Japan Morgen ontvangt koning Willem-Alexander de Japanse keizer Naruhito tijdens een staatsbezoek. Robbert van Leeuwen roept de koning op het Japanse oorlogsverleden ter sprake te brengen. Erkenning van het leed zou een grote symbolische overwinning zijn.
Kroonprinses Beatrix verwelkomt keizer Hirohito bij paleis Soestdijk tijdens zijn staatsbezoek aan Nederland in 1971.
Cabaretier Wim Kan zong tijdens zijn oudejaarsconference van 1973 het lied: ‘Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen’. Kan bracht het ten gehore naar aanleiding van het staatsbezoek van de Japanse keizer Hirohito in 1971 aan Nederland. Dit staatsbezoek leidde tot grote ophef onder Nederlandse overlevenden van de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog in Azië. Het is altijd een geliefd protestlied gebleven onder Indische Nederlanders.
Morgen ontvangt koning Willem-Alexander de Japanse keizer Naruhito samen met zijn echtgenote keizerin Masako voor een officieel staatsbezoek aan Nederland. De vraag is of het oorlogsverleden van Japan ter sprake komt.
Robbert van Leeuwen is secretaris van Stichting Japanse Ereschulden. Hij is gespecialiseerd in de koloniale geschiedenis van Nederland in Azië en spitst zich toe op de confrontatie tussen Japan en het Westen.
Het protest tegen de komst van keizer Hirohito is inmiddels 55 jaar geleden. De generatie die toen de straat opging om te demonstreren tegen hét symbool van de Japanse militaire agressie in Azië en de Stille Oceaan is nu nagenoeg verdwenen. Toch leven er nog mensen van de eerste generatie die hun ervaringen van terreur, fysieke mishandeling en honger tijdens de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië (1942-1945) kunnen navertellen.
Het leeuwendeel van de ongeveer honderdduizend witte Nederlanders (totoks) en tweehonderdduizend Indo-Europeanen (Indo’s) verhuisde na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland – de zogeheten ‘repatriëring’. Deze groep oorlogsslachtoffers werd behandeld als tweederangsburger, hoewel zij wel de Nederlandse nationaliteit bezaten. Een strenge en gedwongen assimilatie volgde, met nauwelijks ruimte voor de verhalen van hun oorlogsleed. Financiële compensatie en erkenning bleven uit. Om over de oorlogstrauma’s en materiële schade van de zestig tot zeventig miljoen gekoloniseerde Indonesiërs en Chinezen maar te zwijgen – zij waren destijds immers officieel onderdanen van de Nederlandse kroon.
Over deze laatste groep voormalig gekoloniseerden heeft de Nederlandse kroon niets meer te zeggen: zij en hun nakomelingen zijn ingezetenen geworden van de Republiek Indonesië. Maar koning Willem-Alexander heeft nog wél iets te zeggen over de groep van driehonderdduizend Nederlanders en hun nakomelingen. Tegenwoordig hebben meer dan twee miljoen Nederlanders wortels in de voormalige kolonie.
Ironisch genoeg heeft de Duitse bondspresident Frank-Walter Steinmeier onlangs een bezoek gebracht aan Nederland. Twee voormalige oorlogsvijanden van Nederland worden kort na elkaar met alle egards ontvangen – en terecht. Duitsland en Japan zijn beide immers zeer belangrijke partners van Nederland.
Minder ironisch is het verschil in de manier waarop zowel de voormalige agressors als Nederland omgaan met dit verleden. Duitsland heeft een grootschalig proces van zelfonderzoek ondergaan naar de eigen daden tijdens de nazidictatuur van het Derde Rijk. De Duitse staat en de Duitse bevolking hebben uitvoerig excuses aangeboden en financiële compensatie betaald aan slachtoffers van de Shoah en andere oorlogsslachtoffers van de naziterreur.
Hoe anders en omslachtiger wordt er door de Japanse staat omgegaan met het oorlogsverleden tijdens het Japanse Keizerrijk. Die situatie leidt tot op de dag van vandaag tot internationale spanningen met buurlanden China en Zuid-Korea. Ook de Japanse omgang met Nederland en Indonesië rondom het gedeelde oorlogsverleden blijft lastig en moeizaam. Daar wordt door de Japanse overheid het liefst over gezwegen.
De Duitse bondspresident werd bijvoorbeeld rondgeleid door het nieuwe Holocaustmuseum in Amsterdam en poetste struikelstenen, gedenkstenen voor veelal gedeporteerden, op straat. Koning Willem-Alexander noemde het oorlogsverleden zelfs openlijk tijdens het staatsbanket van afgelopen 9 juni.
„Wij zijn diep dankbaar dat Nederlanders en Duitsers nu al meer dan tachtig jaar vreedzaam met elkaar zijn verbonden. Uit de brokstukken van de Tweede Wereldoorlog is nieuw vertrouwen gegroeid. Vanmiddag waren wij samen in het Nationaal Holocaust Museum, hier in Amsterdam. Van elke vier Joodse inwoners van Nederland, werden er drie vermoord. Het is een historisch feit dat niemand kan bevatten; een bodemloze put vol angst, pijn, verdriet en gemis. Het raakte me om hier samen met u bij stil te staan en daarna samen in gesprek te gaan met Joodse Nederlanders. (…) De bereidheid tot zelfreflectie is een grote kracht van de Bondsrepubliek Duitsland. (…) Maar hoe kun je leren van ontsporingen in het verleden, als je niet bereid bent ze onder ogen te zien? Duitsland durft dat. Dat is geen zwakte, dat is pure moed!”
Het zou de koning sieren als hij het aandurft soortgelijke woorden uit te spreken tegen keizer Naruhito morgen tijdens het staatsbanket. Een bezoek aan Museum Bronbeek in Arnhem, dat het koloniale verleden in Nederlands-Indië belicht, of gesprekken met Indische oorlogsslachtoffers en hun nakomelingen staan bijvoorbeeld niet op de agenda. Het gevoel van tweederangs burgerschap kruipt daarom opnieuw omhoog.
De symbolische waarde van dergelijke woorden uit de mond van koning Willem-Alexander voor de eerste generatie en hun nakomelingen valt niet te onderschatten. Mocht keizer Naruhito of zijn opvolger opnieuw een staatsbezoek aan Nederland brengen, dan zal dat nog jaren duren. Tegen die tijd is de eerste generatie Indische oorlogsslachtoffers volledig verdwenen. Het staatsbanket met de Japanse keizer is een laatste mogelijkheid om van Nederlandse zijde de lang gewenste erkenning van het Indische oorlogsleed officieel te maken. Die erkenning zou een grote symbolische overwinning betekenen voor Nederland en zijn postkoloniale gemeenschappen uit voormalig Nederlands-Indië.