Frankrijks staatsschuld loopt razendsnel op. Het land betaalt nu een hogere rente op zijn staatsleningen dan Italië en Griekenland. Stort Frankrijk Europa in een nieuwe eurocrisis? Waarschijnlijk niet, want de ECB heeft zijn reddingsboeien paraat.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over financiën en landbouw.
‘Het is een onweerstaanbare, niet te onderdrukken vloedgolf die het leven in dit land begint te overwelmen’, schrijft François Bayrou in zijn recente boek Waarschuwing over het Frankrijk dat komen gaat. De spreekwoordelijke tsunami waar hij aan refereert is de Franse staatsschuld. Volgens Bayrou dreigt Frankrijk in zijn schulden te verdrinken, tenzij de regering snel en hard ingrijpt om de begroting op orde te brengen.
Frankrijk ontwikkelt zich razendsnel tot het financiële zorgenkind van het eurogebied. In het buitenland vragen steeds meer politici en economen zich af of het financiële wanbeleid van de regering in Parijs een nieuwe eurocrisis kan uitlokken die andere eurolanden dwingt Frankrijk te hulp te schieten. In 2010 en 2012 tuigden de eurolanden en de Europese Centrale Bank (ECB) een dergelijke reddingsoperatie voor Griekenland en Cyprus op om te voorkomen dat de eurozone uit elkaar zou vallen.
De schuldenberg van de Franse overheid is echter negen keer zo groot als die van Griekenland en Cyprus samen. De Franse staatsschuld passeerde eerder dit jaar de grens van 3.500 miljard euro, wat overeenkomt met 118 procent van het Franse bruto binnenlands product (bbp). Dat is bijna twee keer zo hoog als de door Brussel gestelde bovengrens van 60 procent van het bbp.
Frankrijk staat nu met stip op drie in de lijst eurolanden met de relatief hoogste schulden, na Griekenland en Italië. Het cruciale verschil met de twee koplopers: zij hebben stevige maatregelen genomen om hun begrotingstekort terug te dringen. Italië zit vlak boven de Europese 3 procentnorm en Griekenland realiseerde vorig jaar zelfs een begrotingsoverschot. Het Franse begrotingstekort overschrijdt al drie jaar de 5 procent en zal daar ook dit jaar vrijwel zeker overheen schieten.
Het gevolg is dat Frankrijk van alle eurolanden dinsdag de hoogste rente op zijn staatsleningen betaalde, een fractie meer dan de notoire schuldenlanden Italië en Griekenland. Gaat Frankrijk nu een nieuwe, nog veel grotere eurocrisis veroorzaken?
Dat hoeft niet. De ECB staat sinds de Griekse crisis namelijk klaar om in te grijpen als Frankrijk (of een ander euroland) onder zijn schuldenlast dreigt te bezwijken. In het staartje van de vorige eurocrisis riep de centrale bank een nieuw beleidsinstrument in het leven, het Transmission Protection Instrument (TPI). Critici stelden destijds spottend dat die afkorting stond voor ‘To Protect Italy’, omdat Italië toen als het grootste probleemgeval werd aangemerkt.
De ECB zal in geval van nood (net als in 2012) staatsleningen opkopen van landen met hoge rentelasten. Volgens de Britse denktank OMFIF is Frankrijk al bij de ECB aan het aftasten of het TPI dan kan worden ingezet. Door zo’n marktinterventie van de centrale bank zal de Franse rente vanzelf dalen naar een draaglijk niveau. De ECB kan hiertoe besluiten buiten de democratische organen van de EU om. Nederland en andere regeringen van eurolanden hebben daar niets over te vertellen.
Zulke reddingsacties van de ECB hebben wel een prijs. De Nederlandsche Bank lijdt de laatste jaren miljardenverliezen op de staatsleningen die DNB vanaf 2012 in opdracht van de ECB heeft opgekocht. Vanwege die verliezen keert DNB al een paar jaar geen dividend meer uit aan de Nederlandse schatkist, die daardoor miljarden misloopt. De Duitse Bundesbank leed volgens het IMF tot 2023 50 miljard euro verlies op het opkoopprogramma van de ECB (en die teller loopt nog door).
Italië en andere schuldenlanden hebben dat probleem niet. Hun centrale banken lijden geen verliezen op de opkoopprogramma’s. Bovendien hebben die landen veel meer geprofiteerd van het rentedrukkend effect van de ‘kwantitatieve verruiming’ van de ECB dan Nederland, Duitsland en Luxemburg, de drie meest kredietwaardige landen in de eurozone (de enige met een triple A-waardering).
Een andere, onzichtbare prijs van de ECB-ingrepen (het virtueel bijdrukken van geld) is hoge inflatie. Ook dat is gunstig voor landen met hoge schulden, en ongunstig voor lidstaten met veel opgepot vermogen (pensioenfondsen) en een relatief lage staatsschuld zoals Nederland.
Op deze manier werkt het eurogebied als een transferunie, waarbij structureel geld van de economisch sterke naar zwakkere landen vloeit. Duitsland en Nederland waren daar juist beducht voor toen de eurozone werd opgericht, maar meenden dat risico te hebben afgedekt met de begrotingsafspraken in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP, maximaal 3 procent begrotingstekort en maximaal 60 procent staatsschuld) en de oprichting van een ‘onafhankelijke’ ECB.
Op die onafhankelijkheid van de ECB valt nogal wat af te dingen. Al snel na de oprichting van de ECB brandde er een machtstrijd los tussen ECB-bestuurders uit fiscaal strenge (meest Noord-Europese) landen en fiscaal rekkelijke (meest Zuid-Europese) landen. De meeste ECB-bestuurders vertegenwoordigen in de praktijk gewoon de visie (en het belang) van hun herkomstland. ECB-bestuurders worden door politici gekozen en benoemd, en die zijn natuurlijk niet geneigd iemand naar Frankfurt te sturen die daar zijn eigen regering gaat dwarsbomen.
Ruim dertig jaar na het Verdrag van Maastricht (1992) is ook de verondersteld disciplinerende werking van het SGP een wassen neus gebleken. Grote eurolanden als Frankrijk kunnen zich in de praktijk meer veroorloven dan kleine landen. Illustratief is het antwoord dat toenmalig voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker gaf toen een journalist hem vroeg waarom Frankrijk de SGP-normen almaar aan zijn laars mocht blijven lappen. ‘Omdat het Frankrijk is!’
Luister ook naar onze politieke podcast ‘De Kamer van Klok’:
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant