De Kaapverdische Maria Antonieta Miranda was 19 en hoogzwanger toen ze naar Nederland kwam. In Rotterdam bouwde ze een bestaan op in de bejaardenzorg, waar ze opviel als zwarte vrouw. ‘De arts vroeg: is jouw bloed dezelfde kleur als dat van blanke mensen?’
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
De Kaapverdische Maria Antonieta Miranda was 19 en hoogzwanger toen ze naar Nederland kwam. In Rotterdam bouwde ze een bestaan op in de bejaardenzorg, waar ze opviel als zwarte vrouw. ‘De arts vroeg: is jouw bloed dezelfde kleur als dat van blanke mensen?’
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Thuis, dat is voor de Kaapverdische Maria Antonieta Miranda (78) Rotterdam, de stad waar ze als 19-jarige in 1967 haar eerste woordjes Nederlands in de mond nam. Op een uitstapje naar Krimpen aan den IJssel na heeft ze nooit meer elders gewoond. Op een steenworp van de West-Kruiskade bewoont ze al decennialang een appartement, waar de deur altijd openstaat voor logees: een broer of ander familielid, vrienden, maar ook studenten, kennissen of kennissen van kennissen.
‘Niemand wilde hier wonen’, zegt Miranda, een imposante verschijning met, zo zal gedurende het gesprek blijken, bijpassend karakter. ‘Dit was een slechte buurt. Nu lees ik op Funda: het is een A-locatie. U bent in 2,5 uur in Parijs.’ Glimlach: ‘Dat geeft mij binnenpret.’
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
Miranda houdt van Rotterdam, de stad waar de meeste Kaapverdianen – ‘Cabo’s, zeggen de jongeren’ – wonen. Aan haar muur siert een pointillistisch schilderij van de Erasmusbrug – ‘die heb ik gebouwd zien worden, heel mooi’ – en van het nieuwe Centraal Station – ‘ook erg mooi’.
Verder: twee grote portretfoto’s van Miranda zelf.
Op foto één is ze 19, de donkere haren opwaarts geboetseerd naar de mode destijds, kin vooruit, blik vol bravoure. Gemaakt net voordat ze naar Nederland ging. ‘Ik zei tegen de fotograaf: ik ga naar Europa en ik ga het maken’. Op foto twee, een half leven later, is ze 64, en ging ze juist ‘door een heel moeilijke tijd’.
Hoe gaat het nu met u?
‘Heel goed. Daarom is het tijd voor een derde foto.’
Maria Antonieta Miranda werd geboren tijdens de laatste grote hongersnood die de Kaapverdische archipel trof, vertelt ze. In 1948, op Santo Antão, het op één na grootste en meest westelijk gelegen van de tien eilanden, destijds nog een kolonie van Portugal. Een derde van de bevolking overleefde het niet. Miranda was het tweede kind in een rij van negen. ‘Als oudste dochter ben je een tweede moeder voor de kleintjes.’
Wat herinnert u zich van uw jeugd?
‘Er waren mensen die het slechter hadden. Mijn vader werkte voor de overheid in de infrastructuur, mijn moeder was huisvrouw. Ze kon goed organiseren: als zij zei dat je iets moest doen, deed je dat. Ze had veel power, dat heb ik van haar.
‘Op een gegeven moment zijn we met het gezin naar São Vicente verhuisd, zodat wij naar de middelbare school konden gaan; die had je niet op Santo Antão. Maar mijn vader kon daar geen werk vinden. Dus het was een zware tijd.
‘Op een dag zei mijn vader: wij gaan terug. We hadden al ons geld opgemaakt en hadden niets meer. Maar ik was 17. Ik zei: ik ga niet mee hoor.’
Waarom wilde u niet mee?
‘Ik wilde doorleren, werk vinden. Ik ben naar Angola gegaan, dat leek een logische stap, het was ook een kolonie van Portugal, ik dacht: misschien lukt het daar. Tien maanden later en een illusie armer was ik weer terug. Niet lang daarna ontmoette ik mijn man, in 1967, hij was 16 jaar ouder en werkte als zeeman, zoals veel mannen in Kaapverdië. Ze boden zich aan bij verschillende rederijen, uit Frankrijk, Duitsland, Portugal, Nederland.
‘Zo belandde ik in Nederland. Mijn man ging eerst, ik was zwanger en reisde hem achterna.’
Kunt u zich nog herinneren hoe u zich voorbereidde op die reis?
Ze begint hard te lachen. ‘Voorbereiden? Dat is iets van jullie tijd. Wij vertrokken met een kleine koffer en bleven. Ik reisde per boot naar Lissabon en daarna met de trein naar Rotterdam. Ik was in verwachting van mijn zoon. Het was een zware zwangerschap, dus het was een ellendige reis.
‘In Rotterdam kwamen we in een pension terecht, bij een Kaapverdiaanse familie die kamers verhuurde. We betaalden 25 gulden per persoon per week, hadden geen gordijnen, als ik me wilde omkleden hield mijn man een groot laken omhoog.
‘Ik was in die tijd nog illegaal, en hoogzwanger, dus ik was zenuwachtig over mijn bevalling. Via een oom ben ik toen naar Frankrijk gegaan om te bevallen.’
Waarom naar Frankrijk?
‘In Frankrijk waren ze niet zo streng. Als ik zelf de kosten van de kliniek zou betalen was het geen probleem. Terug in Nederland ontvingen we een aantal maanden later alsnog onze verblijfspapieren.
‘Die beginjaren waren eenzaam. Ik sprak de taal nog niet, was jong, kreeg veel voor mijn kiezen en op plekken waar de Kaapverdische gemeenschap samenkwam, was ik meestal de enige vrouw. Die mannen vertrouwden me niet, ze waren bang dat ik hun geheimen aan hun vrouwen zou vertellen. Maar het interesseerde me niets wat ze uitspookten.’
Hoe heeft u het Nederlands geleerd?
‘Door te durven spreken. Ik ging op pad met een woordenboek en deze vinger (steekt haar linkerwijsvinger de lucht in), anders kom je er niet. En ik ging in een bejaardenhuis werken, waar het museum van een land zit.’
Het museum van een land?
‘De oude mensen die de verhalen van het land konden vertellen, de geschiedenis. Ik begon in een bejaardentehuis in Hillegersberg, een chique wijk. Daar zaten advocaten en dokters.’
Hoe reageerden de mensen op u?
‘Sommige mensen waren nieuwsgierig, ze waren nooit in aanraking geweest met een zwart persoon. Maar ik had ook een man die elke keer dat ik kwam zei: Hitler is te vroeg geweest.’
Hoe ging u daarmee om?
‘Ik zei: meneer, u gaat niet weg, ik ga niet weg, laten we vrede sluiten. Na twee jaar is dat gelukt. Ondertussen bleef ik gewoon mijn werk doen. Dat had ik van mijn vader geleerd. Hij werkte in de infrastructuur met Portugezen. Hij zei: mensen met macht, mensen die gestudeerd hebben, die geld hebben, zullen altijd proberen je te kleineren. Geef ze geen ruimte om jou onzeker te maken.’
Hoe werkt dat precies?
‘Dat je niet gaat voelen dat je minder bent. Dat je dat niet binnenlaat. Dat je er afstand van neemt en gewoon je werk blijft doen. Ik heb zijn les nog vaak moeten toepassen.
‘Ik heb meegemaakt dat de arts in het bejaardentehuis vroeg: is jouw bloed dezelfde kleur als dat van blanke mensen? Dat was ergens in de jaren zeventig. Hij had geen idee. Ik wilde nooit het woord discriminatie gebruiken, alles wat op mijn pad kwam noemde ik ‘een gebrek aan kennis’. Ik corrigeerde mensen wel, als ze ‘jullie’ zeiden tegen me, dan zei ik: ik ben niet jullie, ik ben ik, en mijn bloed heeft dezelfde kleur als dat van jou.
‘Kaapverdianen werden ‘stille’ migranten genoemd (de eerste generatie hield zich gedeisd, uit vrees weggestuurd te worden, angst voor gezag zat er door de koloniale onderdrukking in hun geboorteland diep in, red.). Ik heb nooit van dit woord gehouden, omdat niemand stil is uit zichzelf. Mensen waren bang, omdat ze bijvoorbeeld nog geen Nederlandse nationaliteit hadden. Stil zijn is geen compliment. Het is angst en dat doet iets met mensen.’
Bent u in de bejaardenzorg blijven werken?
‘Ik heb een rondje Rotterdam gedaan, langs alle wijken en soorten mensen. Ik hield het meest van deze buurt, de West-Kruiskade. Omdat ik kinderen had, deed ik vooral nachtdiensten. Ik wilde mijn kinderen naar school brengen en weer ophalen.
‘De regels voor werknemers waren nadelig, we werkten van 7 tot 7, 12 uur achter elkaar, overdag of ’s nachts, officieel had je tussendoor onbetaald twee uur vrij, maar je kon nergens heen. Het personeel klaagde. Ik ben niet van het klagen, dus ik ben de klachten gaan verzamelen. Met die informatie wilde ik naar de moeder-overste. Het tehuis was namelijk van de nonnen. Ik heb een gesprek met haar aangevraagd maar ze zei: ik heb geen tijd. Toen heb ik haar gezegd: ik zal uw tijd niet verdoen, ik vraag u drie keer om een gesprek, de vierde keer schrijf ik een brief naar het bestuur.
‘De moeder-overste bleef mij weigeren. Dus met mijn gebroken Nederlands heb ik het bestuur een brief geschreven.’
En toen?
‘De moeder-overste kwam naar mij. ‘Je hebt over mij geklaagd, waarom ben je niet naar mij gekomen?’ De diensten werden aangepast, overdag werkte je van 7 tot 4 en in de avond begon je later. Toen alles voor elkaar was, heb ik mijn ontslag ingediend en gesolliciteerd op een andere plek. Als ik was gebleven had ik problemen gekregen, de ogen van de moeder-overste waren op mij gericht. Zij zag mij als bron van ellende.’
U had talent voor de vakbeweging.
Grimmige blik. ‘Ik wilde bij de vakbond, en had mij opgegeven voor een cursus bij Abvakabo. In de groep zaten negentien mannen en twee vrouwen. Bij de eerste bijeenkomst kwam een man naar ons: of we al koffie hadden gezet? Ik zei tegen de andere vrouw: ik weet niet wat jij doet, maar dit was mijn laatste dag, mijn geld krijgen ze niet. Ik heb mijn lidmaatschap opgezegd.
‘Maar het is me gelukt afdelingshoofd bij een zorginstelling te worden. Bij de opleiding die ik daarvoor moest volgen, wilden ze mij eerst niet aannemen. Mijn Nederlands was niet goed genoeg. Uiteindelijk vond ik een vrouw die mij hielp met de taal, zodat ik de opleiding kon beginnen en heb afgemaakt. Zo heb ik Nederland ervaren: de ene persoon moet niets van jou hebben, de andere persoon helpt je. Ik denk dat mensen overal zo zijn.’
Had u heimwee naar Kaapverdië?
‘Natuurlijk.
‘Uiteindelijk is bijna mijn hele familie naar Nederland gekomen. Ook mijn ouders, zij zijn hier in Rotterdam overleden en begraven. Mijn leven is een eenzame tocht geweest, ik heb ook psychische problemen gehad. Mijn zoon worstelde met discriminatie. De kranten schreven: de tweede generatie is verloren. Hij was daar gevoelig voor. Dit was nog voor Pim Fortuyn, in de tijd van Janmaat. Ik zei altijd: je hebt alleen jezelf ermee.
Dan: ‘Mijn dochter deed het goed. Zij heeft rechten gestudeerd en mijn kleindochter ook.’
Hoe kijkt u naar de huidige antimigratiesentimenten in Nederland?
‘In Rotterdam heb ik meegemaakt hoe gewone mensen hun buurten zagen veranderen. Hen was nooit iets gevraagd. Niemand keek naar de gastarbeiders om en niemand keek naar de gewone Rotterdammers om. Als je het gevoel hebt dat je geen zeggenschap hebt over je leven, kunnen mensen boos reageren. Ik probeer te kijken met de ogen van de mensen die niet gekozen hebben voor migranten.
‘Mijn geloof (Miranda is katholiek, red.) helpt me om vertrouwen te hebben in het leven en mensen. Ondertussen probeer ik mijn steentje bij te dragen aan dat wat ik altijd al wilde: iets terugdoen voor mijn land. Tien jaar geleden heb ik een crèche opgezet op Santo Antao, zodat moeders kunnen gaan werken, de tweede is net geopend. Ik word te oud en begin me langzaam terug te trekken naar de achtergrond, maar de lokale organisaties gaan door.’
Vanaf de jaren vijftig en vooral zestig kwamen de eerste Kaapverdianen naar Nederland, vaak als zeelieden. Vanwege honger, armoede en Portugese koloniale onderdrukking in eigen land.
Kaapverdische mannen werkten voor internationale rederijen en belandden zo in havenstad Rotterdam, waar de vraag naar goedkope arbeid in fabrieken en haven groot was. Werk aan wal bood meer zekerheid, inkomen en huisvesting: ze konden zo een bestaan opbouwen en vrouw of gezin naar Nederland laten overkomen.
Kaapverdianen organiseerden zich binnen de eigen gemeenschap in Rotterdam: ze hielpen elkaar met onderdak, werk en contacten in de stad. De diaspora – in 2022 zijn er ruim 23 duizend mensen in Nederland van wie ten minste één ouder in Kaapverdië is geboren – en haar nazaten woont nog altijd vooral in en om Rotterdam, liefkozend ‘het elfde eiland van Cabo Verde’ genoemd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant