter en kleindochter naar de enige publieke viering die de staat organiseert rond de eeuw van Castro. Op een plein naast de kade dansen enkele honderden mensen op de salsa van Arnaldo y su Talismán. ‘Open de fles’, zingt Arnaldo. ‘We gaan proosten op het geluk van alle Cubanen.’ Rond het publiek houden tientallen politieagenten en soldaten het feestje in de gaten.
Correspondent Joost de Vries vertelt in onderstaande video vanuit Havana hoe de Cubanen omgaan met de gevolgen van de Amerikaanse olieblokkade.
Source: Volkskrant