Home

Vele ontdekkingen deden ze, maar voor deze vogeltellers blijft ’s ochtends vroeg in het veld zijn het hoogtepunt

Al bijna zestig jaar tellen Arend van Dijk en Joop Kleine broedvogels in Zuidwest-Drenthe. Dat leverde unieke data op die veel zeggen over het veranderde landschap. De Volkskrant volgt de vogelliefhebbers op hun vaste vogeltelroute.

schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.

De eerste paapjes van het jaar zien, dat zou mooi zijn, zegt Joop Kleine (83) als we nog in de ochtendschemering vanaf zijn huis aan het Dwingelderveld beginnen aan zijn vaste vogeltelroute. Het is begin mei; de eerste paapjes zullen terug zijn uit Afrika, zo verwachten Joop en zijn kompaan Arend van Dijk (78).

Een stukje door een bosrand, langs een bijna drooggevallen vennetje en Arend heeft dan al zo’n twintig soorten gehoord en ingevoerd op zijn tablet, met daarop een kaart van het telgebied, met de codes van de vogels en hun broedgedrag, die als stipjes op de kaart verschijnen. Koekoek, roodborst, fitis, boomklever, kool- en pimpelmees, boompieper en gekraagde roodstaart zijn al snel genoteerd, evenals rietgors, kuifeend en wilde eend, die klinken vanuit een plas in het telgebied. Tot nu toe niets abnormaals.

Kraanvogelsnest

Maar dan gebeurt er toch iets onverwachts. We hadden even eerder al het getrompetter van meerdere kraanvogels vanuit de verte gehoord. Dat was niet vreemd, want kraanvogels broeden al jaren op het Dwingelderveld. En net hadden we ook al een kraanvogel gezien, in het ochtendlicht bij een veenplas. Maar nu meldt zich een tweede kraanvogel. En dat wil iets zeggen. Kijkers erbij en ja, de mannen zijn het eens: dit is een paartje en er is een nest, op een eilandje.

Afgelopen jaren zochten kraanvogels bij deze plas ook wel voedsel, maar dit is met zekerheid een nieuwe broedplek op het Dwingelderveld. En dit soort waarnemingen, dat is waar ze het voor doen. Dit voegt weer iets toe aan een telreeks die in Nederland en in Europa onovertroffen is: al bijna zestig jaar lang inventariseren de twee mannen in een groot gebied in Zuidwest-Drenthe systematisch de broedvogels. En dat leverde unieke data op, over de ontwikkeling van de vogelstand, in combinatie met de veranderingen in het landschap.

Over die data en veranderingen schreef Arend van Dijk met een aantal medeauteurs een boek met de veelzeggende titel Van korhoen tot kraanvogel. ‘Niemand die had kunnen voorspellen dat we hier nog eens kraanvogels zouden hebben als broedvogel. Wel hoefde ik vroeger in het voorjaar mijn raam maar open te doen of ik hoorde in de verte de korhoenders roepen. En die zijn hier alweer lang verdwenen.’

Enorm telgebied

Van Dijk begon hier in 1967 met tellen, op zijn 18de, hij was toen al vogelliefhebber. Hij was vanuit Heemstede naar Drenthe gekomen om te studeren aan de tuinbouwschool in Frederiksoord. ‘Ik wilde weten welke vogels er in mijn nieuwe omgeving leefden. Gewoon voor mezelf, in eerste instantie.’ Hij begon met kolonievogels (‘roeken!’) en met zeldzame vogels, maar vanaf 1970 telde hij ieder jaar alle vogels in het door hemzelf afgebakende enorme telgebied van 231 vierkante kilometer.

In dat gebied, met plaatsen als Diever, Vledder, Havelte en Uffelte, liggen ook natuurgebieden als het Holtingerveld, het Dwingelderveld en het Drentse deel van wat nu het Drents-Friese Wold heet. Ieder voorjaar ging hij er dagen, avonden en soms ook nachten op uit om alle broedvogels geteld te krijgen.

Niet alleen in de natuurgebieden, maar overal, ook op het boerenland en in de dorpen. Het meeste deed hij op de fiets, er waren weken bij dat hij honderden kilometers aflegde. ‘900 uur per jaar besteedde ik wel aan het tellen. En daar kun je gerust 900 uur bij optellen voor het verwerken van al die informatie.’

Na een jaar of vijf tellen maakte hij een rapport over wat hij zoal had aangetroffen. Niet veel later werd Van Dijk door Sovon Vogelonderzoek gevraagd om, op basis van zijn ervaringen, een landelijk meetnet voor broedvogels op te zetten en te coördineren.

Nestor van de monitoring

Zo ontstond begin jaren tachtig het zogeheten Broedvogel Monitoring Project (BMP), waarin in vaste telgebieden volgens een vaste methode de broedvogels worden geïnventariseerd. Informatie waar de overheden en terreinbeheerders zich inmiddels op baseren. Met recht kun je hem de nestor van deze monitoring van broedvogels in Nederland noemen. ‘De vleesgeworden vogelteller, dat kun je wel stellen’, zegt hij.

Zowel voor hem als voor Joop is het altijd vrijwilligerswerk geweest. Joop werkte bij een energiebedrijf, Arend werkte wel bij Sovon, maar het tellen heeft hij er altijd in zijn eigen tijd naast gedaan.

Tegenwoordig is er gps en loopt hij met een tablet rond, maar in die beginperiode maakte hij voor iedere telbeurt een nieuwe kaart waarop hij de vogels intekende. ‘Dan moest ik naar iemand met een kopieerapparaat, of ging ik stencilen. Ik had ook carbonpapier. Als ik dan heel hard drukte had ik drie exemplaren. Ik lach er nu om, maar het was doffe ellende.’

Aan het einde van het telseizoen waren er zoveel kaarten met waarnemingen als er veldbezoeken waren. En die waarnemingen zette hij dan over op kaarten per vogelsoort. Een ingewikkelde klus, wekenlang was hij met potlood en gum in de weer.

Nu gaat het allemaal automatisch. De app op zijn tablet met handig handvat geeft onze locatie en route aan en Van Dijk vult de kaart met stippen met afkortingen van vogelsoorten, die aan het einde van het seizoen met een paar drukken op de knop tot kaarten per vogelsoort leiden.

Hoogtepunt van de vroege ochtend

Even opletten nu. Kneutjes vliegen van boompje naar boompje op de heide, een graspieper, we horen een dodaars in de verte en een raaf, waarvan de mannen paraat hebben dat er vier broedparen zijn op het Dwingelderveld. Een boompieper stijgt op en dwarrelt al zingend als een parachute weer omlaag. En dan horen we opeens de wat schuchtere zang van het paapje.

Even later zien we het mannetje, boven in een dennenboompje, de oranje keel en borst lichten op in het eerste voorzichtige zonlicht. Net terug uit Afrika. Hoogtepunt van deze vroege ochtend.

Het paapje, een inmiddels zeldzaam geworden soort van kruidenrijke graslanden, heeft op het Dwingelderveld geprofiteerd van de iets natter geworden heide, weet Arend. Voor de vogel is Drenthe, en zeker Zuidwest-Drenthe, inmiddels een belangrijke regio geworden in Nederland.

Het zingende mannetje krijgt een stip op de kaart, een code die staat voor ‘zingend/baltsend in geschikt broedbiotoop’. Tijdens volgende tellingen zal blijken of een vrouwtje – de vrouwtjes komen iets later terug uit Afrika – zich bij het mannetje zal voegen. Want dat is een belangrijk kenmerk van hun tellingen: het gaat om broedvogels, overvliegende vogels tellen niet en er zijn verschillende codes, voor allerlei fases in het broedproces, zoals paarvorming en gedrag dat wijst op het bouwen van een nest, of het voeren van jongen.

Trends vaststellen

Het is ook weer niet zo dat de twee mannen ieder jaar alle territoria van alle vogelsoorten in kaart brengen; het is ondoenlijk om iedere koolmees, roodborst, tjiftjaf of zwartkop te registreren in het hele telgebied. Arend heeft een systeem bedacht waarin hij algemene vogels één keer in de vier of acht jaar telt, en dan elk jaar in steeds een ander deel van hun telgebied. Zo valt de trend goed vast te stellen. De minder algemene vogels worden wel ieder jaar geteld.

En dan nog is het zaak om het tellen efficiënt aan te pakken. Zo’n teldag begint vroeg, ruim voor zonsopgang, in de schemering nog. Arend: ‘In bossen moet je heel vroeg zijn. Sommige soorten zingen dan al volop. Iets later in de ochtend kun je naar de heide gaan. En weidevogels kun je de hele dag door tellen. En kolonievogels tel ik apart, ik ga gewoon een dag alle kolonies langs, dat is eenvoudig.’

Er waren tijden dat hij nog fanatieker was in zijn missie om bijna alles gedaan te krijgen in zijn toch al immense telgebied. ‘In de zomer kwam het wel voor dat ik de hele nacht in het bos bleef. Dan was ik ’s avonds begonnen met de houtsnippen en de nachtzwaluwen. Als het schemerig wordt, komen de uilen tevoorschijn. Ransuilen met jongen, maar ook bosuilen. En dan was er een moment dat ik dacht: ik kan net zo goed blijven tot de eerste zangvogels weer beginnen.

‘Midden in de nacht is het vaak even een tijdje stil, dan was het vechten tegen de slaap. Maar rond drie uur begint de gekraagde roodstaart al te zingen, daarna de roodborst en dan barst alles weer los. De nachtegaal zingt zelfs de hele nacht door, die kwam toen ik begon nog volop voor, maar is nu helemaal verdwenen uit Zuidwest-Drenthe.’

Stiekem tellen

Tot in de jaren tachtig was het niet vanzelfsprekend dat ‘eigenwijze jongetjes’ in natuurgebieden rondliepen om vogels te tellen. ‘Natuurbeheerders zaten helemaal niet te wachten op pottenkijkers. Ik ontdekte een keer een kolonie zwarte sterns. Ik meldde dat enthousiast bij het hoofdkantoor van Natuurmonumenten. Toen kreeg ik als reactie: ‘U mag daar helemaal niet komen.’ Onzin overigens, maar ze wilden het gewoon liever niet. Verder had je nog een heleboel grote landgoederen waar je toen niet in mocht. Daar telde ik stiekem vogels.’

De ‘minst leuke habitat’ om te tellen is de bebouwde omgeving. ‘Ik ben regelmatig voor gluurder aangezien omdat ik met een kijker naar zwarte roodstaarten, die nestelen in allerlei gaten van huizen, stond te turen. Dat is nogal ongemakkelijk. Mensen zijn ook weleens op de vlucht geslagen voor me. Ik was nachtzwaluwen aan het tellen op de heide en opeens renden er mensen weg, die waren blijkbaar bang voor mij.’

Opvallende veranderingen

Dat de nachtegaal in die bijna zestig jaar verdween, is niet de enige opvallende verandering. 186 vogelsoorten broedden er tussen 1968 en 2024 in het gebied, 150 hiervan zaten er jaarlijks of vrij geregeld. De overige broedden er incidenteel of kortstondig. Van die 150 soorten vestigden zich er veertig en veertien verdwenen er als broedvogel. In de beginperiode waren er veel nieuwkomers, wat volgens Arend niet los kan worden gezien van het begin van het telwerk. ‘Sommige van die vogels zijn vermoedelijk niet eerder opgemerkt.’

Maar bovenal zeggen de verschillen iets over het veranderde landschap in die lange periode, zoals blijkt uit het hoofdstuk in het boek waarin de Drentse vogelonderzoeker Willem van Manen de oorzaken van de trends analyseert.

Het is nu bijna onvoorstelbaar, maar toen Van Dijk begon met tellen was de kokmeeuw nog de talrijkste broedvogel in Zuidwest-Drenthe, met rond de elfduizend broedparen. De meeuwen nestelden in kolonies in de veenplassen, maar zochten voedsel in agrarisch gebied. Inmiddels zijn er nog geen honderd broedparen over. Belangrijkste oorzaken: predatie en een verdrogend boerenland met weinig voedsel, waarin raaigrasland, maisakkers en bloementeelt de boventoon gingen voeren.

Veranderend landschap

Even moeilijk voor te stellen is dat de boomklever, een typische bosvogel die we zojuist nog in de bosrand hoorden, niet in Zuidwest-Drenthe voorkwam toen het tellen begon. Van Dijk: ‘Zuidwest-Drenthe was vroeger een gebied dat werd omsingeld door vrij kale landschappen. De bossen waren hier nog niet zo oud, maar al wel geschikt voor de boomklever. Maar hij stak die kale veengebieden niet over. Pas in 1973 zag ik eindelijk een eerste boomklever, nu zijn er zo’n achttienhonderd paar.’

In die zestig jaar veranderde het landschap in het telgebied nogal. De bossen werden ouder, veel naaldbos maakte plaats voor loofbos, de heide was aanvankelijk nog nat, werd daarna droger en werd daarna door maatregelen weer vernat. En waar cultuurland en natuur in de jaren zestig nog door elkaar lagen, werd de scheiding tussen boerenland en natuur hard. Akkers en weilanden verdwenen uit natuurgebieden, er kwam ‘nieuwe natuur’ voor in de plaats, daarbuiten werd de landbouw intensiever.

Dat is terug te zien in de ontwikkeling van de vogelstand. Vogels die het in de jaren zestig nog goed deden op het boerenland, redden het nu niet of nauwelijks meer. Daar staat tegenover dat het aantal bosvogels sterk steeg.

Helemaal representatief voor Nederland is Zuidwest-Drenthe niet. Er is relatief veel natuur en er kwam ook relatief veel bij in die zestig jaar. Het landbouwareaal nam met zo’n 25 procent af, ten faveure van bebouwing en nieuwe natuur. Die nieuwe natuur, zowel in de vorm van vernatte heide, moeras als verschraalde graslanden, maakt daadwerkelijk verschil, zo laat Willem van Manen zien in het boek. In dit gebied kon door de nauwgezette tellingen vanaf het begin worden gevolgd wat nieuwe natuur doet in een grotere context. Veel vogelsoorten profiteerden ervan, zo blijkt.

Hoogtepunten in telbestaan

De eerste veldleeuwerik dan en even later meerdere ‘territoriale’ geelgorzen, aan de rand van de heide, in een overgangszone naar een voormalig weiland. Arend en Joop Kleine denken inmiddels hardop na over de hoogtepunten in hun telbestaan.

Arend: ‘Tot mijn grote verbazing ontdekte ik in 2005 een broedpaar wilde zwanen. Het eerste broedgeval in Nederland. In mijn telgebied. Gisteren zaten ze weer op het nest. Maar ook de komst van de draaihals herinner ik me nog goed, in de jaren tachtig. De eerste keer dat ik een draaihals hoorde, kon ik het geluid niet eens thuisbrengen. Nu zijn er bijna honderd paar, dat is echt geweldig.’ Voor Joop was de vestiging in 2007 van de kraanvogel in het Dwingelderveld een belevenis.

Maar het echte hoogtepunt, iedere keer weer, is het ’s ochtends vroeg in het veld zijn. Arend: ‘Je komt in gebieden waar andere mensen niet in mogen. Je hebt een eigen koninkrijkje. Ik heb er een beetje de pest in als ik andere mensen tegenkom.’ Joop gaat nog regelmatig een halfuur ergens zitten. Maar alleen zijn wordt steeds moeilijker, zeker op de mooiste plekjes in het gebied. Joop: ‘Dertig jaar geleden was er geen sterveling. Nu is er bijna altijd wel iemand, hoe vroeg ik ook kom. Meestal zijn dat toetermannen, fotografen.’

Nog iedere dag het veld in

Dwars door de heide nu, door een onregelmatig, moeilijk begaanbaar deel van de route. Het roept de vraag op: hoe lang gaan de mannen nog door? ‘Ik zie wel waar het schip strandt’, zegt Joop. 47 jaar telt hij nu op het Dwingelderveld, sinds hij dit deelgebied van Arend overnam, lange tijd deed hij het alleen.

‘Nu hebben we een telploeg van zo’n zestien mensen. Maar ik heb nog altijd mijn eigen telplots.’ En ook Arend weet nog van geen stoppen. ‘Ik wil nog iedere dag het veld in.’ Sinds hij een gehoorapparaat heeft, hoort hij ook vogels met hoge tonen weer. Tot begin jaren tachtig telde hij het complete telgebied alleen, inmiddels stuurt Arend ruim tien tellers aan en is het telprogramma wat afgeslankt. ‘De jongere generatie is niet meer zo gek als wij. Ze tellen vaak maar een paar jaar, in een paar deelgebieden.’

Na een lange telochtend, nog altijd met de fiets als vervoermiddel, komt hij tegenwoordig rond het middaguur ‘lens’ thuis. ‘Ik doe tegenwoordig ook soms een dutje op de hei. Een uurtje slapen en dan weer verder.’

Het nieuwe paar kraanvogels heeft inmiddels een jong. En er zijn inmiddels vier paartjes paapjes in de gelopen ‘telplot’ van Joop Kleine, ongeveer het gemiddelde van de afgelopen jaren.

Van korhoen tot kraanvogel; zestig jaar broedvogels tellen in Zuidwest-Drenthe; Arend J. van Dijk. Uitgeverij Noordboek; 381 pagina’s; € 34,90.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next