Zbigniew Grochowski uit Polen, die deze maand 100 wordt, legde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Opstand van Warschau vast met zijn camera. Later werd hij wiskundeleraar. ‘Ik vertel de jeugd altijd: leren, leren, leren. Want voor ons was leren gevaarlijk.’
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
In het centrum van Zbigniew Grochowski’s woonplaats Legnica staan in augustus meerdere borden met zijn foto’s. Voorbijgangers bestuderen de zwart-witbeelden van de hoofdstad Warschau tijdens de oorlog. Grochowski, die na de oorlog leraar werd, geeft van tevoren huiswerk op: ga die foto’s even bekijken voor het interview. ‘Heeft u ze gezien? Goed.’
Grochowski zit in zijn appartement op de derde verdieping van een flatgebouw aan de rand van de stad. De wijk zindert van de zoveelste hittegolf deze zomer. Op tafel liggen boeken over geschiedenis die hij fotografeerde. ‘Ik legde de stad voor, tijdens en na de opstand vast. Er waren 43 mensen die foto’s hebben gemaakt van de opstand. Ik ben de laatste die nog in leven is.’
In 1944 ontketende het Thuisleger, de Poolse ondergrondse, een gewapende opstand tegen de Duitse bezetter in Warschau. Een van de doelen was het vestigen van een onafhankelijke Poolse staat, die in 1939 door nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie was bezet. Toen de Duitsers zich terugtrokken vanwege de oprukkende Sovjets, leek de tijd rijp.
De Sovjets kwamen niet te hulp en de Duitsers sloegen terug. Naar schatting 180 duizend inwoners werden gedood, overwegend ongewapende burgers. Warschau werd vernietigd. Polen belandde binnen de invloedssfeer van de Sovjets en de herinnering aan de Opstand van Warschau en een onafhankelijk, niet-communistisch Polen bleef tot 1989 taboe.
Grochowski had al die tijd de foto’s nog.
Hoe gaat het met u, in deze hitte?
‘Nou, het is op dit moment 28 graden in deze kamer. Voordat jullie kwamen, zat ik hier zonder overhemd en het liefst zou ik dat nog steeds doen. Het is bloedheet. De laatste tijd voel ik me erg slecht. Dit jaar ben ik drie keer in het ziekenhuis geweest.
‘Ik ben opgeleid tot wiskundige en doceerde onder meer statistiek. Volgens de statistieken zouden mensen gemiddeld tot hun 80ste moeten leven. Ik ben dus de uitzondering. Leef je langer, dan levert dat problemen op. Ik heb moeite met lopen en gebruik nu een looprek. Ik ben op.’
U bent desondanks vrij actief, begreep ik: u gaat regelmatig naar scholen om te vertellen over de Opstand van Warschau.
‘Op 1 september ga ik weer naar een school hier in Legnica, daar ben ik uitgenodigd voor de opening van het schooljaar. Vorig jaar ben ik naar een tiental andere scholen geweest. Daar is dan zo’n groot scherm met mijn foto’s. De afgelopen twintig jaar reisde ik door Polen voor zulke bijeenkomsten, soms naar de andere kant van het land. Ik vind dat je jongeren hierover moet blijven vertellen. Het is belangrijk werk.’
Voordat we daar verder over praten: in wat voor familie bent u opgegroeid?
‘Ik ben geboren in Lublin, maar we verhuisden daarna naar Brest (toen in Polen, tegenwoordig in Belarus, red.). Mijn vader werkte daar als journalist en mijn moeder was lerares. Ze gaf wiskunde op de middelbare school, net als ik later.
‘Van mijn kinderjaren herinner ik me alleen flitsen. In september 1939, toen de oorlog uitbrak, bezetten de Russen Brest en begonnen ze meteen met het vervolgen van de Poolse intelligentsia. Burgers werden gedeporteerd naar ‘de ijsberen’, zoals we Siberië noemden. Met een beroep als journalist en leerkracht stonden mijn ouders bovenaan de lijst.
‘We zijn naar Warschau gevlucht, dat was bezet door de Duitsers. Mijn vader bleef daar werken als journalist en hielp bij het drukken van ondergrondse kranten en nieuwsbulletins. Vanwege zijn gevaarlijke werk kregen we allemaal andere namen. Ik heette in die jaren Stefan Zabłocki.’
Hoe kwam u erbij om foto’s te gaan maken?
‘Toen ik 12 was, een jaar voor de oorlog, kocht mijn vader een camera. Hij leerde me fotograferen. In Warschau zat ik bij de Grijze Rangen, de verzetsbeweging van de scouting. Ik kreeg opdrachten om Duitse objecten te fotograferen, zoals militaire stellingen. We moesten aan het Thuisleger doorgeven waar die zich bevonden. Ook kreeg ik opdracht om foto’s te maken van plekken waar straatexecuties hadden plaatsgevonden.
‘Het was gevaarlijk werk. Polen mochten geen fototoestellen hebben of foto’s maken. Natuurlijk was ik bang. Maar het was de opdracht en die moest worden uitgevoerd. We gingen altijd met z’n drieën. Twee gaven me dekking. Het waren geen camera’s zoals nu: je moest het toestel in elkaar zetten en de afstand, belichting en sluitertijd instellen.
‘De foto’s gaf ik aan een strijdmakker. Ze gingen vervolgens helemaal naar Londen. De Poolse regering in ballingschap daar documenteerde de Duitse misdaden. Dat hielp uiteindelijk geen zier, want geen van die Duitsers is gestraft. Maar goed, het werd wel gedaan.’
Kon u in die tijd naar school?
‘Nee, want de Duitsers sloten de hogescholen en middelbare scholen. Dus ging ik naar geheim onderwijs. Er kwamen dan zes of zeven leerlingen naar de woning van iemand die voor de oorlog leraar was. We zaten aan een tafel, zo eentje als deze hier naast me. Dan kreeg je twee uur geschiedenis. Daarna kwam er een andere leraar, die weer twee uur lesgaf: Pools, aardrijkskunde, of iets anders.
‘Je moest alles uit je hoofd leren, want er waren geen schoolboeken en je mocht geen aantekeningen maken. Stel dat je een schrijfblok met aantekeningen had voor Pools of een ander vak, en er was een razzia? Als ze iemand met aantekeningen zouden oppakken, dan zouden ze diegene flink te grazen nemen tot die alles verklapte: wie gaf er les, waar gaven ze les...’
Op 1 augustus 1944 begon de opstand. Welk beeld uit die dagen is u altijd bijgebleven?
‘Ons gezin woonde in de Oude Stad van Warschau. Daar was ik toen de gevechten begonnen. Naast de straat waar we woonden stond een psychiatrisch ziekenhuis. Toen de Duitse aanval op de Oude Stad begon, werden de artsen en verpleegsters van dat ziekenhuis ingezet in veldhospitalen voor gewonde soldaten.
‘De psychiatrisch patiënten werden vrijgelaten. Ze renden in verwarring rond, ze wisten helemaal niet dat het oorlog was, of dat er een opstand zou komen. De Duitsers schoten ze af als eenden.
‘Aangezien ik eerder foto’s had gemaakt, was het me meteen duidelijk dat ik dit nu ook moest doen. Ik ging als een gek aan het werk. Nadat de Duitsers de Oude Stad hadden bezet, werd ik gearresteerd en met andere burgers en naar een kamp gestuurd. Ik belandde voor dwangarbeid in Duitsland, bij Wittenberg.
‘Toen de oorlog voorbij was, ging ik naar Lublin. Daar ontwikkelde ik de filmpjes die ik tijdens de opstand had gemaakt.’
Die filmpjes waren niet in beslag genomen?
‘Zo’n filmcassette was ongeveer zo groot als een klosje garen en ik had er twee in mijn zak. De Duitsers controleerden vooral of we geen wapens hadden. Toen ik de foto’s had laten ontwikkelen, bleken ze goed gelukt.
‘Toen kwam het bij me op om naar Warschau te gaan. Ik maakte in twee weken tijd meer dan tweehonderd foto’s, met een goede camera die ik in Duitsland had gestolen. Ik legde vast wat ik na de oorlog in Warschau zag. Er was alleen maar puin. Ik liep van straat naar straat en fotografeerde wat er nog over was.
‘Waarom? Ja, wat gaat er eigenlijk om in het hoofd van zo’n broekie? Ik was 19. Op die leeftijd haal je je van alles in het hoofd. Je kunt achter de meisjes aanzitten, of in mijn geval, foto’s maken.’
Wat deed u na de oorlog met al die foto’s?
‘Ik hield mijn mond stijf dicht. Met zulke foto’s zou ik me in de nesten werken. Als ik ze vijftig jaar geleden had laten zien, zou de UB (communistische geheime politie, red.) me hebben opgepakt. Er stond in geen enkel leerboek ook maar één woord over de Opstand van Warschau. Als wiskundeleraar had ik het nog makkelijk, collega’s die bijvoorbeeld geschiedenis gaven hadden het er moeilijk mee.
‘Pas toen het Museum van de Opstand van Warschau werd opgericht, in 2006, heb ik alles aan het museum in Warschau geschonken. Daarna ben ik begonnen met rondreizen door Polen om over de opstand te vertellen.’
Waarom besloot u om leraar te worden?
‘Werken in het onderwijs was een familietraditie. Eerst moest ik nog mijn eindexamen halen. Dat lukte dankzij die geheime lessen tijdens de bezetting. Ik ging naar de universiteit in Lublin. Nadat ik mijn studie had afgerond, werd ik naar Legnica gestuurd om daar op een school te werken. Ik was er blij mee, het paste helemaal bij mij.
‘Ik heb 48 jaar op dezelfde school gewerkt. In die tijd heb ik zo’n vijfduizend leerlingen naar het eindexamen begeleid. Ik vind het leuk om met jongeren te werken, ik kijk er met veel plezier op terug.’
Wat probeert u jongeren mee te geven als u ze spreekt?
‘Ik vertel de jeugd altijd: leren, leren, leren. Jullie hebben mogelijkheden die ik op die leeftijd niet had. Voor ons was het gevaarlijk om les te krijgen. Nu kun je in vrijheid leren en een goede Pool worden: ingenieur, arts, jurist, leraar, enzovoort. Bij de opening van het nieuwe schooljaar op 1 september zal ik ze opnieuw aanmoedigen: ga leren.’
Geboren: 31 augustus 1926 in Lublin, Polen
Woont in: een appartement in Legnica
Beroep: leraar wiskunde en natuurkunde in het voortgezet onderwijs
Familie: een zoon en een kleindochter
Weduwnaar sinds 2014
Source: Volkskrant