Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant.
Wim T. Schippers ontmoette ik voor het eerst in café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal, ooit de Amsterdamse ontmoetingsplaats voor kunstenaars en journalisten. Het moet ergens in de jaren zeventig zijn geweest, want behalve Henk Hofland zat ook Herman Hofhuizen aan tafel en hij schreef televisierecensies voor De Tijd, een krant die toen nog bestond.
Hofhuizen was rooms, maar niet van het soort-Anton van Duinkerken, die had geroepen: ‘Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!’ Hij was meer een eeuwige twijfelaar, zo iemand die je tegenwoordig een ietsist zou noemen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Terwijl Hofhuizen zijn katholicisme aan het uitleggen was, trad Wim T. binnen. Hij hoorde Hofhuizen even aan en zei toen: ‘Nou, je zult nog raar opkijken als straks het hiernamaals niet blijkt te bestaan.’
Op dat moment was ik verkocht. Wim was mijn man. We raakten bevriend en er zijn tijden geweest dat we elkaar bijna dagelijks zagen in Bodega Keyser, naast het Concertgebouw, ook zo’n plek waarvan de provincie dacht dat daar de grachtengordel begon. Meestal zaten we met een klein groepje aan een tafeltje, schuin tegenover de deur naar de wc’s. Als er een dame uitkwam, richtte Wim zich tot haar en zei slechts op vragende toon: ‘En?’
De verwarring die dat ene woordje kon veroorzaken bij de aangesprokene was opmerkelijk. Werd het naar zijn zin te druk en kwamen er nog meer nieuwe gasten, dan richtte Wim zich tot de deur en riep: ‘We gaan sluiten!’
Hoewel dat zich midden op de dag afspeelde, hadden ook die woorden het effect dat men even niet wist wat te doen: doorlopen of toch maar weer naar buiten gaan. Wim had een natuurlijk gevoel voor humor dat je als lullig of misschien zelfs als kinderachtig kunt kwalificeren, maar dat altijd oorspronkelijk was.
Alleen hij kon zulke dingen zeggen op die manier. Toen de schrijver Jeroen Brouwers hem ‘een pies- en poepkunstenaar’ noemde, antwoordde hij: ‘Maar ik vind Jeroen Brouwers een bombastische flapdrol.’
Zijn gevoel voor absurde dialogen was enorm. Absoluut klassiek is een gesprek tussen Fred Haché en Barend Servet uit een van hun shows.
Fred: ‘Laten wij toch liever gewoon doorgaan met onze show en onze tekst opzeggen.’
Barend: ‘Maar luister nou toch…Dat staan wij toch te doen. Dit is onze tekst! Wat ik nu bijvoorbeeld allemaal zeg, dat staat in mijn tekst!’
Fred: ‘O ja! Ja, natuurlijk. Wat moet ik dan nú bijvoorbeeld zeggen?’
Barend: ‘Precies wat je nu zegt.’
Fred: ‘Oh! Nou, dan is het goed. Nou ik was dus, we waren, ik werd, worden we…kwaad. Was ik kwaad? Hé?!’
Barend: ‘Ja hoor es, Fred, dat weet ik niet! Ik ken jouw tekst helemaal niet uit mijn hoofd!’
Enzovoort.
In 1994 maakte ik voor de NPS/NOS een uur durend portret van Wim T., met Jan Bosdriesz als regisseur en Ellen Jens – Wims vrouw – als organisator/producent, altijd op de achtergrond. De eerste opnames werden gemaakt in het Amsterdamse stadhuis, waar Wim een trouwzaal had ingericht.
Meubilair had hij aan de muren vastgeplakt en in het midden stond een draaitafel, waarop het trouwpaar geacht werd plaats te nemen. Oorspronkelijk heette die zaal de Burgemeester Van Hall-zaal, maar de familie Van Hall maakte bezwaar omdat men vond dat hun chique naam door Wim te grabbel werd gegooid.
De gemeente verwisselde toen de zalen van naam en Wims zaal werd de Burgemeester d’Aillyzaal. Je kunt er nog steeds trouwen, maar iedere ambtenaar spreekt tegenwoordig gewoon van de Wim T. Schipperszaal.
Voor het portret had Wim bedacht dat er beslist de muziek van Erik Satie onder moest. In die tijd was Satie een hype en Wim had dan ook Reinbert de Leeuw opgetrommeld. Je ziet Satie-propagandist De Leeuw op de vreemdste plekken achter een piano zitten.
De film, het portret, de documentaire, of hoe je het ook wilt noemen, die Verdomd interessant, maar gaat u verder… heet, is nog altijd in zijn geheel te zien op YouTube en ongetwijfeld ook in de Schatkamer van Beeld & Geluid.
De laatste tijd ging het niet goed met Wim. Een optreden in het Concertgebouw, waar hij Beethovens Egmont van commentaar voorzag, liep uit op een mislukking. Hij zag er altijd jonger uit dan hij in werkelijkheid was, maar ineens verfde hij zijn haar niet meer.
Hij zat in zak en as, want zijn vrouw was gestorven en over haar was – onder het mom van een roman – een rotboek verschenen. Ik had hem graag meer discretie gegund. Op een keer zei ik tegen Wim dat ik vredig in bed zou willen sterven. ‘Hoe kom je daar nou bij?’, riep hij, ‘doodgaan doe je maar één keer. Dan ga je toch niet liggen slapen.’ Waarvan akte.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.