Strips Een herder plant zijn leven lang bomen en brengt een dorre streek weer tot leven. De zachte verstripping van de ecologische fabel van Jean Giono is een optimistisch verhaal dat we goed kunnen gebruiken.
Om te weten of iemand echt een uitzonderlijk mens is, moet je het geluk hebben zijn doen en laten over een jarenlange periode te kunnen observeren. Als zijn daden volledig vrij zijn van egoïsme, als generositeit zijn enige drijfveer is, als het helemaal vaststaat dat hij geen profijt nastreeft van welke aard ook, en als zijn werk tenslotte ook nog zichtbare sporen heeft nagelaten in de wereld, dan heb je zonder enige twijfel te maken met een onvergetelijke figuur.
Florence Lebonvallet & Daniel Casanave – De man die bomen plantte (naar het werk van Jean Giono). Standaard Uitgeverij. 176 pagina’s hardcover. € 35,00.
Deze beschrijving, opgenomen in de verstripping van De man die bomen plantte van de Franse schrijver Jean Giono (1895-1970), is van toepassing op Elzéard Bouffier. De zonderlinge herder, die een groot deel van zijn leven sleet in eenzaamheid, hoedde zijn schapen in de dorre en winderige Alpen van de Haute-Provence. Als man van de streek zag hij hoe de mens alles liet verkommeren. Dat bracht hem ertoe om jarenlang te werken aan iets groots: het weer vruchtbaar en leefbaar maken van de omgeving. Iedere dag gaat hij op pad met eikels, beukennootjes en berkenzaad. Wat begin twintigste eeuw nog een woestenij was, doorstaat twee wereldoorlogen en leeft op.
De geschiedenis wordt verteld door ene Jean, een geslaagde kunstgreep van scenarist Florence Lebonvallet om dicht bij het verhaal van Giono te kunnen blijven. Jean, in wie we gemakkelijk de auteur herkennen, bezoekt Elzéard door de jaren heen en ziet de bomen zo steeds hoger groeien, het bos steeds groter worden. Jean vertelt wat hij ziet en duidt het tijdsgewricht, van de jaren 1910 tot ver na de Tweede Wereldoorlog. In het oorspronkelijke verhaal van Giono was de herder weinig spraakzaam, waardoor er ook in de strip niet veel interactie tussen de mannen plaatsvindt. Dat zet de toon: het is terughoudend, met veel nadrukkelijke stiltes. Vrolijk wordt het daarentegen als de lokale politici doorkrijgen wat er gaande is en hoe bijzonder het bosrijke gebied is. Ze kloppen zich op de borst en proberen er hun voordeel mee te doen, wat een vergelijking met het toneelwerk van Giono’s tijd- en streekgenoot Marcel Pagnol rechtvaardigt.
Casanave, bekend van de driedelige stripbewerking van Yuval Noah Harari’s Sapiens, heeft een heel fijne en losse penvoering. Zijn vrije pagina-indeling, met af en toe mooie kijkplaten, doet recht aan het ruige van de streek en laat fraai zien hoe alles verandert. Dat wordt extra geaccentueerd door de inkleuring van Claire Champion, die de ontwikkeling in kleur vangt – en even knap de beide oorlogen in hun donkerte.
Giono schreef de wereldberoemde ecologische fabel in 1953, als verhaal van amper vijf pagina’s. Dat deed hij op verzoek van het Amerikaanse tijdschrift Reader’s Digest, rond het thema ‘de meest buitengewone persoon die ik ooit heb ontmoet’. Toen de redactie nader onderzoek deed naar de handel en wandel van Elzéard Bouffier, kwamen ze erachter dat de man niet bestaat. Een schande, al reageerde Giono nuchter op de aantijging: hij was immers een romancier, wat hadden ze anders verwacht?
Het verhaal verscheen niettemin een jaar later in Vogue, als De man die hoop plantte en geluk liet groeien. Dat geluk had vooral te maken met de bevolking die na verloop van tijd terugkeerde naar de streek, nadat deze die eerst had verlaten vanwege de droogte en onvruchtbaarheid. In de bewerking van Lebonvallet en Casanave ligt de focus meer op de actualiteit: in een tijd van ontbossing, van natuurbranden en de opwarming van de aarde, is het een optimistisch verhaal hoe een enkel mens tot grootse daden in staat kan zijn. En ja, dan zou je kunnen zeggen dat het jammer is dat de beste man nooit heeft bestaan. Een positief en inspirerend ander geluid is nu immers meer dan welkom.
De albums van de misdaadstrip Tango zijn zekerheidjes. Strak van opbouw, intrige en spanning goed gedoseerd. Tel daarbij op de fraaie, broeierige decors en veel schietgrage achterdocht, en het uurtje vermaak is gegarandeerd. In dit negende deel ontdekt de stoïcijnse huurling Tango dat hij een broer heeft, die zich uiteraard met louche zaken bezighoudt. Colombianen willen een drugsroute opzetten tussen Puerto Rico en Florida en broerlief zal dat wel even regelen. Tango, tussen twee vuren, krijgt de opdracht de zaak te saboteren.
Philippe Xavier & Matz – Tango 9: Broederliefde. Le Lombard. 56 pagina’s. € 9,99.
Nog meer broeierige toestanden, hier in de zuidelijke staten van Amerika na de Burgeroorlog. Jim Cutlass is een voormalige noordelijke officier die na de Amerikaanse Burgeroorlog naar Louisiana trekt om een katoenplantage te erven. In deze integrale zijn alle zeven strips gebundeld, wat een baksteen van bijna twee kilo oplevert. De westernreeks die ooit werd opgezet door het duo achter Blueberry, Giraud en Charlier, veranderde na verloop van tijd: Giraud ging zelf de scenario’s schrijven en liet Christian Rossi de strips tekenen. Het werd er duisterder van, met voodoo en allerlei zwarte magie.
Jean Giraud, Christian Rossi en Jean-Michel Charlier – Jim Cutlass integraal. Lauwert Uitgeverij / Tzooz. 448 pagina’s hardcover. € 69,95.
Van de roman van Giuliano da Empoli verscheen al een verfilming en nu is De Kremlinfluisteraar er ook in stripvorm. Het fictieve verhaal over Poetins spindoctor Vadim Baranov is onderhoudend en leunt op leugens, manipulatie en agressie. Het is fascinerend om te zien hoe Poetin in het zadel wordt geholpen en zijn machtspositie uitbouwt. Toch wordt het nergens echt spannend, vooral omdat Luc Jacamon (De Killer, Cycloop) veel werkt met vierkante tekstkaders. Dat haalt de vaart nogal uit het verhaal.
Luc Jacamon – De Kremlinfluisteraar (naar de roman van Giuliano da Empoli). Uitgeverij Casterman. 144 pagina’s hardcover. € 29,99.