Home

Van pianobouwer naar concertzaal: het verhaal achter Wigmore Hall, ’s werelds beroemdste kamermuziekzaal

Iedere musicus wil er spelen: Wigmore Hall in Londen, het onbetwiste mekka van de kamermuziek. De akoestiek? Magisch. Subsidie? Willen ze niet meer. Wat gebeurt daar allemaal?

is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.

Er is geen plek waar Anne Marie Stordiau liever is. En geen andere Nederlander zal er de afgelopen tien jaar zo veel concerten hebben bezocht als zij. ‘Ik heb er zelfs mijn man ontmoet, een cellist’, zegt Stordiau. ‘Ook toen de zaal in coronatijd dicht was, wandelde ik ernaartoe om weer even contact te maken. Het is zo’n geweldige plek, ik ken geen andere zaal waar de muziek zo warm en helder klinkt.’

Dat podium: Wigmore Hall in Londen. De 550 zitplaatsen tellende Wigmore Hall is het onbetwiste mekka van de kamermuziek, met een akoestiek die ideaal is voor strijkkwartetten, piano- en liedrecitals. Iedere musicus wil hier hebben opgetreden, en wie er gespeeld heeft, zet dat geheid in zijn artiestenbio.

Dit jaar viert Wigmore Hall zijn 125-jarig bestaan. Wat maakt dit tot zo’n magische plek? De Volkskrant keek er rond en ging luisteren.

Eindelijk airco

Het is 26 mei en 35 graden in Londen, een recordtemperatuur. Wigmore Street heeft veel te bieden, maar nauwelijks verkoelende bomen. Op nummer 36 is het gelukkig aangenaam van temperatuur. ‘Er is in de 125 jaar bijna niets aan de zaal veranderd’, zegt persmedewerker Kenny, een Schot in korte broek. ‘Alleen de camera’s om onze concerten mee te kunnen streamen zijn nieuw. En we hebben eindelijk airconditioning.’

De zaal heeft het schoenendoospatroon dat de grootste kans biedt op akoestisch succes, maar dan met gewelfd plafond. Het zou een Italiaanse renaissancekapel kunnen zijn, maar dan door een Engelse lens uit 1901. Toscaans marmer, albast en donker mahonie springen in het oog; de vlakke tapijtvloer en pluchen stoelen dragen genoeg bij aan de geluidsabsorptie om het hier niet te laten klinken als in een kerk.

Het podium bevindt zich deels in een apsis. Die halve koepel is er niet alleen voor de reflecties, hij is ook het visuele anker, met een hoogdravende allegorische muurschildering. ‘De Ziel van de Muziek’ wordt gekroond door ‘het Gouden Licht van de Harmonie’.

De lampen in de opvallende, tentakelachtige sierarmaturen blijven altijd aan, ook al valt van boven daglicht naar binnen.

Bedoeld om piano’s te verkopen

Eigenlijk was de zaal bedoeld als demonstratieruimte. In 1892 had het Duitse pianobouwbedrijf C. Bechstein in Berlijn een kleine concertzaal geopend om te laten horen hoe goed de Bechstein-vleugels wel niet waren. Die bij-onderneming werd zo’n succes dat ook in Londen een filiaal moest verrijzen.

Architect Thomas Collcutt werd aangetrokken om deze Bechstein Hall vorm te geven, die groots én intiem moest zijn. De zaal werd gebouwd naast de Bechstein-winkel in de welvarende wijk Marylebone, waar wel meer muziekwinkels en -uitgevers gevestigd waren om in de behoeften van de gegoede middenklasse te voorzien.

Helaas stierf Carl Bechstein een jaar voor de opening. Op vrijdag 31 mei 1901 ontvingen zijn zoons een publiek van voorname figuren. De eerste die het podium betrad, was de zangeres Helen Trust, die het God Save the King inzette. Het zal voor veel aanwezigen onwennig hebben aangevoeld. Vier maanden eerder was koningin Victoria overleden na een regeerperiode van bijna 64 jaar.

Hoeveel waarde de Bechsteins hechtten aan de opening, blijkt uit de andere musici die die avond allure gaven. Daaronder de Belgische violist Eugène Ysaÿe en de Duits-Italiaanse pianist Ferruccio Busoni, twee van de grootste sterren van hun tijd. Grootheden zouden er altijd blijven komen, van violist Joseph Joachim tot tenor Enrico Caruso en componisten-uitvoerders als Camille Saint-Saëns, Maurice Ravel en Gabriel Fauré.

Duitsers weggejaagd

Maar in de Eerste Wereldoorlog hield het op. Het werd illegaal om handel te drijven met Duitsers en Duitse bedrijven zouden worden geconfisqueerd. In haar ter gelegenheid van het jubileum verschenen boek There is Sweet Music Here beschrijft Julia Boyd hoe de zaal vanaf 1917 een doorstart maakte – als Wigmore Hall.

Het podium zou niet alleen voor kamermuziek worden gebruikt. Zo werden er in de jaren dertig Joodse feestdagen gevierd omdat de synagogen in Noordwest-Londen onvoldoende ruimte hadden om de circa 25 duizend Joden te verwelkomen die voor de nazi’s uit Europa waren gevlucht.

In de Tweede Wereldoorlog werden veel concertzalen door bommen getroffen en vernietigd, maar de Wigmore Hall overleefde de acht maanden durende Duitse bommenregen van de Blitz. En zelfs toen werden er zo’n honderd concerten gegeven.

Wigmore bleef een gigantische aantrekkingskracht hebben op musici en publiek. In de notoir krappe foyer en de gangen hangen ingelijste foto’s van alle beroemdheden die er speelden.

De mythische Green Room

Al helemaal ontzagwekkend zijn de wanden van de plek die voor de gewone stervelingen verborgen blijft: de Green Room, die een mythische status heeft, wat toch bijzonder is voor een inspeel- annex kleedkamer achter het podium.

Dit moet ook voor ervaren musici die hier optreden intimiderend zijn: hang je je jas op, word je aangestaard door pianisten Menahem Pressler en Daniel Barenboim, en weet je dat die kapstok nog is gebruikt door Benjamin Britten. Deze plek kwam toe aan sopraan Elisabeth Schwarzkopf, aan pianolegende Arthur Rubinstein, die hier na zijn recital onverwachts zijn afscheid aankondigde, waarmee hij het belang van de plek onderstreepte.

En toch kun je zomaar denken: is dit het nou? De Green Room is volgestouwd met lessenaars en andere muziekbenodigdheden en heeft daarmee ook wat weg van de rommelzolder van je overgrootmoeder. ‘Ruimtegebrek’, zegt de persman. En eerlijk: het is ook wel zo handig, als je soms drie concerten op een dag hebt. Er zijn er tegen de zeshonderd per jaar, alleen met kerst en op nieuwjaarsdag is het stil, en in augustus.

De circa 65 vaste medewerkers werken nu in kantoren aan de overkant. In de oude kantoorruimten is nu bijvoorbeeld de studio, waar altijd wordt gewerkt, want in principe wordt elk concert vastgelegd. Op maandagmiddagen zendt BBC Radio 3 (het Britse station voor klassieke muziek) liveregistraties uit Wigmore Hall uit. Sinds 2005 worden er albums uitgebracht op het eigen label Wigmore Hall Live, al verschijnen die vanaf dit jaar niet meer op cd.

Geen slechte plaatsen

We lopen naar het podium, dat krap aanvoelt. ‘Er zijn hier geen slechte plaatsen’, zegt de persman. ‘Althans, als je hier naast het podium zit, zie je wat minder. Maar het bijzondere is dat de verschillen zeer klein zijn in hoe je het geluid ervaart.’

Toch zit Anne Marie Stordiau het liefst in het midden. ‘Er zijn mensen die zeggen dat het op het balkon het best klinkt, maar daar hoor ik niet bij’, zegt ze. In 2016 verhuisde ze naar Londen voor haar functie als ambassaderaad Veiligheid en Justitie. De concertzaal werd haar tweede Londense thuis.

‘Je loopt hier zo makkelijk binnen, het is direct aan de straat. Het heeft iets informeels, je raakt snel aan de praat. Er zijn geen uitgebreide rituelen. En iedereen loopt er rond, er zijn veel studenten. Als je het vergelijkt met de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam, is die veel formeler.

‘Al de verschillende genres trekken weer net een ander publiek, maar wat ze overeenkomstig hebben, is dat je hier altijd echte liefhebbers vindt. En ik vind het leuk dat al die grote musici naar elkaar komen luisteren. Bernard Haitink en Alfred Brendel kwam ik vaak tegen, net als Mitsuko Uchida. Die woont hier geloof ik om de hoek.’

Typisch zijn de Sunday Morning Concerts, zegt Stordiau. ‘Dan zit iedereen na afloop met zo’n klein glaasje sherry. Ja, het is wel Engeland.’

Hoe is het om er te spelen?

Maar hoe is het om hier op het podium te zitten? Violist Liza Ferschtman is een van de Nederlanders die erover kan meepraten. De afgelopen tien jaar trad ze er zo’n vijf keer op.

‘Begin 2000 zat ik voor het eerst in deze zaal, het overviel me hoe mooi het er klonk’, zegt Ferschtman. ‘In 2007 mocht ik er zelf voor het eerst spelen, en ik werd weer overrompeld door de warmte van de klank.

‘Nog altijd als ik het podium op kom, duurt het een paar minuten voor ik van het concert kan genieten. Het podium is relatief hoog, het kost wat tijd om de verbinding te voelen met het publiek. En je voelt natuurlijk de traditie. Uiteraard doe ik voor elk concert net zo mijn best, toch krijg je hier het gevoel dat je het vijf procent beter moet doen. Ik hou er wel van, die druk. En uiteindelijk ben ik ook gewoon dankbaar dat ik daar mag staan.’

Wat onderscheidt Wigmore Hall in akoestisch opzicht? ‘In veel zalen waar ik speel, weet ik dat het verschil best groot is tussen wat ik hoor en wat het publiek hoort. In Wigmore is dat verschil heel klein. En ik weet dat alles er kan: als ik heel zacht speel, hoort het publiek me nog. Dan durf ik misschien eerder dingen te doen die ik in een andere zaal een te groot risico zou vinden.’

Het summum?

Er zijn weinig Nederlandse musici met zo’n veelzijdige internationale carrière als Ferschtman; als iemand vergelijkingsmateriaal heeft, is zij het wel. Is Wigmore nou écht het summum? En is het niet wel heel toevallig dat die dan nét in een metropool als Londen staat, een stad overigens waar de zalen voor symfonische muziek (met name de Royal Festival Hall en het Barbican Centre) op aanzienlijk minder enthousiasme kunnen rekenen?

‘Er zijn zeker van die verborgen, heel mooie zalen’, zegt Ferschtman. ‘In Landshut in Beieren bijvoorbeeld (de Rathausprunksaal, red.), dat is zo’n geheimtip, heel mooi met veel hout. Maar dat voelt toch anders. Als je in Wigmore Hall speelt, heb je het idee dat de hele wereld meeluistert. En je weet dat de directeur, John Gilhooly, die echt hart voor de zaak heeft, alles hoort.’

John Gilhooly, een Ier, werd in 2000 zakelijk directeur en kreeg daar in 2005 – pas 32 jaar – het artistiek directeurschap bij. In aanloop naar het jubileum stond Gilhooly volop in de belangstelling. Wigmore Hall heeft namelijk besloten zich terug te trekken uit de Arts Council England. Dat wil zeggen: het zal geen subsidie meer aanvragen, en daarmee meer privaat geld moeten gaan aanwenden om zo de bemoeienis van de kunstraad, en de bureaucratie en administratie die bij een aanvraag komen kijken, te ontlopen.

Er werd een fonds opgericht om zelfvoorzienend te worden. De benodigde 10 miljoen pond was snel opgehaald.

Diversiteit

Niet iedereen reageerde enthousiast; zo werd er gespeculeerd dat de zaal zich terug zou trekken wegens eisen omtrent diversiteit, inclusie en gemeenschapsprojecten. Gilhooly ontkende stellig. ‘We programmeren bovendien de diverste artistieke series in het Verenigd Koninkrijk’, zei hij tegen de muzieksite Bachtrack.

Dat blijkt ook uit de serie African Concert Series, die in 2022 zijn thuisbasis kreeg in Wigmore Hall, waarin pianist Rebeca Omordia muziek presenteert uit Afrika en de Afrikaanse diaspora (Omordia is overigens woensdag te horen in het Concertgebouw in Amsterdam). Daarnaast behoren de leden van de familie Kanneh-Mason, Britse musici met wortels in Sierra Leone en Antigua, tot de stamgasten. En ook van de vele portretten straalt de diversiteit af.

Engelse bloemetjesjurken

Bij het middagconcert van de ensembles van gambist en oudemuziekicoon Jordi Savall, is het publiek zeker niet monochroom. Toch is één menstype iets ruimer vertegenwoordigd: vrouw van zeventig-plus in jurk met bloemetjespatroon in pasteltinten. Waar Nederlandse concertzalen nog in de ontkenningsfase zitten over de omvang van het probleem, krijgen de bezoekers van Wigmore Hall voor aanvang te horen dat ze op moeten letten of hun hoorapparaten wel goed zijn afgestemd, om rondzingen te voorkomen.

Dan begint het concert. En dan kun je alle jubel over de akoestiek, met galmtijd van 1,5 seconde, alleen maar beamen.

Het goede eraan is dat je ook op rij 12 het gevoel krijgt dat de musici helemaal niet zo ver van je afstaan. Als de zangers van La Capella Reial de Catalunya Monteverdi’s Lamento d’Arianna zingen, is het alsof ze direct tot je spreken. Hun geluid wordt gedragen, maar vliegt niet weg; dit is een ruimte die de controle volledig bij de artiest lijkt te laten. In het zangersensemble is er opperste transparantie.

Anne Marie Stordiau noemt het ‘vanzelfsprekende nabijheid’.

Vernieuwing

’s Avonds staat er een liedrecital op het programma. Ook al heeft het liedrecital de naam moeilijk te verkopen te zijn, Wigmore blijft het royaal programmeren. Voor de veelgeprezen Litouwse sopraan Asmik Grigorian en pianist Lukas Geniušas loopt de zaal in ieder geval vol.

Wigmore Hall gaat met zijn tijd mee: er worden nu ook liedteksten boven het podium geprojecteerd. Maar in het eerste deel valt er niets te projecteren. Grigorian zingt een slim programma met vocalises, woordeloze stemoefeningen die stiekem tot substantiële composities verheven zijn. Na de pauze zingt ze liederen van Richard Strauss. Heel even laat ze een fortissimo horen waarmee ze je eraan herinnert dat ze thuis is in de grote operahuizen. Iedereen veert op.

Dan gaan de gedachten naar een citaat van Elly Ameling, de Nederlandse sopraan die regelmatig in Wigmore Hall te horen was, aangehaald in het jubileumboek: ‘De kwaliteit van een zaal wordt mede bepaald door het publiek. Een zanger kan zingen met zijn ziel, maar zonder echo is er geen concert.’

Wie na afloop weer op de stoep staat, linksaf slaat en één keer de straat oversteekt, ziet aan zijn linkerhand een bekende naam: C. Bechstein. Een eeuw nadat de pianobouwer de wereld het mooiste kamermuziekpodium schonk, kondigde Bechstein zijn terugkeer aan in de straat.

Nu is er een twee verdiepingen tellende ‘flagship showroom’ met dertien ruimtes om piano’s te testen. Het kroonjuweel? Een concertzaaltje voor honderd man.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next