Home

Deze postuum verschenen dagboeken laten Cees Nooteboom zien als grootmeester van het tastende schrijven

Cees Nooteboom In het tweede deel van zijn dagboeken zet de onlangs overleden schrijver op on-Nederlandse wijze de ramen naar de wijde wereld open. Het laat hem zien als een ware kosmopolitische schrijver.

De handen van Cees Nooteboom, 2004.

Het is een speculatie, maar toch: stel dat schrijver en dichter Cees Nooteboom (1933-2026) zijn dagboeken bij leven had gepubliceerd, bijvoorbeeld aan het begin van deze eeuw, had hij dan wél de hoogste literaire bekroning ontvangen, de Nobelprijs voor Literatuur?

Cees Nooteboom: Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld. Dagboeken 1996-2006. Koppernik, 832 blz.€39,90

De Zweedse Academie kon dan kennisnemen van een auteur voor wie internationale politieke gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘9/11’ en de war on terror, van even grote betekenis zijn als een discussie over Heidegger met de Duitse filosoof Rüdiger Safranski, uitweidingen over Marcel Proust, gedachtewisseling over de toekomst van Amerika met schrijfster Mary McCarthy of een pelgrimage naar de heilige Japanse tempels. In het tweede, omvangrijke deel van zijn dagboeken dat het decennium 1996 tot 2006 bestrijkt, presenteert hij zich als een schrijver die op on-Nederlandse wijze de ramen naar de wijde wereld openzet tot ver buiten Europa, naar Japan, Amerika en Australië. Het heet, naar een citaat van filosoof Peter Sloterdijk, Naar de wereld, in de wereld, uit de wereld met als ondertitel Dagboeken 1996-2006.

Meer dan in deel een, De danser en de monnik. Dagboeken 1970-1995 (2023), zien we Nooteboom worstelen met het schrijverschap. De lezer is getuige van de moeizame ontstaansgeschiedenis van de roman Allerzielen, die in 1998 zou verschijnen. Nooteboom herinnert zich dat dichter Ed. Hoornik (1910-1970), die in Amsterdam een literaire salon hield, eens tegen hem zei geen gevoel voor ‘structuur’ te bezitten. Hij geeft toe dat zijn werkwijze „tastend” is, „pointillistisch”. Dat tastende schrijven heeft alles te maken met Nootebooms onrust, zowel in fysiek als creatief opzicht. Zo noteert hij op 27 november 1996: „Parijs. Trachten terug te denken: Roermond, Hasselt, Luik, Düsseldorf, Amsterdam, Innsbrück, München, Boedapest, Amsterdam, München, Berlijn, Bad Segeberg, Amsterdam, Parijs. En daar tussenin Kyoto, Tokio – alles in vijf weken.”

Gebrek aan waardering

Ondertussen voert hij intensieve correspondenties met tal van collega-auteurs, steggelt hij met zowel Nederlandse als buitenlandse uitgeverijen, bijt zich vast in metafysische verhandelingen van duizenden pagina’s (onder meer van Sloterdijk) en toont zich diep ontgoocheld door gebrek aan waardering in eigen land. Hij spaart critici niet en noemt hen bij naam, onder wie Arnold Heumakers (NRC), Maarten Doorman (NRC), Max Pam en diens satirische roman De Herenclub (1997), Michaël Zeeman (de Volkskrant) en Arjan Peters die een „misselijk stukje in de Volkskrant” (29 mei 1998) schreef waarin hij een gelegenheidsrede van Harry Mulisch, gehouden op 23 november 1997 in München, vergelijkt met een Berlijnse lezing van Nooteboom van 7 december van datzelfde jaar. Nootebooms contemplaties doet Peters af als „irritant” en ook: „Cees Nooteboom moet al bijna 65 jaar heel ver lopen […] voordat er iets belangwekkends op papier komt. Als het komt.” De vergelijking met Mulisch die voor Nooteboom negatief uitvalt, grieft hem; hij reageert als gebeten: „Grote onzin, chicanerie, maar toch zo’n gevoel als bij eczeem: die lui raak je nooit kwijt met al hun onbenulligheid en jaloezieën.”

Het „vernietigende karakter van de Nederlandse kritiek” doet hem pijn. Critici zijn niet gediend van filosofie in romans, aldus Nooteboom, die dat juist wél nastreeft. Hij voelt verwantschap met Connie Palmen die, evenals Nootebooms Duitse voorbeelden Safranski en literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki, in haar werk „structuren van diepe eruditie” laat zien. Over Zeeman, die Allerzielen „woedend” tot de grond toe afbrak, noteert hij op 14 januari 2001 naar aanleiding van zijn stuk in de Volkskrant over melancholie: „Oppervlakkig geraaskal, zonder diepte.”

Er is vaak schamper gedaan over die miskenning en soms zelf vijandelijke bejegening die Nooteboom in Nederland te beurt viel. Hij is immers zowel nationaal als internationaal een van de meest gelauwerde auteurs uit ons taalgebied, die in de periode van deze dagboeken onder meer de P.C. Hooft-prijs ontving. Al laat Nooteboom zich in deze polemische uitvallen niet van zijn beste kant zien, ze kruiden wel de mijmerende, associatieve sfeer. Zijn houding is ambivalent; enerzijds toont hij hang naar erkenning, anderzijds koestert hij afkeer. De zelftwijfel werkt verlammend, zozeer dat de schrijver vastliep in twee historische romans, Urraca en Album.

Met collega Mulisch raakt hij geleidelijk verwikkeld in rivaliteit. Mulisch, die zichzelf ‘de Grote Eén’ van de Nederlandse literatuur noemt, komt op meer dan honderd pagina’s voor – het meest, blijkt uit het personenregister. Met de Herenclub verzamelde Mulisch een kring van bewonderaars om zich heen, onder wie ook Nooteboom. Toch vraag je je af waarom Nooteboom telkens aanschuift, want de sfeer op die club is vaak om te snijden, zeker naarmate Mulisch ouder wordt en in de woorden van Nooteboom lijdt aan „fossilisering” en „verstening”. Hij mist bij Mulisch elegantie, hoffelijkheid en collegiale generositeit.

Verval als spiegel

De teloorgang van deze literaire vriendschap is een van de diepere thema’s van dit boek, gevoegd bij ingrijpende drama’s als het ziekbed en de dood van tal van vrienden, onder wie Hugo Claus, Eddy van Vliet, Joop van Tijn, Lodewijk de Boer, Philip Mechanicus, Peter Schat en Jan van Vlijmen. Elk van hen krijgt een aangrijpend afscheidsportret. Met Claus is Nooteboom goed bevriend totdat op 31 juli 2006 het definitieve bericht komt over „Hugo’s Alzheimer” als „een aangekondigde dood”. Claus zal zelf het eind kunnen bepalen, zoals zijn vrouw Veerle zegt, maar hoe? Nooteboom: „Kun je daarover arbitrair een afspraak maken? Als hij haar niet meer herkent? Als hij niet meer thuis kan blijven? Als de grote duisternis invalt? Het geheel hangt als een schaduw over ons. Alle herinneringen sinds 1955! Zoveel beelden, zoveel, uiteindelijk nu, verval.”

Dit verval fungeert als spiegel voor Nooteboom, die in deze jaren van 63 tot 73 jaar oud wordt. De ouderdom nadert, en daarmee het lichamelijk falen. Er zijn meer lijnen te ontdekken, bijvoorbeeld de liefdes voor de Amerikaanse, in Ierland woonachtige schrijfster M. en de Duitse kunsthistorica Jeanette Z., ook J.Z. of Z. Consciëntieus tekstbezorger Philippe Noble houdt welbewust vast aan de initialen, en dat is mooi: het maakt het geheime dilemma voelbaar tussen deze liefdes en de verbondenheid met zijn vrouw, fotograaf Simone Sassen. Op 27 november 1996 belt hij met Z. vanuit een Parijse telefooncel en haar stem klinkt „tussen kind en verleiding”. Als hij enkele dagen niets van haar hoort, heerst er „stilte, misschien beter ook”. De passages over trouw versus ontrouw behoren tot de allermooiste uit dit journaal.

Naarmate de jaren verstrijken veranderen dagboekachtige notities in prachtige mini-essays over het schrijven en de noodzaak van fictie, zoals deze: „We kunnen de werkelijkheid zonder die fictie niet onder ogen zien: te gevaarlijk, onkenbaar, en uiteindelijk vol minachting.” Of deze entree van 15 april 1996, enkele dagen nadat Nooteboom „eindelijk” aan Allerzielen is begonnen: „Het dubbelzinnige aan kunst is dat die tegelijkertijd de afgrond zichtbaar maakt en een schijn van orde daaroverheen bouwt.”

De dagboekschrijver is een hartstochtelijk prozalezer van auteurs als Stendhal, Borges, Nabokov en Proust, maar vooral van dagboeken, met name van Virginia Woolf. Hij noemt haar schrijversdagboeken „meesterlijk” vanwege diezelfde strijd die hijzelf dagelijks voert, zoals in deze notitie (15 juli 2005) over „die waanzinnige worsteling rond het schrijven van haar boeken, het proces – voel me daarnaast ook klein – heb altijd het gevoel dat mijn boeken ‘per ongeluk’ gebeuren. Zij dacht ze uit, wilde weten wat ze ging doen […].” Hij prijst de grandioze eerlijkheid van haar dagboeken en herkent haar wachten „vol angst op de kritiek”. Lees een dagboek, betoogt Nooteboom, en je „krijgt er een leven bij”. Nootebooms dagboeken bieden de lezer een openhartige reflectie op het schrijversleven, erudiet en met ongekende inzet.

Het derde deel van de dagboekenreeks, tevens het slot, staat gepland voor volgend jaar; het zal de jaren 2007 tot 2020 bestrijken.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next