De muziek van Sweelinck verdiende veel meer liefde, vond Harry van der Kamp. Met een groots albumproject zette hij dat recht. Maandag is Van der Kamp overleden. Hij is 78 jaar geworden.
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Hij mocht dan wel op het briefje van 25 gulden staan en met vele naar hem vernoemde straten de bekendste Nederlandse componist heten, toch was Jan Pieterszoon Sweelinck zelfs in eigen land veel te onbekend. En dan stond Sweelinck (1561-1621) ook nog eens vooral te boek als componist voor toetsinstrumenten, hoewel het overgrote deel van zijn oeuvre uit vocale muziek bestaat.
Dat beeld is voorgoed bijgesteld, met dank aan Harry van der Kamp. Zo’n zeven jaar (jaren aan fondsenwerving niet meegerekend) werkte de bas-bariton en ensembleleider met zijn Gesualdo Consort aan de opnamen van de volledige vocale werken, waaronder de zettingen van 150 Geneefse psalmen. Het resultaat: zes boeken, voorzien van teksten over de componist en zijn omgeving, met ieder drie cd’s. Voor de klaviermuziek werden er nog twee boeken aan toegevoegd.
Van der Kamp overhandigde het ‘Sweelinck Monument’ in 2010 in de Oude Kerk van Amsterdam, waar Sweelinck organist was, aan koningin Beatrix. Bij die gelegenheid werd Van der Kamp benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Maandag is hij overleden. Van der Kamp leed aan de ziekte van Waldenström, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker. Hij is 78 jaar geworden.
Daarmee verliest het Nederlandse muziekleven een van zijn markantste zangers en inspiratoren. ‘Toen ik als 16-jarige voor het eerst Harry van der Kamp hoorde, wist ik: zo wil ik zingen’, zegt Daniel Reuss, die als dirigent van Cappella Amsterdam jarenlang met hem samenwerkte. ‘Ik ken heel veel zangers die een soortgelijke ervaring hadden. Zijn zang had een puurheid, eerlijkheid en directheid waar je niet onderuit kon.’
Van der Kamp had een charismatische stem, een stralend geluid. ‘En een laagte die nooit wollig of zompig was’, zegt Reuss. ‘De tekst moest altijd verstaanbaar zijn, dat ging hem boven de schoonheid van de klank.’
Hij blonk uit in oude muziek en had een voorliefde voor de periode rond 1600. Reuss: ‘Maar hij heeft ook veel nieuwe muziek gezongen, ook spookmoeilijke stukken. Hij had een geweldige neus voor kwaliteit en was daar erg uitgesproken in. De Messiah (van Händel, red.) vond hij maar een matig stuk.’
Hij werd in 1947 geboren in Kampen, waar hij in een jongenskoor zong. Hij vertrok naar Amsterdam om rechten te studeren, wat hij niet leuk vond. Dan probeerde hij maar psychologie. Maar de muziek trok te hard. Hij besloot naar het conservatorium te gaan. Zijn studie bekostigde hij deels door als steward te werken voor KLM.
Hij was medeoprichter van de voorloper van Cappella Amsterdam. In 1974 maakte hij de overstap naar het Nederlands Kamerkoor, waar hij twintig jaar in dienst zou zijn. Tussen 1980 en 1987 was hij er ook artistiek adviseur. In 1984 richtte hij zijn eigen ensemble op, het Gesualdo Consort. Daarmee zou hij zich vooral richten op madrigalen en repertoire opnemen dat niet al op plaat stond. Want waarom zou je het zoveelste Monteverdi-album maken als je ook Emilio de Cavalieri en Scipione Lacorcia uit de vergetelheid kunt halen?
Van der Kamp zou een discografie bij elkaar zingen van meer dan 120 cd’s. Met inderdaad ook moderne verrassingen, zoals de keelklankverkenning in Vier liederen op gedichten van János Pilinszky van György Kurtág.
Veel solisten zouden er hun neus voor ophalen om in een koor of ensemble te zingen, maar Van der Kamp deed het allemaal. Hij zong dertig operarollen en werkte met vrijwel alle grote dirigenten uit de wereld van de oude muziek. Na het verschijnen van zijn levenswerk, het Sweelinck Monument, zong hij weer steeds vaker mee met het koor waarvan hij aan de wieg stond: Cappella Amsterdam.
‘Hij had een onontkoombare manier van musiceren: dwingend in de goede zin van het woord’, zegt zijn collega-bas Kees Jan de Koning. ‘Ik heb nog heel lang tegen hem opgekeken. Ik dacht altijd: wat zal hij ervan vinden? Hij vond dat bijna alle muziek vanuit de baslijn aan te sturen was, en daar was hij heel goed in.’
Dirigent Daniel Reuss had in Van der Kamp geen volgzaam koorlid, en dat was ook goed. ‘Hij was niet bang om het oneens te zijn. Hij zei de dingen waarover een ander op zijn tong zou bijten. Soms zat hij te mompelen of nee te knikken tijdens een repetitie of een opname. Dan vond hij het te snel of te langzaam. Ik heb een keer tegen de groep gezegd: Harry is soms een pain in the ass, maar hij heeft wel bijna altijd gelijk.’
‘Hij dacht bij het zingen altijd: waar gaat dit over? Hoe draag ik de tekst zo goed mogelijk voor? Daarin zit ook het verschil tussen de oude Sweelinck-opnamen van Cappella Amsterdam en de opnamen die Harry met het Gesualdo Consort heeft gemaakt. Het moest volgens Harry veel sprekender.’
Op de uitvaart, volgende week dinsdag, zal Cappella Amsterdam zingen, zegt Reuss. De locatie: de Remonstrantse Kerk waar het koor vanaf het begin repeteerde.
De albums van het Sweelinck Monument verschenen niet in gewone cd-doosjes, maar in boeken. ‘Dat dwingt je het Sweelinck Monument een bijzondere plaats te geven’, zei hij tegen NRC.
In 2007 maakte hij deel uit van de Monteverdi-trilogie van De Nederlandse Opera, waarin Monteverdi’s opera’s in één maand werden uitgevoerd, geregisseerd door Pierre Audi.
Voor een project met Holland Baroque stelde hij teksten samen (onder meer van Blaise Pascal) voor een zingbare versie van Bachs Die Kunst der Fuge.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant