Home

Waarom moeten we periodiek herstellen van een geslaagd leven en moeten we daarvoor weg?

Deze zomer zijn we niet op vakantie gegaan, voor het eerst in jaren. Eigenlijk zijn we sinds we een Nederlands paspoort hebben en over genoeg liquide middelen beschikken om ons een vakantie te veroorloven, bijna iedere zomer ergens heen gegaan. En daarmee bedoel ik een echte vakantie met het gezin, niet een bezoek aan een of ander familielid dat als een kraaltje van een geknapte ketting lukraak ergens op de aardbol terecht is gekomen.

Familiebezoek telt niet als vakantie. Je rust er niet van uit en bovendien krijg je het bezoek vroeg of laat terug. Gewoon op vakantie, als echte toeristen, bedoel ik.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

De eerste keer was toen we al tien jaar in Nederland woonden. Over de onervarenheid, de blunders en de euforie van het erbij horen wil ik het nu niet hebben, evenmin als over het schuldgevoel dat we ons eerste kind pas op zijn tiende een echte vakantie konden bieden. Ik was nota bene net begonnen met mijn opleiding tot psychiater. Het mag een wonder heten dat ik onder invloed van professionele hypochondrie niet bij mezelf een onverwerkt rouwproces vaststelde en in behandeling ging.

Hoe dan ook voelde het om met de kinderen op vakantie te gaan als een echte intrede in de Nederlandse samenleving. Zelfs het onderhandelen met collega’s over de vrije weken tijdens de schoolvakantie gaf het bevredigende gevoel: ik ben gewoon net als iedereen. Dat we niet konden schaatsen of skiën, daar werd gelukkig niet naar gevraagd. Dat ik niet echt kon zwemmen evenmin. Zelfs dat ik niet fatsoenlijk kan fietsen, heb ik nooit aan de grote klok hoeven hangen.

Maar naar vakanties werd altijd gevraagd. Zoals het in Nederland een grote zonde is om naar iemands inkomen te vragen, is het een even grote zonde om niet te vragen waar collega’s, buren en vrienden deze zomer naartoe gaan.

Hoe en wanneer op vakantie gaan in ons leven iets vanzelfsprekends werd, weet ik niet meer. Op een gegeven moment hoorde het gewoon bij een geslaagd leven en waren ook wij gaan geloven dat een zomer waarin je nergens heen bent geweest bijna voelt alsof je iets hebt nagelaten.

Al snel moest de vakantie niet alleen plaatsvinden, maar ook slagen. Je hebt beperkte tijd en behoorlijk wat geld geïnvesteerd, dus nu moet er genoten worden. We moesten uitrusten, zoveel mogelijk beleven en het liefst terugkomen met verhalen, ervaringen en foto’s. En natuurlijk vol nieuwe energie, klaar om weer aan het werk te gaan. Zelfs uitrusten werd zo een prestatie.

Gaandeweg ben ik me gaan afvragen waarom ik eigenlijk moest bijtanken, en waarom dat per se ergens ver weg moest. Waarom beschouwen we een leven waarvan we periodiek moeten herstellen eigenlijk als een geslaagd leven? Of gaan we juist op vakantie om niet over die ingewikkelde vraag na te hoeven denken?

Een gepensioneerde docent Nederlands leerde mij ooit nadrukkelijk welke voorzetsels bij reizen en vakantie horen. Ik hoor hem nog zeggen dat het ‘op reis’ en ‘met vakantie’ is. Bijna alle andere Nederlanders die ik ken, gebruiken beide vrolijk door elkaar. Men gaat gewoon op vakantie.

In die vanzelfsprekendheid van komen en gaan zit bovendien een scheef wereldbeeld verscholen. Met het juiste paspoort en genoeg geld kan vrijwel elke plek op aarde veranderen in een consumeerbare ervaring. Afstanden zijn er om te overbruggen, grenzen om te passeren. De toerist kan aankomen, kijken, proeven, beleven en weer vertrekken. Dat is in mijn ogen een ultieme vorm van kosmopolitische macht. Je kunt je bijna overal tijdelijk thuis wanen en daarna weer naar huis.

De socioloog Zygmunt Bauman gebruikt de tegenpolen van de toerist en de vagebond om deze ongelijk verdeelde mobiliteit te beschrijven. De moderne vagebond is bijvoorbeeld de vluchteling of de ongedocumenteerde migrant. Voor hen zijn grenzen er niet om gepasseerd te worden, maar om hen tegen te houden. Aan Bauman moest ik denken toen ik eind juli de schrijnende beelden zag van de crisis aan de grens van de Spaanse Noord-Afrikaanse exclave Ceuta.

Dat was overigens niet de reden dat ik deze zomer thuisbleef. We bleven thuis om eens te experimenteren met hoe het is om er even niet bij te horen. Dat valt vooralsnog niet tegen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next