Home

Opinie: Voorkomen van antisemitische beeldtaal is een zoektocht die alle redacties aangaat

In de dagelijkse worsteling om via een cartoon, een foto of een woordkeuze het spotlicht op een prangende zaak te richten, kunnen ook goedbedoelende cartoonisten en journalisten onbewust grijpen naar stereotypen die een antisemitische connotatie met zich meedragen.

Afgelopen weekend publiceerde de Volkskrant een strip van Peter de Wit,
‘Blije mensen: Israël’. Vijf figuren vertellen opgewekt over het verjagen,
bombarderen en zien creperen van Palestijnen. De laatste figuur draagt geen uniform en geen helm, maar een zwarte hoed en een baard. Hij zegt dat God aan zijn kant staat.

Op sociale media leidde de strip tot een golf van verontwaardiging en beschuldigingen over en weer.

Over de auteur
Eddo Verdoner
is Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Tussen alle ophef legde Jessica Roitman, hoogleraar Joodse Studies aan de Vrije Universiteit Amsterdam, online de vinger op de juiste plek. Roitman bekritiseert niet de cartoon als geheel, en al helemaal niet het recht om scherp te tekenen over Israëlisch beleid.

Pijpenkrullen

Zij wijst op één figuur: geen politicus, geen soldaat, maar een religieuze karikatuur: hoed, baard, pijpenkrullen, en een geloof dat het doden van onschuldige mensen toestaat en dat hij er vrolijk van wordt. Dat is beeldtaal veel ouder dan de staat Israël zelf, waarin het jodendom zelf wordt voorgesteld als de bron van wreedheid.

Ik denk dat zij met die vaststelling iets essentieels blootlegt en dat het antwoord daarop niet vrijblijvend is. Niet omdat je er automatisch van uit mag gaan dat een redactie, tekenaar of journalist antisemitische bijbedoelingen heeft. Maar wel om duidelijk te maken dat een stereotype, wanneer je het gebruikt om je punt te onderschrijven, ook een eigen betekenis met zich meedraagt. Een betekenis die de lezer erin kan terugvinden, ongeacht de bedoeling erachter.

In de dagelijkse worsteling om via een cartoon, een foto of een woordkeuze het spotlicht op een prangende zaak te richten, kunnen ook geoefende, goedbedoelende cartoonisten en journalisten onbewust grijpen naar bestaande beeldtaal en stereotypen die een antisemitische connotatie met zich meedragen. Juist omdat ze herkenbaar zijn, en snel een punt maken.

Diep verankerd

Omdat die stereotypen diep verankerd zijn in onze cultuur, vallen ze nauwelijks nog op. Maar ze zijn niet onschuldig: die beelden dragen een lange geschiedenis van haat met zich mee, en dragen ook hier en nu bij aan haat tegen Nederlandse Joden. Hier ligt een extra verantwoordelijkheid, die samengaat met de vrijheid van meningsuiting en een vrije pers.

De verantwoordelijkheid om, wanneer de tijdsdruk hoog is en het beeld snel moet landen, even stil te staan bij de vraag welke beeldtaal je eigenlijk gebruikt.

Die verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de tekenaar of journalist die het werk maakt, maar bij alle Nederlandse redacties en iedereen die staat voor het vrije woord. Een vrije pers, met ruimte voor scherpe en ongemakkelijke journalistiek, is namelijk onmisbaar. Juist daarom loont het om het gesprek te voeren over waar kritiek eindigt en stereotypering begint. Niet als verwijt aan één persoon, maar als zoektocht die alle Nederlandse redacties aangaat.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next