Infectieziekten Lokale marmotten moeten de bron geweest zijn van een pestuitbraak in Siberië, 5.500 jaar geleden. Een hoge bevolkingsdichtheid was geen voorwaarde voor de besmettingsgolf.
Sporen van massale sterfte op de Ust’Ida I – begraafplaats bij het Baikalmeer, 5.300 jaar oud. In dit graf, nr. 33, liggen twee kinderen, een jongen van 12 à 15 jaar en een meisje van 13 à 16 jaar, beide besmet met de pest. Ze zijn geen naaste familie, maar kennelijk wel genoeg verbonden om bij elkaar begraven te worden. De vader van de jongen, 35 à 50 jaar oud, is in een naburig graf begraven. Ook van het meisje lagen familieleden in naburige graven, een tante van 30 à 40 jaar en een nichtje van 18 à 24 jaar oud.
Al 5.500 jaar geleden had een voorloper van de pest een vernietigend effect op gemeenschappen van jager-verzamelaars die toen leefden ten noordwesten van het Baikalmeer, in Zuid-Siberië. Uit dna-analyses van skeletten op vier begraafplaatsen blijkt dat toen bijna 40 procent van de doden de pestbacterie bij zich droeg en dat toen in korte tijd opvallend veel jonge kinderen tussen 8 en 11 jaar stierven, al waren ze niet de enigen. Het dna-onderzoek, onder leiding van de Deense geneticus Eske Willerslev, is deze week verschenen in Nature.
Op grond van de nieuwe dna-analyses denken de onderzoekers dat de pestbacterie Yersinia pestis ongeveer 5.700 jaar geleden moet zijn ontstaan als variant van de bacterie Yersinia pseudotuberculosis. De mensen bij het Baikalmeer werden waarschijnlijk besmet met de bacterie door contact met lokale marmottenpopulaties waarin de bacterie gemakkelijk endemisch kan zijn.
De vondst is een belangrijke ontdekking in het onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van een van de meest dodelijke ziektes in de geschiedenis van de mensheid. De gevonden Y. pestis-bacteriën zijn nog iets ouder dan de pestbacteriën die tot nu toe golden als de oudst bekende, ongeveer 5.200 jaar oud, uit Letland. Maar belangrijker is dat deze oude pestbacterie uit Siberië duidelijk besmettelijk was binnen een mensenpopulatie en vooral ook: dodelijk. Aan de skeletten is de doodsoorzaak niet te zien, maar uit de koolstof-14-dateringen en onderlinge familieverbanden kan wel worden afgeleid dat de besmette mensen vrijwel tegelijk stierven.
Die dodelijkheid en besmettelijkheid waren bij de andere oude vondsten niet erg duidelijk. Hier bij het Baikalmeer was sprake van evidente decimering van verschillende gemeenschappen in korte tijd, maar bij de andere eerdere vondsten gaat het altijd om losse skeletten met een pestbesmetting. Bij een recent Zweeds onderzoek, ook door Willerslev, werd wel aannemelijk gemaakt dat rond 5.000 jaar geleden veel mensen met pest besmet waren, met minstens 17 procent besmetting van de onderzochte skeletten. Maar over de dodelijkheid van de ziekte kon toen geen conclusie worden getrokken.
Het ontbreken van duidelijke aanwijzingen voor een Europese epidemie heeft overigens niet verhinderd dat er wel wetenschappelijke vermoedens zijn gerezen van omvangrijke Europese pestepidemiën rond 3000 v.Chr., ook al omdat precies in die tijd aanwijzingen bestaan voor bevolkingsafname, zeker in Noord-Europa. Zo’n grote peststerfte zou dan zelfs de weg vrij hebben kunnen maken voor de westwaartse Yamnaya-migratie. Dat steppenvolk uit Oekraïne had in het derde en tweede millennium v.Chr. grote invloed op de bevolkingssamenstelling in Europa en het bracht toen onder meer de Indo-Europese talen naar deze streken. Maar even goed kan de voorafgaande bevolkingsafname in de Europese late steentijd zijn ontstaan door landbouwproblemen, niet door ziekte.
De dodelijke Baikaluitbraak betekent ook niet dat zo’n prehistorische Europese pestepidemie ineens veel waarschijnlijker is, maar juist omdat het hier om jager-verzamelaars gaat betekent het wel dat ook in de vroege tijd kennelijk óveral pest kon uitbreken. Een hoge bevolkingsdichtheid is kennelijk niet nodig, zoals wel vaak is gedacht, en al evenmin een boerenleven dicht op het vee.
De beroemdste en waarschijnlijk meest vernietigende pestepidemie, de Zwarte Dood in de veertiende eeuw, ontstond in Europa wel in een periode van overbevolking. In Europa en delen van Afrika en Azië stierf toen in korte tijd maar liefst een derde tot twee derde van de bevolking aan de pest. En het ging lang door. De laatste grote Europese pestepidemie was in 1720-1722 in Marseille. Om verspreiding te voorkomen werd die stad toen door een 36 kilometer lange muur van de buitenwereld afgesneden. De andere grote epidemie heerste in de negentiende eeuw tot in de twintigste eeuw in Azië, waar ook toen miljoenen mensen stierven aan pestinfecties. Vaak wordt die recentste epidemie de derde pestepidemie genoemd, met de Zwarte Dood als tweede. Een pestuitbraak rond het Middellandse Zeegebied in de zesde eeuw wordt dan de eerste genoemd, de Justiniaanse pestepidemie, genoemd naar de toenmalige Romeinse keizer. Of die zesde-eeuwse epidemie ook miljoenen slachtoffers maakte, is overigens niet zeker.
Pestepidemieën kunnen iedere generatie weer terugkeren, omdat de bacterie blijft voortleven in ‘reservoirs’ van knaagdieren, zoals ratten, eekhoorns en marmotten. Als een nieuwe generatie opgroeit met een lage immuniteit (omdat ze nog geen contact met de pestbacteriën hebben gehad) kan de ziekte zich vanuit die dierlijke reservoirs weer opnieuw verspreiden, vaak via rattenvlooien. Berucht waren de ‘kinderepidemieën’ in de veertiende en vijftiende eeuw.
Een andere complicatie voor de theorie van een grootschalige prehistorische pestepidemie is dat waarschijnlijk pas rond 1800 v.Chr. de pestbacterie het vermogen verwierf om te overleven in het darmkanaal van rattenvlooien, waardoor de verspreiding veel makkelijker werd. Bij eerdere prehistorische pestbacteriën, ook bij die van het Baikalmeer, ontbreekt het gen ymt dat die overleving mogelijk maakt.
Het lijkt daarom aannemelijk dat de pestuitbraak bij het Baikalmeer begon door direct contact met het bloed van knaagdieren, waarschijnlijk marmotten die werden geslacht voor het vlees of gevild om hun pels. De meest waarschijnlijke besmettingsroute is vervolgens mens-tot-menscontact, zo schrijven de onderzoekers in Nature, tijdens de verzorging van de zieke, of de begrafenis. Bij de longpestvariant verspreidt de pestlijder ook besmettelijke vochtdruppels in de lucht.
De geringe besmettelijkheid via vlooien werd misschien bij deze variant ‘gecompenseerd’ door een extra dodelijk effect dat later ontbreekt. Want net als eerder onderzochte steentijdbacteriën in Zweden beschikt de Baikalvariant wel over een ander gen dat juist ontbreekt bij latere pestbacteriën. Het gaat om het ypm-gen, dat nog altijd aanwezig is in de verwante Yersinia pseudotuberculosis waaruit de pestbacterie (Y. pestis) niet lang voor deze Baikaluitbraak is ontstaan. Door dit ymp-gen kan de bacterie aanvallen van het menselijke afweersysteem makkelijker afweren, waardoor de ontstekingsreactie (nog) sterker kan worden. Dat effect zou ook de hoge kindersterfte bij de Baikaluitbraak kunnen verklaren. Uit moderne besmettingen met Yersinia pseudotuberculosis (die darmontstekingen veroorzaakt) blijken kinderen extra gevoelig te zijn. Zo’n extreme immuniteitsreactie (‘cytokinestorm’) is sowieso een belangrijke doodsoorzaak bij pestbesmetting.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin