Megabranden In het publieke debat over bosbranden ligt te veel nadruk op het aantal afgebrande hectaren, stelt Max van Gerrevink. Intensiteit, snelheid en impact van de huidige megabranden verdienen meer aandacht.
Een stuwmeer gehuld in rook van een bosbrand bij Navas del Rey, 55 kilometer ten zuidwesten van Madrid.
Terwijl ik dit schrijf, is het vuur tot op vijftien kilometer van Bordeaux genaderd. Meer dan 39.000 mensen zijn inmiddels geëvacueerd uit het departement Gironde. Enkele honderden kilometers verderop, in de omgeving van Madrid en Ávila, woedden twee afzonderlijke natuurbranden die uiteindelijk samensmolten tot één grote brand. Beide branden grepen razendsnel om zich heen. Met ruim 42.000 hectare is de brand in Gironde enorm, maar de brand in de Spaanse provincie Ávila is met meer dan 55.000 hectare nog omvangrijker. In Portugal, Spanje, Griekenland en inmiddels ook Zuid-Frankrijk draaien brandweerkorpsen elke zomer wekenlang overuren. Het zomerse beeld van rookpluimen boven de Middellandse Zee voelt inmiddels alweer verraderlijk vertrouwd aan.
Max van Gerrevink is klimaatwetenschapper en gespecialiseerd in de relatie tussen bosbranden en klimaatverandering. Hij is werkzaam op de afdeling Meteorologie en Luchtkwaliteit van Wageningen Universiteit.
Natuurbranden rondom de Middellandse Zee zijn op zichzelf niets nieuws. Brand is onderdeel van het mediterrane ecosysteem, de vegetatie is hier zelfs op voorbereid. Sommige dennensoorten (zoals de Aleppoden en de Zeeden) hebben gesloten zaden of kegels die verzegeld zijn met een dikke, harsachtige laag. Pas wanneer de extreme hitte van een brand deze hars laat smelten, openen de kegels zich en ontkiemen deze zaden.
Volgens satelliet-observaties door het Europese Copernicus Instituut is in Europa tot eind juli al ongeveer 380.000 hectare door natuurbranden verloren gegaan, ruim twee keer zoveel als gemiddeld in deze periode van het jaar. Spanje kende vorig jaar een regelrecht rampjaar met bijna 400.000 hectare die in vlammen opgingen, en ook dit seizoen begon uitzonderlijk vroeg met de eerste grote branden; twee tot drie weken eerder dan normaal.
Toch schommelen zulke jaarcijfers fors, en wie alleen naar de totale oppervlakte kijkt, zou denken dat er weinig structureels verandert. Wat wel verandert, is de schaal, de snelheid en de heftigheid waarmee deze branden plaatsvinden. Dit zijn precies de kenmerken die klimaatwetenschappers samenvatten onder de noemer megabranden.
Een megabrand is meer dan een oppervlaktecijfer: het gaat evengoed om intensiteit, timing, uitstoot en schade. Juist deze kenmerken van megabranden hangen sterk samen met klimaatverandering, via vaker terugkerende hitte, droogte en verdroogde vegetatie. Een sterk wisselende totale oppervlakte tussen jaren sluit een toename van extreme branden dus niet uit: zelfs in een gemiddeld jaar kunnen de omstandigheden voor extreem brandgedrag zoals razendsnelle verspreiding, hogere intensiteit en moeilijker te bestrijden branden vaker voorkomen dan voorheen.
De interessantste vraag voor wetenschappers is daarom niet óf het brandt, maar hoe vaak daaruit een megabrand kan ontstaan. Het antwoord ligt voor een groot deel bij wat klimaatwetenschappers fire weather noemen: de combinatie van hitte, droogte en wind die van een ontsteking een ramp kunnen maken. Een internationale onderzoeksgroep, World Weather Attribution, heeft de relatie tussen de Zuid-Europese branden in 2025 en klimaatopwarming kwantitatief onderbouwd. Zij concluderen dat de condities van extreme droogte waaronder deze branden plaatsvonden in Turkije, Griekenland en Cyprus door klimaatopwarming sinds het einde van de negentiende eeuw ongeveer tien keer waarschijnlijker is geworden. Voor de hittegolven die deze zomer aan de basis lagen van de branden, kwam hetzelfde team tot een nog scherpere conclusie: zonder de recente klimaatopwarming zouden zulke temperaturen enkele decennia geleden vrijwel niet zijn voorgekomen.
Het mechanisme hierachter is vrij direct. Bij hogere temperaturen wordt meer vocht uit de bodem en planten onttrokken, waardoor dood hout, struikgewassen en grassen sneller ontvlambaar zijn. Langere droge periodes verlengen het brandseizoen aan beide kanten, met een vroeger begin en een later einde. En eenmaal ontstaan, verspreidt een brand zich sneller en heviger doordat droge lucht en harde winden vaak samengaan met deze hittegolven. Door klimaatopwarming vindt dezelfde ontsteking plaats in een groter en meer kwetsbaar gebied.
Naar schatting 90 procent van de natuurbranden in Europa wordt aangestoken door de mens: per ongeluk, door nalatigheid of met opzet. Klimaatopwarming steekt zelf geen brand aan. Wat het wel doet is het landschap voorbereiden als een lont: het bepaalt of een sigarettenpeuk of een vonk van landbouwmachines uitdooft of uitgroeit tot een ramp met veel schade en slachtoffers. De oorzaak ligt niet alleen in de hitte. Zonder begrazing, maaien en snoei verandert begroeiing geleidelijk in brandstof. Dat is zichtbaar in de verandering van het landschap: waar vóór 1950 zo’n 20 procent van het gebied in de regio Catalonië uit bos bestond, is dat aandeel door het verlaten van landbouwgronden en het verdwijnen van actief beheer opgelopen tot ongeveer 70 procent. Het landschap lijkt daardoor groener, maar is in droge en hete zomers ook kwetsbaarder geworden.
Klimaatverandering en veranderend landbeheer versterken elkaar dus: het landschap dat ooit door menselijk gebruik brandwerend werd gehouden, verandert steeds vaker in een landschap vol brandstof. Wanneer die overvloed aan brandstof samenvalt met extreme droogte, hitte en wind, kan een natuurbrand binnen korte tijd uitgroeien tot een megabrand.
Wat de zomers van 2025 en 2026 vooral laten zien, is dat incidenten in rampen veranderen. Voor beleidsmakers betekent dat een omslag: van jaarlijkse crisisbestrijding naar permanente aanpassing zoals onder andere ander bosbeheer, vroegere waarschuwingssystemen en vluchtroutes die iedereen al kent voordat het nodig is.