Home

Deltaplan natuurbranden nodig: ‘We moeten leren branden te laten branden’

Nederland heeft een nieuw Deltaplan nodig, niet tegen water maar tegen vuur, zegt Jelmer Dam, landelijk regisseur natuurbrand. Of beter: mét het vuur. ‘Dat is de enige manier om echt grote rampen te voorkomen.’

werkt sinds 2012 voor de Volkskrant als journalist en columnist.

Nederland heeft een nieuw Deltaplan nodig, niet tegen water maar tegen vuur, zegt Jelmer Dam, landelijk regisseur natuurbrand. Of beter: mét het vuur. ‘Dat is de enige manier om echt grote rampen te voorkomen.’

werkt sinds 2012 voor de Volkskrant als journalist en columnist.

Het idee speelde al langer in zijn hoofd, maar toen Jelmer Dam, de landelijk regisseur natuurbrand voor Brandweer Nederland, het afgelopen april opnam tegen de natuurbrand in ’t Harde, wist hij het zeker: Nederland heeft een Deltaplan voor natuurbranden nodig, want dit gaat zo niet langer.

Die brand in ’t Harde verspreidde zich voor Nederlandse begrippen namelijk zo snel, en om hem te beteugelen waren zoveel specialistische teams nodig, dat er al op dag één schaarste ontstond in de rest van het land.

‘Bij het bestrijden van natuurbranden heb je vaak te maken met schaarste. Er is bijvoorbeeld te weinig water, er zijn te weinig middelen of te weinig mensen. Het is dus zaak om die schaarste op de juiste manier te verdelen.’ Die schaarste wordt steeds groter in Nederland omdat de frequentie van de natuurbranden ondertussen significant toeneemt – ‘we hebben momenteel 25 tot 30 natuurbranden per dag’ – net als hun intensiteit. Doordat de winters milder zijn, duurt het groeiseizoen namelijk langer, met als gevolg dat er veel meer brandstof in de natuur aanwezig is dan vroeger.

Het gevolg: om de brand in ’t Harde te beteugelen, was zoveel personeel nodig, dat voor de eerste keer ooit in Nederland werd besloten dat, als er op dat moment nog een grote brand zou uitbreken, die op zijn beloop te laten. ‘Als er toen nóg een brand snel heel groot was geworden, hadden we dus de strategische keuze gemaakt daar niet al onze capaciteit op te zetten’, zegt Dam.

Is het niet levensgevaarlijk om een grote brand zomaar te laten voortwoekeren?

‘Ja, dat is zeker gevaarlijk, en de hulpverleningsdiensten zullen dan ook iedereen zo snel mogelijk evacueren. Elders in Europa gebeurt dat vaker, maar in Nederland heerst de attitude: wij lossen alles op. Kijk naar het waterdossier, waar we in eerste instantie ook ons volledige landschap hebben aangepast aan onze wensen, omdat we het lastig vinden de natuur haar gang te laten gaan. Bij een brand is de pavlov-reactie van Nederlanders: blussen. Wij willen altijd sterker zijn dan de brand dus: hup, we vallen de kop van het vuur aan met alles wat we hebben.

‘Alleen blijkt uit rekensommen dat sommige branden tegenwoordig zo heet zijn, dat er wel achthonderd brandweervoertuigen nodig zijn om die te blussen. Stel dat we die allemaal zouden inzetten, dan is er geen capaciteit meer om die overige dertig natuurbranden te bestrijden – waardoor die allemaal in omvang toenemen – maar er is ook niemand meer beschikbaar voor de woningbranden die dag. Of voor de verkeersongevallen, de waterreddingen en de chemische ongevallen. Het is, met andere woorden, onmogelijk om sommige echt grote natuurbranden te beteugelen met de huidige aanpak.

‘De omstandigheden in Nederland zijn veranderd, dus moet ook onze omgang met natuurbranden veranderen. We moeten leren grote branden soms te laten branden, zodat we capaciteit overhouden om kleine branden klein te houden. Dat betekent dat we in de toekomst soms een camping zullen moeten opgeven.’

Maar wat gebeurt er na die camping? Een grote brand kun je toch niet oneindig door Nederland laten razen?

‘Een grote natuurbrand verandert op den duur vanzelf van intensiteit, bijvoorbeeld doordat de omstandigheden veranderen, of doordat vegetatie ophoudt. Of doordat er een grote snelweg ligt, of een dorp of stad.’

Als het vuur een stad bereikt, krijg je toch Californische toestanden, waarbij vorig jaar hele buitenwijken van Los Angeles in rook opgingen?

‘In Nederland hebben we een totaal andere bouwtechniek. We gebruiken andere materialen en vooral: onze bouwregelgeving is echt heel goed. In het allerergste geval raken er misschien 25 huizen beschadigd. Maar zelfs dat scenario is nu bijna onbespreekbaar, omdat opgeven geen concept is dat de Nederlandse brandweer kent.’

In Portugal, een land dat nu voorloopt in natuurbrandbestrijding, ging het roer pas om na een dodelijke ramp in 2017. Is dat de enige manier om het besef in te laten dalen?

‘Laten we hopen van niet. Het Deltaplan voor het water is al in de jaren dertig bedacht, ver voor de Watersnoodramp van 1953. Toch was die ramp nodig om het plan te implementeren. Mijn advies: laten we leren van de geschiedenis.’

Zijn we dicht bij een ramp?

‘We hebben de afgelopen jaren meerdere keren geluk gehad.’

Realiseren genoeg mensen zich dat?

‘Nee. Althans, als het een periode droog is wel. Dan wordt erover gesproken, doen journalisten dit soort interviews, maar zodra het weer gaat regenen, is het vaak einde issue. Dan is de bestuurlijke urgentie weg en dat is een risico, want we hebben zeker vijf tot tien jaar nodig om ons als brandweer goed voor te bereiden.’

Waarom zo lang?

‘Bijvoorbeeld omdat ook het landschap anders moet worden ingericht. Als ergens alleen maar aaneengesloten naaldbossen staan, kunnen wij als brandweer eigenlijk niets doen tot de vegetatie verandert. We moeten daarom af van wetgeving die alles probeert te behouden wat er is. Ook de natuur moet meebewegen met de veranderende omstandigheden.

‘Dat geldt ook voor de brandweer zelf. Nu gaat brandbestrijding in Nederland voornamelijk via een wagen met daarin een paar duizend liter water. Dat ging altijd goed, want de meeste Nederlandse branden zijn in stedelijke gebieden met veel waterpunten. Maar zodra er meer natuurbranden komen, en het water schaarser wordt, zullen we ook moeten leren omgaan met alternatieven zoals handgereedschappen, vuurzwepen, bulldozers en helikopters. We moeten leren hoe je tegenbranden inzet. We hebben vliegtuigen nodig van verschillende maten en soorten in combinatie met goede analisten die zeggen: laat deze brand nu nog maar even voortwoekeren, want over een uurtje zijn de omstandigheden beter om hem op te pakken, omdat de relatieve luchtvochtigheid dan toeneemt.

‘Waar ik eigenlijk voor pleit, is een Deltaplan voor natuurbranden. Als wij het klimaat van Midden- of Zuid-Frankrijk krijgen, betekent dat ook dat we steeds vaker de branden krijgen die ze nu daar hebben. Ons grote voordeel is dat we het zien aankomen. Laten we dat voordeel benutten. Laten we in actie komen voor het te laat is.’

Wat moet er, naast een veranderende natuur en nieuwe technieken bij de brandweer, nog meer in zo’n Deltaplan staan?

‘Misschien wel het belangrijkste is dat de verantwoordelijkheden duidelijk moeten zijn. Nu hebben we bijvoorbeeld 25 autonome veiligheidsregio’s waarvan iedere leidinggevende kan zeggen: nee, deze natuurbrand slaan we even over, want ik wil onze capaciteit liever inzetten bij een mogelijke brand even verderop. Dat kan in het geval van grote natuurbranden niet. Dan is er iemand met een duidelijk mandaat nodig.

‘Op politiek niveau geldt hetzelfde. Iemand moet de eindverantwoordelijke zijn voor een landelijke aanpak. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de brandweer, de natuurgebieden die in brand staan, vallen onder het ministerie van Landbouw, de bermen van de snelwegen waar de branden soms beginnen, vallen onder Infrastructuur en Waterstaat.

‘Iedereen heeft zijn eigen belangen, maar met het oog op de openbare veiligheid is het belangrijk dat iemand met overzicht tegen bijvoorbeeld Rijkswaterstaat kan zeggen: om een grote brand te voorkomen, is het echt belangrijk om de bermen van snelwegen in natuurgebieden vandaag nog te maaien. Momenteel is dat lastig, omdat Rijkswaterstaat vanwege Europese aanbestedingsregels eigenlijk maar twee keer per jaar mag laten snoeien. Een Deltaplan kan helpen dat soort bezwaren te overstijgen.’

Gesprekken over natuurbranden wekken geregeld maatschappelijke weerstand op vanwege de link met klimaatverandering. Voorziet u problemen?

‘Er is inderdaad tegendruk, bijvoorbeeld mensen die zeggen dat natuurbranden niet ontstaan door het klimaat, maar door pyromanen. Of door ongelukken. Dat klopt ook uiteraard, maar het feit blijft dat de omgeving aan het veranderen is. Daardoor is het resultaat van pyromanen en ongelukken vele malen groter, simpelweg omdat alles brandbaarder is door de droogte.

‘Ons natuurbrandteam krijgt nu al dreigbrieven, dat we linkse wappies zijn. Of brieven, geschreven met van die losse, uit kranten geknipte letters, waarin staat dat mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog om minder zijn geliquideerd. Zelf probeer ik het woord klimaatverandering daarom zo veel mogelijk te vermijden. In het openbaar spreek ik liever over de droogte en de hitte, omdat echt niemand kan ontkennen dat het deze zomer droog en warm is. En hoe minder discussies over dit onderwerp losbarsten, hoe gemakkelijker het wordt om structurele maatregelen te nemen.

Nederlanders identificeren zich van oudsher enorm met de strijd tegen het water. Dat is een strijd die, zo vinden we zelf, het beste in ons naar boven haalt. Gaan we ook ooit zo denken over de strijd tegen vuur?

‘Ik denk dat de twee zeer vergelijkbaar zijn. In het waterdossier hebben we op gegeven moment namelijk de omslag gemaakt van het water niet langer als vijand te zien, maar juist als bondgenoot. We hebben besloten het water niet meer te stoppen, maar het simpelweg de ruimte geven, bijvoorbeeld in uiterwaarden.

‘Bij vuur moeten we uiteindelijk hetzelfde doen. Ook daar moeten we niet continu tegen vechten, want dat gevecht verlies je. Het is beter om te leren zo goed mogelijk samen te leven met vuur. Dat is de enige manier om echt grote rampen te voorkomen.’

Source: Volkskrant

Previous

Next