Home

Ik ben niet alleen opgegroeid in de wereld van het communisme, maar ook in die van het schaken

is socioloog.

Hongarije heeft een nieuwe president en dat is niet Judit Polgar. De voormalige topschaakster sloeg de uitnodiging van premier Peter Magyar af. Beetje jammer wel, want Polgar is, zeker na de recente Netflixdocumentaire Queen of Chess, een internationaal idool en rolmodel, wat een fraaie afrekening zou hebben gesymboliseerd met het vrouwvijandige bewind-Orbán.

Schaken is in. Het overlijden van Jan Timman haalde het NOS Journaal, kranten publiceren grote schaakverhalen, in Museum Belvédère schaakten kunstenaars tussen door kunstenaars ontworpen spellen en bij clubs melden zich massaal jongeren. Ook meisjes. De Nederlandse Eline Roebers is zelfs op weg naar de grootmeestertitel. Hun schaakenthousiasme is behalve aan covid en Polgarmania ook te danken aan de beeldschone Netflixserie The Queen’s Gambit uit 2020.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Op een foto uit 1954 zit ik te schaken met mijn broertje Max (naar wereldkampioen Euwe). Hij is 3 en overziet staande het lage tafeltje met ons bord. Ik ben 5. Net zo oud als Polgar (1976) toen haar vader begon zijn drie dochters te trainen. Alle dagen stampten ze ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds kaartenbakken vol openingen en eindspelen in hun hoofd. Op haar 15de werd Judit grootmeester.

Mij verging het anders. Om geen ‘schuiver’ te blijven moet je openingen bestuderen, legde mijn vader me uit. Dat hij daarin gelijk had, maakt Queen of Chess overduidelijk. Polgar begon witpartijen tegen Angstgegner Gary Kasparov steevast met e2-e4. De wereldkampioen antwoordde met ‘Siciliaans’ en als je dan niet weet hoe dat verder gaat, dan kun je het vergeten. Ik had in openingen leren geen zin en dat betekende schluss. Mijn vader heeft nog maar zelden met mij geschaakt. Al ben ik vermoedelijk het enige Nederlandse meisje dat grootheden als Michail Botwinnik een handje mocht geven, van het spel weet ik weinig meer dan dat je ‘j’adoube’ moet zeggen als je een stuk wilt rechtzetten waarmee je niet speelt.

Nauwelijks minder dan in de wereld van het communisme ben ik opgegroeid in die van het schaken. Mijn vader was een hoofdklassespeler én sprak Russisch. Toen hij midden jaren vijftig vertrok van de redactie van De Waarheid werd hij schaakjournalist. Het is een wonderlijk toeval dat zijn twee hartstochten in de Koude Oorlog compleet waren vervlochten.

In mijn kinderbrein won de Sovjet-Unie de ruimterace doordat alle kinderen daar leerden schaken en dus goed konden rekenen en analyseren. Schaken wás de Sovjet-Unie en vice versa. Alle wereldkampioenen kwamen daarvandaan. De Binnenlandse Veiligheidsdienst volgde naast ons gezin ook mijn vaders contacten met al die notoire Oostblokspelers nauwgezet.

De Koude Oorlog komt in de Polgar-documentaire ruim aan bod. De zusjes ondervonden uitreisbeperkingen; het schokte de Oostblok-hiërarchie toen Hongarije dankzij hen op de Olympiade van 1988 de hegemonie van de Sovjetvrouwen doorbrak; en het Westen schreef vaders drilmethode (waaronder Judit niet lijkt te hebben geleden) gretig toe aan communistische liefdeloosheid. Toch vormde, schat ik, de seksenstrijd in Judits lange mars naar de toptien een groter obstakel dan de internationale klassenstrijd. Zo gaven diverse grootmeesters haar, contrair de schaaketiquette, geen hand als ze hadden verloren.

In hun platte seksisme deden links, rechts, oost en west niet voor elkaar onder. Net als in het vrije Westen speelden Sovjetmannen en -vrouwen in aparte competities. Volgens Bobby Fischer (wiens record als jongste grootmeester Polgar brak) waren vrouwen ‘just not so smart’; volgens grootmeester Hein Donner, aimabele linkse huisvriend van mijn ouders, ontbeerden zij de voor schaken vereiste ‘intuïtie’.

Garry Kasparov toont zich de allerdomste. ‘Vrouwen moeten baby’s krijgen. Ze kunnen zich niet lang genoeg concentreren voor een partij’, wist hij. Bewijs: er was nooit een vrouw wereldkampioen. Nee, evenmin paus. Zoals hij had kunnen weten mochten vrouwen niet deelnemen aan de toernooien die de aanloop vormen naar een wereldkampioenschap.

Maar al konden ze volgens hem dan niet goed schaken, in de documentaire zien we dat Kasparov zelf in Linares, het belangrijkste toernooi van de wereld, vals speelt tegen de 18-jarige Polgar. Hij neemt een foute zet terug. Streng verboden. Wat kon ze doen? Niemand zou het woord van een pubermeisje tegenover dat van de nummer één van de wereld geloven en bovendien zou geen toernooi haar nog uitnodigen als ze hem beschuldigde.

Ze zwijgt en verliest. Jaren later versloeg ze ‘de beste speler ooit’ alsnog. Een triomf voor haarzelf en haar sekse.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next