Home

‘Het echte gevaar is niet dat machines op ons gaan lijken, maar dat wij op machines gaan lijken’

Kunstmatige intelligentie Bedrijven en overheden zouden net zoveel moeten investeren in de ‘sociale bodem’ waarin AI landt als in de techniek zélf, vindt MIT-onderzoeker Otto Scharmer. „Als de sociale bodem is uitgeput, falen uiteindelijk alle samenwerking en creativiteit die nu nodig zijn.”

Er zou meer geld en aandacht moeten gaan naar een gezonde sociale bodem, volgens Scharmer, die het vergelijkt met regeneratieve, kleinschalige landbouw zoals hier in een moestuinencomplex omringd door industrie bij Dordrecht.

Dat zeurende gevoel dat alles steeds sneller verandert. Dat het vrijwel onmogelijk wordt om mondiale ontwikkelingen echt te begrijpen, laat staan bij te benen. Otto Scharmer heeft er een term voor: ‘planetaire overweldiging’. Zo beschrijft hij het sentiment dat hij overal ter wereld bij zijn colleges, presentaties en advieswerk aantreft, van Amerikaanse universiteitscampussen en Chinese fabrieken tot Europese steden. „De machine draait harder dan mensen kunnen verwerken, sneller dan mensen kunnen denken.”

Volgens Scharmer is het gevoel van overweldiging geen persoonlijk falen: het is een waarschuwingssignaal dat er maatschappelijk iets wezenlijks aan het afbrokkelen is, precies op het moment dat we dat het meest nodig hebben. De Duitser, docent aan de Amerikaanse topuniversiteit MIT, werd bekend met Theory U, een theorie over hoe managers grote veranderingen kunnen begeleiden door eerst grondig te luisteren voordat ze in de actiestand schieten. Hij adviseert al decennia leiders bij de Verenigde Naties, overheden en bedrijven. Maar wat er nú allemaal tegelijk op mensen en organisaties afkomt, overweldigt hemzelf de laatste tijd ook weleens, vertelt hij tijdens een videogesprek vanuit de Zwitserse Alpen, waar hij even vakantie houdt na een werkbezoek aan China. Zijn analyse werkte hij onlangs uit in essays voor Noema Magazine en de MIT Sloan Management Review.

Onder dat breed gedeelde gevoel van overweldiging ziet Scharmer drie diepere processen. Ten eerste: ons gedeelde morele kompas erodeert; de waarden en normen die samenlevingen bijeenhouden, brokkelen af. Tweede: tegelijk vallen sociale verbanden uiteen, in eenzaamheid en polarisatie. En derde, het minst zichtbaar, maar volgens Scharmer het meest verraderlijk: „We verleren langzaam essentiële menselijke vermogens, doordat we ons denken en onze creativiteit steeds verder uitbesteden aan machines. Juist nu we die creatieve vermogens het hardst nodig hebben.”

Wie zijn denkwerk uitbesteedt aan een chatbot, betaalt daar een verborgen – en hoge – prijs voor. Scharmer wijst op een MIT-studie naar het gebruik van ChatGPT voor creatieve taken, waarin onderzoekers spreken van ‘cognitieve schuld’: door AI creatief werk te laten overnemen, neem je een hypotheek op je eigen creativiteit op de lange termijn. „Wie AI gedachteloos gebruikt, ziet de kwaliteit van zijn creatieve vermogens aantoonbaar afnemen. Dat is zelfs terug te zien aan de neurale connectiviteit in het brein.”

Al die ontwikkelingen samen roepen volgens Scharmer existentiële vragen op: „Wat betekent het om te denken? En wat betekent het om mens te zijn?”

Drie intelligenties

Om die vragen te beantwoorden, onderscheidt Scharmer drie vormen van intelligentie. Die laten volgens hem zien hoe AI verschilt van mensen, en wat we wel en niet kunnen uitbesteden aan computers om uit deze crises te komen.

De eerste is AI zelf, de kunstmatige intelligentie. Aan de ene kant kijkt hij met bewondering naar de snelle voortgang daarvan. „Maar de taalmodellen achter chatbots als ChatGPT zijn getraind op enorme hoeveelheden bestaande teksten en data, en kijken daardoor per definitie achteruit: ze kunnen alleen putten uit wat er al is.” Binnen die grens presteren ze indrukwekkend, vindt hij: ze zijn briljant in het samenvatten en combineren van alle kennis die de mensheid heeft voortgebracht. Maar echt iets níéuws laten ontstaan, dat kunnen taalmodellen niet. „Daarvoor is menselijke handelingskracht nodig die een computer niet heeft.”

Voor die handelingskracht is volgens Scharmer ook een andere vorm van intelligentie nodig: organische intelligentie (OI). AI hoort bij het hoofd, bij data-abstracties van de werkelijkheid. OI ontstaat juist in het lijf, in lichamelijk contact met de echte, fysieke wereld en echte, fysieke mensen: relaties bouwen, aandachtig luisteren, je verplaatsen in een ander. „Empathie hoort daar onlosmakelijk bij, en daar loopt de machine vast: een AI-model kan empathie simuleren, maar heeft niet het werkelijke vermogen om zich op dat niveau tot een ander te verhouden.”

De derde vorm van intelligentie die Scharmer in zijn onderzoek identificeert, is de meest ongrijpbare: SI, ofwel source intelligence, bronintelligentie. Hij bedoelt daarmee de intelligentie die nodig is om aan te voelen wat er wíl ontstaan, hoe je een toekomst laat ontstaan die er nog niet is. Ja, dat kan wat zweverig klinken, erkent hij. Maar Scharmer stuitte erop in zijn onderzoek aan MIT, waarvoor hij honderdvijftig ondernemers en vernieuwers interviewde die hun vakgebied wezenlijk hadden veranderd. Hoe keken zij naar hun eigen creatieve proces? „Het verhaal dat ik keer op keer van hen hoorde: de toekomst is een mogelijkheid die naar míj kijkt, omdat ze van mij afhangt om werkelijkheid te worden.”

Scharmer voegt toe dat deze vorm van intelligentie collectief is, hij maakt een vergelijking met schimmelnetwerken in de bosbodem. Zulke onzichtbare netwerken bestaan volgens hem ook tussen mensen. Wie gebruik wil maken van de gemeenschappelijke intelligentie van die netwerken, kan dat doen „door dieper, menselijker, te luisteren naar wat er om je heen gebeurt”. Je zou het kunnen zien als een vorm van spirituele intelligentie, zegt hij. Scharmer haalt in zijn werk vaker concepten aan uit daoïstische en boeddhistische wijsheidstradities en uit onderzoek naar mindfulness.

De blinde vlek van AI

Waarom is juist die bronintelligentie nu zo belangrijk om een antwoord te vinden op dat gevoel van overweldiging dat veel mensen ervaren? Omdat ze precies de blinde vlek van AI is, zegt Scharmer. „Het is het soort intelligentie waarmee kunstenaars, ondernemers en goede leiders iets wezenlijk nieuws kunnen laten ontstaan, iets wat er voorheen echt nog niet was.” Voor scholen en universiteiten is de vraag daarom niet hoe studenten kunnen wedijveren met de computer, maar hoe ze ontwikkelen wat de computer mist, vindt hij: „Niet nadoen wat AI al beter kan dan wij, maar aanvullen waar AI blind is. Dat zou onze focus moeten zijn.

„Het grootste gevaar is niet dat machines op ons gaan lijken, maar dat wij steeds meer op machines gaan lijken. Dat we leren alleen maar zien als dataverwerking, creativiteit als het herschikken van wat er al is, de mens bekijken als een soort algoritme.” Kortom: wie te veel met AI bezig is, verliest die andere twee intelligenties, en raakt daarmee een stukje menselijkheid kwijt, op een moment dat we die maximaal nodig hebben om uitwegen te vinden uit de grote crises van dit moment.

Klinkt dit alles niet te abstract? Vooral voor mensen in grote, traditionele organisaties is dit soort taal over „toekomsten laten ontstaan” en de „intelligentie van het sociale veld” behoorlijk ver van hun bed. Scharmer herkent die kritiek deels. „Maar wat mij altijd verrast is hoeveel mensen bronintelligentie uit eigen ervaring kennen; ze praten er alleen zelden over.” Tegelijkertijd geeft hij toe: „Voor mensen die vooral in de PowerPoint-wereld leven, klinkt dit soort denken niet alleen onbekend, maar misschien zelfs wereldvreemd.”

Hoe zorg je ervoor dat die bronintelligentie meer ruimte krijgt in organisaties, en in de samenleving? Door het te zien als een investeringsafweging, zegt Scharmer. „Bedrijven en overheden zouden net zoveel geld en aandacht moeten steken in het klaarmaken en gezond maken van het sociale weefsel als nu naar AI zélf gaat. Wat nu volledig ontbreekt in de discussie over AI, is het belang van investeren in de sociale en maatschappelijke bodem waarin die AI landt.” Hij vergelijkt het zelf met de groeiende rondom zogeheten regeneratieve landbouw, die de grond gezonder maakt in plaats van uitput. Scharmer groeide zelf op zo’n boerderij op.

Sociale bodem uitgeput

„Als de sociale bodem gezond is, vertrouwen mensen elkaar meer, is er een gedeelde realiteit, communiceren mensen beter en zijn ze dus ook beter in staat gezamenlijk te reageren op de nieuwe uitdagingen die AI brengt”, stelt hij. „Als de sociale bodem is uitgeput, kun je nog zoveel mooie nieuwe technieken uitvinden, maar falen uiteindelijk de samenwerking en creativiteit die nodig zijn.”

Scharmer ziet de laatste tijd wel plekken waar meer geld en aandacht naar die maatschappelijke en sociale inbedding van AI gaat. Zo zegt hij positief verrast te zijn over wat hij bij zijn laatste bezoek aan China aantrof, waar AI-bedrijven meer gericht zijn op zogeheten open weight-modellen, een variant van opensource-modellen die mensen (deels) zélf kunnen beheren en aanpassen. Dat maakt AI weer wat menselijker, vindt hij, doordat mensen samen kunnen werken om de AI vorm te geven. Dat staat in contrast met de gesloten modellen van de meeste Amerikaanse makers: „De VS, als zogenaamd open samenleving, produceren juist vooral gesloten modellen.”

Scharmer wijst erop dat een hoge Chinese rechter onlangs oordeelde dat bedrijven hun medewerkers niet mogen ontslaan om ze door AI te vervangen, en dat de opbrengsten van de technologie er niet in handen komen van een handvol miljardairs, maar veel breder gedeeld worden in de samenleving. Hij zag in China „praktischer” toepassingen van AI: in zorg, onderwijs, dagelijks leven, fabrieken en de landbouw bijvoorbeeld, in plaats van de wedloop om dominantie van westerse AI-bedrijven in zogeheten superintelligentie: „Wat superintelligentie is, en of dat werkelijk mogelijk is, weet niemand. Het is een narratief dat ons verkocht wordt.”

En de censuur en surveillance dan, die AI toch ook versterkt? Natuurlijk heeft de Chinese, niet in democratische instituties ingebedde aanpak grote nadelen en risico’s, zegt Scharmer. „Maar opvallend veel Chinezen zijn blij met AI, vertelden ze me. Dat terwijl in het Westen de weerstand juist zichtbaar groeit.”

Optimistisch is hij dan ook over die groeiende protesten tegen de aanpak van veel grote Amerikaanse AI-bedrijven. „Zelfs in de Verenigde Staten, niet bepaald een technologie-kritisch land, protesteren steeds meer jongeren tegen AI die banen overneemt en tegen datacenters die land, energie en water opslokken.” Twee weken geleden waren er demonstraties tegen datacenters op 142 plekken in de VS, telde persbureau Reuters.

Al die bewegingen samen brengen de belangrijkste vragen van dit moment naar de oppervlakte, zegt hij: „Is AI een werktuig of onze baas? Zijn we straks slechts huiskatten van onze AI-overlords? En, misschien wel de belangrijkste: hoe gebruiken we AI zo dat het onze creatieve vermogens niet uitholt, maar juist versterkt?” Gelukkig stellen steeds meer mensen wereldwijd die vragen, signaleert Scharmer. „En we staan nog maar aan het prille begin.”

CV Otto Scharmer

Otto Scharmer (1961) is onderzoeker en docent aan de Amerikaanse MIT Sloan School of Management. Hij is de grondlegger van managementtheorie Theory U, en het Presencing Institute, een mondiaal netwerk gericht op maatschappelijke vernieuwing en leiderschapsontwikkeling. Hij is schrijver van diverse managementboeken waaronder Theory U (2007) en Presence: Human Purpose and the Field of the Future (2013, samen met Peter Senge, Joseph Jaworski en Betty Sue Flowers). De laatste tijd richt zijn onderzoek zich met name op het gebruik van kunstmatige intelligentie.

Kunstmatige intelligentie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next