Home

Mijn kapper poneerde doodleuk dat de mens slechts een haarmachine is. Besefte ik dat?

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Mijn kapper, alweer mijn derde in Breda, kalm aan, op een dag zijn ze op, is een denker. In een volgend leven zal hij terugkeren als een groot filosoof. Een tijdje geleden poneerde hij doodleuk dat de mens slechts een haarmachine is. Hij hield een pluk van mijn haar omhoog. Iedereen, ook ik, werkte dag en nacht door aan duizenden van deze draadjes. Besefte ik dat?

Jawel, zei ik tot zijn verrassing. Ik bekende iedere ochtend het verschil te zien, nooit was het korter geworden, altijd langer. Hij knikte, en knipte zwijgend voort, hij leek alweer klaar met de materie.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Tot hij plotseling opmerkte: ‘Haar is toch echt wel iets anders dan, nou ja, de grote boodschap. Als ik zo vrij mag zijn.’

Eigenlijk niet. Tot dusver was het me gelukt zijn goed gecoiffeerde voorkomen (wie kapt de kapper, ik nam aan niet zijn stagiair, over wie hij zodra het ventje even uit het zicht was steen en been klaagde) niet in verband te brengen met zijn stoelgang. Ik heb dat met alle mensen, ik leef graag in de illusie dat de ander, aan wie al zoveel mankeert, zie Sartre, zijn ruggetje nooit snuit, om het netjes te formuleren.

Maar het was al te laat, voor ik bezwaar kon aantekenen postuleerde mijn kapper dat, nou ja, een drol geen creatie was, geen product, maar een restant. Wat er vanonderen uitkwam was altijd minder dan wat je er aan de bovenkant instopte, kwalitatief (hij zette zijn vingers op zijn neus), maar ook kwantitatief.

Ik begon het nut van de kappersbabbel in te zien, die vaak over het weer gaat, maar nooit over klimaatverandering. Als je oren je lief zijn, moet je niet tegen een kapper zeggen dat hij voortaan maar eens met de trein naar Spanje moet. ‘Misschien moet je je theorie toch eens nawegen’, zei ik, ‘eerst je eten, en de volgende dag, misschien op hetzelfde bord, het keutelwerk.’

Een wat zuur lachje was mijn deel. Hij wilde af van de viespeukerij, terug naar het haar, de mens als haarmachine. Als ik eens wist hoeveel vuilniszakken haar hij op weekbasis bij elkaar bezemde.

Maar was het niet te gortig, opperde ik, om een mens te reduceren tot een haarfabriek? Alleen al een hoofd kon zoveel meer. Neem bepaalde kale filosofen, die vielen flink buiten de boot. Ik noemde Michel Foucault.

Mijn kapper keek me fronsend aan. Nog liever knipte hij zijn eigen oor eraf dan toe te geven niet bekend te zijn met het kapsel van Michel Foucault. Was ik wellicht zo’n lul die expres een filosoof te berde bracht met de woeste manen van Socrates, de voetballer?

‘Da’s waar’, zei hij ten slotte. ‘Behalve als je de mens vergelijkt met een smartphone.’ Nu gluurde ik hem aan. Gingen we ontologisch doen? ‘Je kunt ermee bellen’, zei hij, ‘maar ook nog duizend andere dingen. Toch heet het een smartphone. Mensen zijn haarmachines, punt uit. Wist je dat een dooie z’n haar nog een tijdje doorgroeit?’

Hard terugfilosoferen. Was een kale dan eigenlijk ook een levende dode? Een normale kapper zou hierom moeten (glim)lachen, maar de mijne niet, hij ging erover nadenken.

Best een rare kapper. Dat bleek de afgelopen maanden eens te meer, hij is namelijk in rook opgelost. Ik stuurde hem altijd een appje, of hij plek had, en dan kreeg ik meteen vriendelijk antwoord, maar ergens in april luidde het: ‘Beste klant, helaas ben ik door mijn rug gegaan, alle afspraken vervallen.’

Sindsdien loop ik rond als de filosoof Herman Brusselmans. Om de zes weken pols ik mijn kapper voorzichtig, wat een narigheid, hoe gaat het inmiddels, etc. – geen reactie. Wat is er gaande? Is hij zijn hoofdwerk aan het schrijven? Is hij een haarplantage begonnen?

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next